Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

A.F.Th. en ‘De Movo tapes: briljante opmaat of fascinerend misbaksel

Voor ‘De Movo tapes’, deel 0 van zijn nieuwe romancyclus ‘Homo duplex’, heeft A.F.Th. van der Heijden, kortweg A.F.Th., de handen op elkaar gekregen. Is deze prelude de briljante opmaat tot een meeslepend epos? Of wordt te vroeg gejuicht? Is er eerder sprake van een fascinerend misbaksel?

 

A.F.Th van der Heijden (1951) houdt van schrijvers met megalomane trekjes. Schrijvers die met hun ambitieuze plannen zo hoog boven hun macht grijpen dat ze wel gedoemd zijn om te falen. ‘Ik dien te accepteren dat ze in hun pogen boven zichzelf uit te scheppen wel eens de mist van het hooggebergte in kunnen gaan’, merkte hij enkele jaren geleden op.

De uitspraak zegt meer over Van der Heijden zelf dan over de door hem bewonderde schrijvers die zich al dan niet succesvol aan een monsterproject waagden. In Nederland kent hij alleen in J.J.Voskuil zijn gelijke, zij het dat diens ‘Het Bureau’ in alles met het werk van A.F.Th. verschilt, behalve dan in omvang.

Van der Heijden is een schrijver wiens ambities – en in het verlengde daarvan zijn pretenties – grenzeloos zijn. Hij gaat daarin misschien nog verder dan zijn voorgangers onder wie de door hem bewonderde Jean Genet (wiens monsterproject mislukte) en Marcel Proust (‘Op zoek naar de verloren tijd’, dat de schrijver niet geheel kon voltooien).

Naast veel ander werk – van zijn debuut ‘Een gondel in de Herengracht’ onder het pseudoniem Patrizio Canaponi, de requiems ‘De sandwich’ en Asbestemming’, de roman ‘Het leven uit een dag’ tot het kleinood ‘Weerborstels’ – heeft hij tenslotte al zo’n indrukwekkende romanproject op zijn naam staan: ‘De tandeloze tijd’, waarvan het ooit beloofde laatste deel (‘Da Vinci op de Veluwe’) inmiddels geschrapt lijkt te zijn.

En nu is het eerste, of beter het nulde deel – ‘De Movo tapes’, de proloog of deel 0 – verschenen van zijn nieuwe roman fleuve ‘Homo duplex’, dat uiteindelijk uit zo’n zeven delen moet gaan bestaan. Let wel: exclusief een supplement, wat met het nu verschenen nulde deel meegerekend in totaal negen delen maakt. Maar je weet het nooit bij Van der Heijden, tegenwoordig kortweg A.F.Th. Indertijd dijde immers zijn ‘Tandeloze tijd’ ook almaar uit. Zijn grootse plannen gingen voortdurend met hem aan de haal. Zo ook bij ‘Homo duplex’, waarvan de ‘incubatietijd’ een worsteling met de stof en de tijd was. Het eerste deel, ‘Moeilijke voeten’ werd al jaren geleden aangekondigd. Anderzijds schijnt A.F.Th. met zijn nieuwe monsterproject al een aardig eind op streek te zijn. In dat opzicht steekt hij zijn voorbeelden dus al naar de kroon.

Uit ontzag heeft menigeen dan ook reeds diep zijn hoed gelicht voor A.F.Th. Het is vooral die onvoorwaardelijke inzet van de schrijver die – tot nu toe in de kritieken – hemelhoog wordt geprezen. Waardoor het zicht op de inhoud van het boek nogal eens vertroebeld raakt. Toegegeven, het is niet eenvoudig om vat te krijgen op ‘het verhaal’, want A.F.Th maakt het zijn lezers verre van gemakkelijk. Er zijn twee hoofdfiguren, wier verhalen met elkaar vervlochten zijn. De een is de verteller QX-Q-S, een Star Wars-achtige codenaam, omdat hij zijn naam uit ‘pure armoei’ had verpatst aan de Nasa voor ruimtevaartprojecten, en daarmee zijn ziel verkocht. De ander is Tibbolt Satink, getooid met de geuzennaam Movo vanwege zijn ‘moeilijke voeten’. die hij opliep bij een auto-ongeluk op de, jawel, autoloze zondag in 1973. Het verhaal wordt verteld vanuit de toekomst, Satink is allang dood (gestorven in 2023), maar QX-Q-S, die op Movo’s leven indertijd een verwoestende uitwerking heeft gehad, heeft cassettebandjes opgespoord waarop Movo zijn geschiedenis vertelt. Via een dictafoon spreekt de 24-jarige Satink – als in een scream of consciousness (naar de stream of consciousness van James Joyce) – staccato zijn invallen en herinneringen in. Daarop is hij te horen in een onstuimige ‘dialoog’ met zijn alter ego of ‘betere ik’ Movo. Aldus vernemen we onder andere over Movo’s jeugd, hoe hij als gigolo rijpere dames aan hun gerief helpt, over zijn hang naar zelfkant en geweld en over een op handen zijnde veldslag tussen hooligans uit Amsterdam en Rotterdam, met als einddoel de zogenoemde Wereldstaking tegen ‘de mens als eeuwig bedrogene van het universum’.

In QX-Q-8 herkennen wij in al zijn opgeklopte bravoure een eigentijdse, teugelloze versie van Apollo, god van de schone kunsten, en ‘het kneusje’ Satink alias de ‘brutale’ Movo is een moderne Oidipous (wat ‘met gezwollen voeten’ betekent). Dat is meteen ook het grote verschil met de boeken uit ‘De tandeloze tijd’. Van der Heijden is in navolging van schrijvers als Couperus, Mulisch en Claus nu te rade gegaan bij de antieke oudheid, in dit geval bij de tragedies van Sofokles. Het wemelt in dit boek sowieso van de literaire verwijzingen. De tentakels van die raadselachtige en boosaardige QX-Q-8, die de goden op de Olympus wil amuseren, reiken ver: hij is in veel meer actief dan als pornofotograaf en voetbalmakelaar, hij zou in veel menselijke tragedies de regie hebben gevoerd, de moderne geschiedenis naar zijn hand hebben gezet, en in nog veel meer zaken vuile handen hebben gemaakt.

De mens zit tot aan zijn oren in de drek. Dat is de weinig hoopgevende visie die ‘De Movo tapes’ ademt. A.F.Th. schildert in zijn moderne tragedie een redeloze en reddeloze wereld die van god los is. De mens danst op een rommelende vulkaan: ‘Ik keek om me heen naar mijn medepassagiers, en zag iets waarvan zij, in hun illusie van geborgenheid, onkundig waren… namelijk dat zij, hoezeer ze de schijn ook mee hadden, deel uitmaakten van een beschaving in verval. Hun bestemming lag niet in Maassluis of Rotterdam, maar ergens daar beneden, in het riool van de geschiedenis en de vergetelheid, waar alles tot onvindbaarheid wordt weggespoeld.’

Hier is een schrijver aan het woord die alles tegelijk wil, op zijn kenmerkende breedsprakerige en wijdlopige manier, iemand die zich onbekommerd uitleeft in een bombardement van beelden, even geëxalteerd als ingetogen. Dat doet hij in de vorm van meestal korte, amechtige zinnetjes, geregeld eindigend met drie puntjes, een stijlvorm die hij niet eerder zo royaal toepaste, en waarmee hij zich een vaardige navolger betoont van de omstreden Franse schrijver Louis Ferdinand Céline. De vitaliteit, het temperament, de levenslust, de wellust spatten bijkans van de pagina’s. Alles moet in woorden gevangen worden, of het nu een vliegende wieldop is of een moderne god, dát lijkt het doel dat A.F.Th. zich met zijn schrijverschap heeft voorgenomen. Niets mag ongezegd en vooral ongeschreven blijven. Voor A.F.Th. geldt: er is niets wat niet in woorden gevat kan worden. Gelukkig ontbreekt het de schrijver niet geheel aan ironie en zelfspot. Zo eindigt A.F.Th na 713 goedgevulde bladzijden niet voor niets met een verzuchting, in de mond van QX-Q-8 gelegd, waarmee hij het hele project aangenaam relativeert: ‘De mens, zeg eerlijk, wat stelde dat nou helemaal voor? Voetveeg van de geschiedenis, geen voetnoot waard.’ Over wat niet eens een voetnoot waard is, hebben we dan zojuist zo’n 200.000 woorden gelezen.

Maar levert die tomeloosheid, die bewonderenswaardige inzet ook een boek op dat je bij je nekvel grijpt en liefst niet eerder zou willen wegleggen dan nadat je het uit hebt? In dit lang uitgesmeerde voorspel word je nu en dan op sleeptouw genomen. Er staan verbluffende stukken in De Movo Tapes, waarin A.F.Th. bewijst waarom hij tot de buitencategorie in de hedendaagse Nederlandse literatuur behoort. Je kunt grote bewondering hebben voor dit megalomane schrijverschap, voor dit schrijven in de breedte, zonder zich enige beperking op te leggen. Het is knap, briljant, heel indrukwekkend allemaal, maar veel opzienbarende, nieuwe inzichten levert het toch niet op. Er zijn veel rake passages en treffende observaties, zoals: ‘Het café is zoiets als de kust, het strand. Je wordt ernaartoe gedreven. Daarna weet je ’t niet meer, behalve dat je niet verder kunt. En waarom teruggaan?’

Maar nergens word je echt om de oren geslagen. Soms kan A.F.Th. ook lelijk de plank misslaan. In zijn beeldspraak bijvoorbeeld. Als ene Tonnis Mombarg (een drankzuchtige bruut) danst op de hijgerige tophit ‘Je t’aime… moi non plus’ van Jane Birkin en Serge Gainsbourg bestaat A.F.Th. het om te schrijven: ‘’Ô mon amour…’ sidderde Serge Gainsbourg. Als hij fluisterde, klonk het als een golfje braaksel dat op grof schuurpapier stuit.’

Het boek bevat passages die geeuwverwekkend saai zijn. En de vooruitwijzingen worden mondjesmaat door de tekst gestrooid, alsof de schrijver paradoxaal genoeg in al zijn gulheid zo schraperig mogelijk wilde blijven. De losse draadjes worden mettertijd vast vernuftig aan elkaar geknoopt. Veel van wat ons nu ontgaat zal dan allemaal glashelder worden gemaakt. Voorlopig zitten we met deze lang uitgesponnen prelude, waarin je maar weinig kan meevoelen met de personages. Ze willen maar niet echt loskomen van de bladzijden; het zijn nog te zeer de marionetten van de grote poppenspeler A.F.Th.. Hoe dat komt? In ‘De tandeloze tijd’ verdichtte Van der Heijden veel van zijn eigen leven, A.F.Th. spreekt in ‘De Movo tapes’ veel meer zijn ongebreidelde fantasie aan. Mogelijk dat hieronder de geloofwaardigheid van dit krankzinnige verhaal lijdt. De verwijzingen naar gebeurtenissen als de slag tussen hooligans bij ‘Beverwijk’ en de moord op Carlo Picornie in I997 en de dood van prinses Diana, bieden het verhaal nog een schijn van authenticiteit en overtuigen.

Hoe het zij, ‘De Movo tapes’ laat mij met gemengde gevoelens achter. Benieuwd naar wat er komen gaat, maar ook teleurgesteld na deze orgie van woorden. Het is alsof je aan een copieuze maaltijd aanzit en bij het voorafje al bijna het verzadigingspunt hebt bereikt.

 

A.F.Th.: ‘De Movo tapes’, 720 bladzijden, uitgeverij Querido, Amsterdam.

 

Zolang het wezen dat wij nu een mens noemen een kruipen sluipdier was, leek er niets aan de hand. Hij verplaatste zich op een uiterst beweeglijk onderstel van vier poten. Met het omhoogklappen van zijn romp begonnen de problemen. Hij moest het ene been voor het andere zetten, en met de overige ledematen in de lucht klauwen om evenwicht te maken. Tot aan zijn edele delen spleet hij open, deze Homo duplex. Opeens was alles aan hem dubbel… in tweevoud… tenminste, totdat hij van achteren zijn staart verloor, maar dat was later pas. Een en al symmetrie, maar zo gespleten als wat. Van een kruiper werd hij kruiperig, en van kruiperig een onderkruiper.’

 

(Uit: A.F.Th.: ‘De Movo tapes’)

 

Februari, 2003

 

UA-37394075-1