Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Adriaan Morriën – De vriendelijkste schrijver van Nederland

Ik zal het blijven betreuren dat ik doodga, al was het alleen maar omdat ik dan de muziek van Bach niet zal horen. Sterven doe je samen, met je beminden. Het verschil is dat jij sterft en zij blijven leven. In zekere zin laat jij ze niet achter maar ben je ze voor.’ Dat schreef Adriaan Morriën (1912-2002) in augustus 2001 op de achterpagina van NRC Handelsblad, in wat een van zijn laatste miniaturen zou zijn.

 

De dichter, schrijver, literair criticus, vertaler en ontdekker van de Grote Drie naoorlogse schrijvers W.F.Hermans, Gerard Reve en Harry Mulisch werd wel eens de vriendelijkste schrijver van Nederland genoemd. Daar had hij zelf een hekel aan. ‘Als de mens niet ook boosaardig was, zou hij een onmens zijn.’

 

‘Laat ik volstaan met te zeggen, of te denken, dat een meisjesarm misschien wel de subliemste rechtvaardiging biedt om onze aandacht.’

 

Hoe het zij, Adriaan Morriën stond bekend als een charmant, beminnelijk mens. Als een wat zachtmoedige wereldvreemde ook. Hij was een fijnzinnig stilist die in zijn poëzie en miniaturen vooral over liefde en erotiek schreef en de kleine momenten van geluk probeerde te vangen. Dat deed hij in poëtisch proza, want voor hem was er nauwelijks verschil tussen poëzie en proza. Hij was scherp observator, een hedonist en een estheet, een geroutineerde voyeur ook. Schaamteloos en tegelijk liefdevol kon hij schrijven over het genot van het kijken naar mooie meisjes en vrouwen op straat of in de tram. Hij schreef: ‘Laat ik volstaan met te zeggen, of te denken, dat een meisjesarm misschien wel de subliemste rechtvaardiging biedt om onze aandacht, enkele ogenblikken lang, van de razende leegte van het ons omringende heelal af te leiden.’

Erotiek

Over Morriëns openhartige wijze van schrijven over erotiek, wat hij tot op hoge leeftijd deed, werd tot zijn verdriet wel eens besmuikt en schamperend gedaan. Zo noemde ‘de jonge hond’ Ronald Giphart hem in diens satire ‘Planeet literatuur’ nogal kinderachtig ‘Officiële Oude Viezerik’. Daarbij vergeleken waren de schotschriften van W.F.Hermans literair gezien een stuk doeltreffender. Morriën, die vlak na de Tweede Wereldoorlog als adviseur van uitgeverij De Bezige Bij Hermans ‘ontdekte’, raakte na een vriendschap van acht jaar ernstig gebrouilleerd met de grote schrijver.

Ze ruzieden over de overname van het literaire tijdschrift Criterium door Libertinage. Morriën maakte Hermans verwijten in zijn brochure ’De gruwelkamer van W.F. Hermans’ en Hermans deed daar op zijn vileine manier nog een paar schepjes bovenop in diens ‘Mandarijnen op zwavelzuur’. Het kwam tussen die twee nooit meer goed. ‘Na de bevrijding besloot Hermans aanvankelijk dat hij verder van zijn pen wilde leven’, blikte Morriën terug op deze onverkwikkelijke affaire. ‘Dat lukte toen natuurlijk niet zo goed, er was nog geen fonds voor de letteren, kranten betaalden miserabel. Daarom kon hij mij zo goed gebruiken. Maar wat hij werkelijk dacht, je kon er alleen naar gissen, hij kropte alles op tot hij zijn gif op papier kon spuien.’ Morriën, lang niet zo’n scherpzinnig polemist als Hermans, moet enige tijd letterlijk doodziek zijn geweest van diens treiterijen.

 

Een moederskindje, opgegroeid in een gereformeerd milieu, dat al jong brak met het geloof.

 

Adriaan Morriën werd geboren op 5 juni 1912 te IJmuiden, waar hij als derde kind van zeilmaker Gerrit Morriën en vissermandochter Neeltje van der Kuil in de jaren twintig met verbijstering zag hoe ‘een flink stuk van de duinen en het bos werden vernietigd om plaats te maken voor de Hoogovens’. Hij was een moederskindje, hij groeide op in een gereformeerd milieu, maar brak al jong met het geloof. Hij bezocht de mulo en de hbs en studeerde Frans. Tussen 1939 en 1992 publiceerde Morriën tien bundels gedichten. Voor ‘Oogappel’ (een keuze uit zijn liefdesgedichten, De Bezige Bij, 1986) ontving hij de Herman Gorterprijs. In 1993 verschenen bij uitgeverij G.A. van Oorschot zijn ‘Verzamelde gedichten’, zijn ‘dichterlijk levenswerk’, de neerslag van ruim zestig jaar dichten – van de vijfhonderd gedichten die hij schreef, wees hij er na lang wikken en wegen uiteindelijk zo’n honderd af.

Authenticiteit en persoonlijkheid zijn belangrijker dan de vorm.’

Als jong dichterlijk talent werd hij aanvankelijk betoverd door de lyriek van de Tachtigers. Later voelde hij toch meer verwantschap met eenlingen als Slauerhoff en Vestdijk: ‘Authenticiteit en persoonlijkheid zijn belangrijker dan de vorm’, stelde hij vast Zinnelijkheid, liefde en erotiek waren van meet af aan zijn thema’s. En de dood natuurlijk – hoe kan het anders bij iemand die zo vaak ziek was (Spaanse griep, pleuritis, tbc, depressies) en geruime tijd in een sanatorium verbleef. Een fragment uit ‘Tien regels’ uit 1992:

 

De dood bedroeft maar is zelf niet droefgeestig.

Zie hoe de gestorvene geredelijk glimlacht.

Hij heeft afscheid genomen van warmte en licht,

voegt zich genoegzaam naar aarde en koude.’

 

Morriën was in de jaren vijftig en zestig adviseur van enkele uitgeverijen en redacteur van een groot aantal vooraanstaande literaire tijdschriften als Criterium en Tirade. In die hoedanigheid had hij grote invloed op het literaire leven van die tijd. In de jaren vijftig trok hij de aandacht met het meermalen herdrukte ‘Alissa en Adrienne’ (1957), waarin hij als jonge vader niet alleen zijn beide dochters, toen tien en zes jaar, maar ook zichzelf prachtig portretteerde. Het is een boekje vol scherpe observaties, speelse melancholie, ragfijne bespiegelingen en kleine schetsjes die later ook zijn miniaturen zouden kenmerken. Een keuze uit zijn ‘miniaturen’ verscheen onder de titel ‘Het kalfje van de gnoe’ (1991). Hij vertaalde meer dan twintig boeken, van onder anderen Albert Camus, Max Frisch, Heinrich Böll en Sigmund Freud. Voor zijn vertaalwerk ontving bij in 1962 de Martinus Nijhoff-prijs. Hij stelde vele bloemlezingen samen en schreef recensies voor Het Parool en Vrij Nederland. In ‘Brood op de plank’ (1999) – Morriën noemde zichzelf immers een broodschrijver – is zijn verzameld kritisch proza gebundeld: 1400 bladzijden dundruk. Zijn laatste boek was ‘Lotus-brieven’ (2001), een verzameling liefdesbrieven uit de jaren 1956 en ’57 aan een jonge studente.

Bespiegelingen

Een keuze uit zijn proza, meest autobiografisch van aard, is te vinden in ‘Plantage Muidergracht’ (Arbeiderspers, Privé-domein, 1988). In dit ‘egotistisch geschrift’, waarin hij als schrijver zijn top bereikte, wisselen openhartige en ontroerende ontboezemingen, dagboeknotities, observaties, gedachtespinsels en bespiegelingen zich af met schetsen over kunst en literatuur, met soms onthullende passages over de vele schrijvers en dichters die hij in zijn lange leven had gekend. Want al was Morriën in de eerste plaats dichter, waarin hij tot de vaderlandse ‘subtop’ behoorde, de literatuurgeschiedenis zal hij vooral ingaan als de ontdekker van grote schrijvers als Mulisch, Hermans en Reve en dichters als Hans Lodeizen, die hem nadien allen in roem en succes voorbij zouden streven. Grote prijzen ontving hij niet, tot ongenoegen van zijn uitgeverij, G.A.van Oorschot die, als reactie op zijn overlijden, daar nog eens schande van sprak.

 

Ik had nooit gedacht dat ik zo oud zou worden.’

 

Morriën bleef tot op hoge leeftijd schrijven. ‘Ik had nooit gedacht dat ik zo oud zou worden’, zei hij zes jaar geleden. ‘Ik heb ook al zeker drie keer aan de rand van het graf gestaan.’ Hij had zich allang met de dood verzoend. Toch eindigde hij zijn eerder aangehaalde miniatuur met een verzuchting waarin zowel scherts als doodsangst doorklinkt: ‘De dood: het volmaakte anticonceptivum. Waarom verbiedt de paus de dood niet?’

 

2002

UA-37394075-1