Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Adriaan van Dis zat als baby op schoot bij prins Jany

Bergen lokte in de voorbije eeuw honderden kunstenaars, schrijvers en dichters. Ze wandelden er rond, huurden er huisjes om in te werken of in te verpozen. Wat maakte dit dorp zo onweerstaanbaar?

In ‘Hier scheen ’t geluk bereikbaar. Schrijvers over Bergen, Van Gorter tot Van Dis’ wordt aan de hand van portretten van schrijvers en dichters die niet alleen in de kustplaats werkten maar er ook woonden licht nostalgisch teruggeblikt op wat het kleine Bergen in de vorige eeuw zo groot heeft gemaakt.

 

In de twintigste eeuw moeten er in Bergen nogal wat halvegaren hebben gewoond, om te variëren op een uitspraak van Nescio. Een uitspraak waaraan dichter-schrijver Willem van Toorn later de titel zou ontlenen van zijn in 1988 verschenen boek, waarin hij het rijke literaire leven van ‘het bezielde dorp’ in een historische context plaatste.

 

VERGANE GLORIE

 

Tegenwoordig wonen er niet of nauwelijks nog kunstenaars of schrijvers van naam in Bergen. Dat is wel eens anders geweest in een dorp waar zich begin vorige eeuw de kunstenaars vestigden die later bekend zouden worden als de Bergense School (Le Fauconnier, Else Berg, Colnot, Filarski, Gestel, Charley Toorop, Matthieu en Piet Wiegman). De laatsten der Mohikanen? Dat waren de schilder David Kouwenaar, broer van de dichter Gerrit, en componist Simeon ten Holt. Maar verder?

 

Zelfs dichteres Neeltje Maria Min, die leek verkleefd met Bergen, is uit haar geboortedorp vertrokken. Al staat daar tegenover dat de immens populaire (kinderboeken)schrijfster Carry Slee zich er weer vestigde.

 

Veelzeggend? Misschien. Steeds vaker hoor je de klacht dat Bergen op oude roem zou teren, op vergane glorie. Dat Bergen Bergen niet meer is. Dat het voor jonge kunstenaars, schrijvers en dichters moeilijk zo niet schier onmogelijk is om zich nog te vestigen in het welvarende, ’dure’ en chique Bergen. Begint met andere woorden de glans van het befaamde kunstenaarscentrum gaandeweg te verdoffen? Of valt het mee?

 

Overal in de gemeente tref je nog sporen van Bergens glorieuze verleden aan. ‘Tastbare herinneringen’, zoals het beeld van Herman Gorter (een heer met hoed en wandelstok die onderweg naar Bergen aan Zee levensgroot de duinen lijkt te komen uitgewandeld) en dat van de ’prins der dichters’ A. Roland Holst in het centrum van zijn ’bezielde dorp’.

 

Er zijn gedenktekens op de begraafplaatsen (al is het graf van E.du Perron overwoekerd geraakt). En portretten en curiosa zijn te vinden in de musea ’t Sterkenhuis en Kranenburgh. In Bergen, zo staat het niet zonder literaire overdrijving in het boek, is er kortom ‘geen stoeptegel waarop níet de voet van een dichter gestaan heeft en op iedere terrasstoel heeft wel een prozaïst gezeten’.

 

DE STILTE EN DE ZEE

 

Wat maakte Bergen toch zo onweerstaanbaar voor al die schrijvers en dichters? Gorter zocht er zijn rust, de (vrijwel vergeten maar eens grote dichter) Scheltema de stilte, Roland Holst de zee. Lucebert daarentegen kon overal schrijven en tekenen. Daar had hij Bergen niet voor nodig, aan de wereld van zijn geest had hij voldoende, wat in zekere zin ook gold en geldt voor Neeltje Maria Min.

 

Ik ben gelukkig weer in Bergen’, schreef Gorter in 1913, ‘mijn geliefde oord, waar de inspiratie uit de zee opwelt. Hier laat ik alle zorgen en angsten varen.’

 

Gorter was toen al een landelijke bekendheid wiens handel en wandel op de voet werd gevolgd door de Bergensche Badbode. In Bergen-Binnen gebruikte hij de maaltijd geregeld in het gezelschap van Roland Holst. Gorter voelde zich volgens Lieneke Frerichs in haar bijdrage over de dichter van de ‘Mei’ ‘kennelijk prettig bij de bewonderende vriendschap’ van zijn jongere collega. Roland Holst noemde Gorter ‘o, zo’n ongelooflijk innemende man’. Dat Gorter ‘de prins der dichters’, Jany voor intimi, maar een onbenul vond en allerminst gecharmeerd was van diens ’mondain gebabbel’, noemt Frerichs een fabeltje. Over Roland Holst weidt Jan van der Vegt uit, waarbij hij royaal put uit zijn monumentale biografie van Roland Holst.

 

Er staan meer gedegen bijdragen in dit boek, over de dichters Gerrit Kouwenaar, H.C.ten Berge, Hans Tentije, Elly de Waard, Maurits Mok en Scheltema, wiens werk zeventig jaar geleden nog ‘onsterfelijk’ werd genoemd. Er is een fraai portret van de mij onbekende kinderboekenschrijfster Selleger-Elout (die met ‘Lijsje Lorresnor’ volgens Aukje Holtrop een van de mooiste jeugdboeken uit de eerste helft van de twintigste eeuw schreef), Sjoerd Kuyper schrijft over De Eerste Bergensche Boekhandel en Michael Valeton beschrijft drie routes om literair Bergen per fiets of te voet te verkennen.

 

Een beetje vreemde eend in de bijt is Chris J. van Geel, die in Groet woonde (dat wel tot de gemeente Bergen behoort). Elly de Waard schrijft een prachtig portret van de door haar bewonderde dichter bij wie ze in 1962 als secretaresse introk en wiens geliefde ze werd.

 

KINDEREN VAN VROEGER

 

Maar het aardigst zijn de ’interviews’, van Mischa de Vreede met de weduwe van Lucebert en van Adriaan van Dis met Neeltje Maria Min, een unicum want de publiciteitsschuwe dichteres geeft nooit interviews. Van Dis en Min zijn beiden in Bergen geboren (en Van Dis niet in Bergen aan Zee zoals hij ooit jokte). Ze schelen elkaar drie jaar, ze kennen dezelfde kinderen van vroeger en toch hebben ze elkaar destijds gemist.

 

Van Dis doet in zijn stuk over Min vermetele maar vergeefse pogingen om Bergen een plaats te geven in haar poëzie. Aardiger dan het fileren van Mins poëzie, waarover de schuwe dichteres uiterst terughoudend is, zijn dan ook haar uitspraken. Dat ze wel van Gorter had gehoord en dat Roland Holst in de buurt rond fietste, maar dat het zonder zus An ‘nooit iets met dat schrijven van mij geworden’ zou zijn. Mooi zijn de dialogen die zich tussen beiden ontspinnen, wanneer ze herinneringen ophalen aan de rokkenjager en charmeur Roland Holst – toch steeds wéér Jany de dichtervorst, die als een rode draad door het boek loopt.

 

Volgens mijn moeder heb ik als baby nog bij hem op schoot gezeten’, zegt Van Dis. Waarop Min vraagt: ‘Had hij een oogje op haar?’ Van Dis: ‘Nee, op mijn zusters. Hij liep met een zak snoep achter die mooie Indische meisjes aan. Mijn moeder vond het een vieze vent, maar het was wel mijn eerste contact met de literatuur.’ Min: ‘Maar we mogen niet te geringschattend doen. Op mijn veertiende kende ik de hele ‘Winter aan zee’ uit mijn hoofd, lopend aan het strand – alleen – hardop declamerend. Prachtig vond ik het.’

 

Bij de geruchtmakende presentatie van Mins beroemde debuutbundel ‘Voor wie ik liefheb wil ik heten’ in 1966 was ook Roland Holst aanwezig. De oude bard en het meisje verschenen samen in de krant. Van Dis:

 

‘Later ging het verhaal dat híj de gedichten zou hebben geschreven en meer nog: Jany zou ook haar verwekker zijn. De familie Min heeft er nog hartelijk om gelachen.’

 

WIJ GINGEN VROEGER SAMEN NOOIT NAAR HET STRAND’

 

Tony Swaansdijk, de weduwe van Lucebert, is het niet eens met de stelling dat de glans van Bergen de laatste jaren is verbleekt.

 

Eigenlijk ben ik meer op Bergen gesteld geraakt sinds ik alleen ben’, zegt ze tegen Mischa de Vreede die herinneringen ophaalt aan haar ‘leermeester’ Lucebert. ‘Ik ga nu bijvoorbeeld wel eens naar het strand, dat deden wij vroeger samen nooit. Ik heb ook het gevoel dat er meer levendigheid is; er zijn lezingen, het KCB is wat opgebloeid de laatste jaren. Vroeger vond ik het toch een beetje een saaie boel hier.’

 

Swaanswijk, die namens de Lucebertstichting de nalatenschap van haar man beheert, ervoer na zijn dood in 1994 ‘hoe waanzinnig samen we waren, altijd. Dat besef ik pas nu.’ Ze vertelt over de begintijd toen het echtpaar het nog niet zo breed had. Lucebert had zich aangesloten bij de Nederlandse Experimentele groep, leefde van de hand in de tand, ’eenzaam, verfomfaaid en hongerig (…) met alleen maar mijn stem als onderdak’.

 

We waren allemaal arm’, zegt ze, ‘in die tijd, en niemand kon wonen waar hij wilde en zoals hij wilde.’ De Keizer der Vijftigers mocht dat wel als een rebelse geest te boek staan, als een flamboyante kunstenaar, in Bergen was hij steevast als een kantoorklerk gedisciplineerd aan het werk. ‘Een enkele keer wou hij wel even mee boodschappen doen. Mee naar de supermarkt en dan kocht hij van alles waarvan ik dacht: wat moeten we dáár nou mee! Leuke sauzen in flessen die nooit opgingen omdat we die nooit gebruiken. Verder kwam hij de deur nauwelijks uit.’

 

Bij de Swaanswijks thuis kwamen vroeger veel (later) beroemd geworden schrijvers en (buitenlandse) kunstenaars over de vloer. Om te praten, om te eten.

 

Een van mijn kinderen zei dat nog laatst: Jee, wat wij hier niet voor mensen aan tafel hebben gehad, dat is toch niet te geloven!’

 

Hier scheen ’t geluk bereikbaar. Schrijvers over Bergen, Van Gorter tot Van Dis’, 216 blz, uitgeverij Conserve, Schoorl.

 

Januari, 2001

 

UA-37394075-1