Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Als Willem Frederik Hermans kwaad was, was hij op zijn best

‘Wat is die Mulisch toch dom hè’, verzuchtte Willem Frederik Hermans (1921-1995) eens tegen zijn vriend en schrijver Cees Nooteboom met wie hij door Parijs kuierde. Toevalligerwijs verbleef Harry Mulisch die dag ook in de Franse hoofdstad. ‘Als we hem tegenkomen wil ik in ieder geval niet met hem op de foto’, zei Hermans.

Die kans leek bijzonder klein. Een half uur later liepen de beide matadors elkaar toch pardoes tegen het lijf.

‘Harry!’ zei Hermans.

‘Wim!’ zei Mulisch.

Er volgde volgens Nooteboom nog net geen omhelzing. In een café werd het vervolgens nog heel erg gezellig. Nooteboom interviewde beiden. Maar samen op de foto? Geen sprake van.

 

Deze anekdote staat in ‘Apollo in Brasserie Lipp. Bespiegelingen over Willem Frederik Hermans’, waarin vrienden als de schrijver Cees Nooteboom en de journalisten H.J.A. Hofland, H.W. Sandberg en Hans Keller mooie, gedetailleerde herinneringen aan de grote schrijver ophalen.

 

Hermans bovengenoemde reactie zegt ook iets van zijn dubbelhartige karakter. Voor de buitenwacht was hij een tamelijk onaangenaam heerschap, schuw, schichtig, altijd op zijn hoede, een zure misantroop, die volgens vriend Raymond Benders ‘liever met eenzamen en doden’ vriendschap sloot. Maar voor wie hem kende, voor intimi die hem ‘Wim’ mochten noemen, was hij uiterst aimabel figuur die onverhoeds warm uit de hoek kon komen.

 

In 1995 stierf Willem Frederik Hermans, maar de aandacht en belangstelling voor zijn leven en werk blijft onveranderlijk groot. Van de Grote Drie – Reve, Mulisch, Hermans – werd hij doorgaans de grootste genoemd. Van die drie was hij in elk geval verreweg de scherpste polemist – zijn polemiekenbundel ‘Mandarijnen op zwavelzuur’ uit 1964 is klassiek en legendarisch.

 

Met zijn superieure droge en vileine stijl stelde hij daarin, en in zijn andere essays, hypocrisie en leugenachtigheid op onbarmhartige wijze aan de kaak. Hij ontmaskerde valse heldhaftigheid, ijdeltuiterij en zelfingenomenheid, gewichtigdoenerij en starre bureaucratie.

 

Hermans stoorde zich nu eenmaal zeer aan mensen die ‘denken de waarheid te verkondigen en dat doen in een gebrekkige stijl’ 

 

Hermans is zijn leven lang voor van alles en nog wat uitgemaakt. Hij was een lastpost, een querulant, een onuitstaanbare sarcast, een rancuneuze drammer, een onbetamelijke betweter, een onhebbelijke geldwolf, en zo verder. Hermans maakte zich niet erg geliefd. Hij maakte veel vijanden. Hij stoorde zich nu eenmaal zeer aan mensen die ‘denken de waarheid te verkondigen en dat doen in een gebrekkige stijl’, zoals hij zei met zijn wat hoge, schraperige, spottende stem. Die móest hij gewoon – hij kon het niet laten – nu en dan op hun tekortkomingen wijzen. En daarop liet hij dan zijn zo gevreesde, vileine schaterlachje volgen.

 

Maar al die eigenschappen, die hem zowel bewondering als verguizing bezorgden, waren onmisbaar voor zijn literaire kunst waaruit zijn grote romans (zoals ‘De donkere kamer van Damocles’ en ‘Nooit meer slapen’) en verhalen uit de jaren vijftig en zestig voortkwamen. Hierin rekende hij af met de romantiek van oorlog en verzet.

 

Hij zette daar een gitzwart wereldbeeld tegenover, dat hij – lees zijn schitterende, meest autobiografische novelle ‘Het grote medelijden’ uit de bundel ‘Een wonderkind of een total loss’ er maar op na – bijna vrolijk samenvatte met de woorden scheppend nihilisme. In het hermansiaanse universum huizen wij immers allen in een donkere kamer.

 

Vooralsnog heeft de schrijver (nog) geen navolgers van zijn niveau gekregen. Of het moet de jonge Arnon Grunberg zijn, die al dan niet moedwillig in alles de meester probeert na te volgen – hij schrijft ook romans, verhalen, poëzie, toneel, columns, kritieken, hij polemiseert – zonder hem nochtans te kunnen evenaren: bij Grunberg krijg je nog te veel de indruk dat hij moedwillig provoceert en zich een tegendraads oordeel aanmatigt, terwijl het bij Hermans, die zich altijd door gevaarlijke gekken omringd zag, er sprake van een innerlijke noodzaak was.

 

In ‘Apollo in Brasserie Lipp’ zijn naast de herinneringen van de schrijvers Cees Nooteboom en Gust Gils, de journalisten H.J.A. Hofland, H.W. Sandberg en Hans Keller, en vrienden als Raymond J. Benders, Frans Janssen en Freddy de Vree, enkele beschouwingen opgenomen. Hella Haasse schrijft over ‘Au pair’, de enige roman van Hermans die in Parijs speelt, waarin ze verrassende ontdekkingen doet.

Schrijver en toneelkenner Kester Freriks en dramaturg Carel Alphenaar schrijven over Hermans’ toneelwerk, waarbij alleen de laatste kritische noten kraakt. Wilbert Smulders verdiept zich in Hermans’ reputatie als polemist. Frans Ruiter zet de wetenschap in het werk van Hermans, die fyisch geograaf was, tegenover dat in het werk van Mulisch en Gerrit Krol.

 

Luchtiger is het stuk van literair criticus Arjen Peters die indertijd met een medestudent voor het Parijse appartement van de schrijver stond te ijsberen. Ze dorstten de meester niet te storen, maar ze hoorden hem wel tikken, op een rode IBM-schrijfmachine, serienummer 721-58257291. Ze kenden het nummer uit hun hoofd zoals een puber vroeger de top 40 van buiten kende. Nee, die Peters en zijn metgezel waren niet van de straat.

 

Wat in dit ‘vriendenboek’ node wordt gemist is een bijdrage over Hermans’ stijl. Stijl maakt immers de schrijver, en over Hermans stijl is vaak opgemerkt dat hij zo stroef en hoekig was. Nee, mooi schreef Hermans misschien niet – in het postuum uitgegeven ‘Ruisend gruis’ struikel je over de lelijke zinnen. Maar hij schreef wel doeltreffend, lees ’De heilige van de horlogerie’ er maar op na. Of de beklemmende novelle ‘Het behouden huis’ en meesterlijke romans als ‘De donkere kamer van Damokles’, ‘Nooit meer slapen’ en ‘Uit talloos veel miljoenen’.

 

Daarentegen is er wel een mooi stuk van poëziecriticus Guus Middag over Hermans poëzie. Hij schreef net als Reve niet veel gedichten, maar onder dat bescheiden oeuvre bevinden zich verhoudingsgewijs wel veel pareltjes, zoals ‘Straattoneel’:

 

Er klinken schoten ergens onder mij.

Er rijdt een priester op een fiets voorbij.

Aan ’t kruispunt weet hij verder niet te gaan

(twijfel is een rood licht waar hij voor remt)

En blijft met uitgestrekte armen staan.

 

Zodat, van ver, hij op de heiland lijkt

En dichterbij, op een verkeersagent.

 

Hermans, zijn bewonderaars weten dat, was op zijn best als hij kwaad was. Iemand zei bij zijn dood:

 

Nu is hij dood. Maar wat zal hij daar nu kwaad om zijn!’

 

Toch is over zijn ziekte en dood nauwelijks geschreven. Hij stierf op 27 april 1995 in het Academisch Ziekenhuis van Utrecht, waarna hij in stilte werd gecremeerd. Zijn eerste biograaf Hans van Straten – Willem Otterspeer werkt als de officiële biograaf van Willem Frederik Hermans nu aan een nieuwe biografie – suggereerde dat longkanker de doodsoorzaak was. En voor wie zich Hermans’ hoestbuien op tv herinnert, waarin hij bijkans stikte, zal dat geen verbazing wekken. Hij rookte drie pakjes per dag; hij schreef er het bijna visionaire verhaal ‘De laatste roker‘ over.

 

Daarom is de bijdrage van Hermans’ vriend Raymond Benders ook zo aangrijpend.

Zijn bewegingen zijn voorzichtig en langzaam’, schrijft Benders over de stervende schrijver. ‘Hij is smal geworden, en lijkt op een beeld van Giacometti. Hij kijkt op, maar is in zichzelf gekeerd.’

 

Als hij afscheid neemt ziet hij Hermans zitten:

 

Rechtop als een Japanse keizer, koel en soeverein terwijl ik terugstap in de vestibule van zijn sterfkamer. Daar sta ik in een geluiddichte sluis en zie dat zijn zoon en vrouw ter weerszijden zich als twee engelen over hem heen buigen.’

 

Apollo in Brasserie Lipp. Bespiegelingen over Willem Frederik Hermans’. Onder redactie van Raymond J. Benders en Wilbert Smulders, 256 pag., gebonden, geïllustreerd, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam.

 

September, 2001

UA-37394075-1