Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Anna Enquist: ‘Het gemis zit overal’

Het thema van de verloren dochter blijft zich bij Anna Enquist aandienen. Ook in de gedichten die ze speciaal schreef voor het poëziegeschenk ‘Een kooi van klank’, dat de eerste Poëzieweek, met als thema muziek, opluistert. ,,Er is eigenlijk niet aan te ontkomen.”

 

In 2001 verloor de schrijfster en dichteres haar 27-jarige dochter Margit bij een verkeersongeluk op de Dam in Amsterdam. Het is het thema van haar roman ‘Contrapunt’ (2008), over een vrouw die Bachs ‘Goldbergvariaties’ instudeert om na het verlies van haar dochter haar verdriet in te tomen. Het is ook het overheersende thema van haar dichtbundels ‘De tussentijd’ (2004), ‘Nieuws van nergens’ (2010) en nu van het overrompelende ‘Een kooi van klank’ (2013), dat te lezen valt als een ode van de moeder aan haar dochter.

,,Daarbij komt dat ik met mijn dochter een enorme muzikale band had. Dat past in het thema ‘muziek’ van de Poëzieweek”, zegt Anna Enquist (1945), die van oorsprong psychoanalytica en pianiste is (met cello als bij-instrument). ,,We speelden heel veel samen. Als je dan over muziek schrijft, komt dat toch allemaal naar boven. Het grote plezier dat we er samen aan beleefden, hoe wij samen Mozart speelden. En de functie van muziek als er zoiets ergs gebeurd is.”

 

,,Ik vond het doodeng, eerlijk gezegd. Ik had niks liggen. Het thema muziek sprak me aan. Maar ik was ontzettend bang dat het niet zou lukken.”

 

Anna Enquist, pseudoniem van Christa Widlund-Broer, noemt het tijdens het gesprek in de openbare bibliotheek van Amsterdam (OBA) een eer dat ze werd gevraagd om het poëziegeschenk te schrijven. Daarmee schaart ze zich in de rij van voorgangers als Remco Campert, Rutger Kopland, Judith Herzberg, Gerrit Kouwenaar en – vorig jaar – Joke van Leeuwen.

Maar ze was doodsbenauwd dat het niet zou lukken. ,,Ik vond het doodeng, eerlijk gezegd. Ik had niks liggen. Helemaal niks. Ik was met proza bezig geweest, ik had de roman ‘De verdovers’ geschreven en het voetbalboek ‘Kool!’ samengesteld. Daar was ik druk mee. Het thema muziek sprak me aan. Maar ik was ontzettend bang dat het niet zou lukken.”

,,Je kan jezelf zo moeilijk dwingen om poëzie te schrijven. Ik heb teruggemaild en gevraagd of er een plan B was. Of ik, als het niet zou lukken, iets met oude gedichten zou kunnen doen, of dat er eventueel een andere dichter op de reservebank zou zitten. Maar ik heb nooit antwoord op dat mailtje gekregen. Hij wilde daar helemaal niet over spreken. Maar goed, ik vond het ook een uitdaging. Ik ben vooral zo blij dat het gelukt is.”

 

,,Je moet toch wachten op een ingeving. Maar ik kréég een ingeving en ben begonnen.”

 

Ze zette zich gedisciplineerd aan de schrijftafel. ,,Het is echter moeilijk om te gaan zitten en een gedicht te gaan maken. Je moet toch wachten op een ingeving. Maar ik kréég een ingeving en ben begonnen. Als je maar discipline opbrengt en er elke dag voor gaat zitten, krijg je toch wel wat voor mekaar. Dat verbaasde mij wel. Ik dacht alleen dat dat voor proza gold. Dan ga ik gewoon elke dag zitten, of ik nu geïnspireerd ben of niet. Niks mee te maken, gewoon vijfhonderd woorden per dag. Dat moet. Maar ik heb gemerkt dat je daar met poëzie ook een heel end komt.”

Het werd een cyclus van tien gedichten, die bestaan uit elk vier keer een drieregelige strofe. ,,Dat is bewust gegaan. Ik nam steeds een aspect uit het ene gedicht om daar in het volgende mee verder te gaan om de ketting verder te breien. Dat lukte eigenlijk behoorlijk aardig. Bovendien besloot ik om overal dezelfde vorm te hanteren.”

 

,,Je gaat bij poëzie uit van wat je invalt. En in mijn geval is er dan niet aan te ontkomen dat onze dode dochter weer op de proppen komt.”

 

Het thema van de verloren dochter diende zich als vanzelf aan. ,,Het is er toch weer ingeslopen. Je gaat bij poëzie uit van wat je invalt. En in mijn geval is er dan niet aan te ontkomen dat onze dode dochter weer op de proppen komt.”

Ook de muziek keert in een ritmische cadans, als een soort bezwering, telkens terug in de gedichten:

 

‘Ik schoof de wieg onder de vleugel,

dekte haar toe met Bach en Ravel,

zong Otis Redding, Roodkapje –’.

 

Het gedicht ‘Goede raad’ eindigt met:

 

‘Je glipt/ door de spijlen van klank die je opricht,

geduldig, heilzaam de noten herhalend.’

 

Hoe ziet u die ‘kooi van klank’? ,,Het is een beeld waar je helemaal in kan gaan. Van alle kanten ben je door muziek omgeven. Ik heb altijd muziek in mijn hoofd. Dat heb ik eigenlijk altijd gehad. Volgens mij had Margit dat ook. We hadden het daar met elkaar wel eens over.” Notenbalken en pianotoetsen sieren het omslag van de bundel. ,,De notenbalk is ook een soort traliewerk, net als het klavier van de piano.”

 

,,Er zijn veel mensen die een volwassen kind verloren hebben. Je staat ervan te kijken hoeveel mensen dit overkomen is. En hoe weinig erover gesproken wordt. Omdat het ook zo moeilijk is om erover te praten.”

 

In ‘Koor’ schrijft ze over haar lotgenoten, over dat ‘veelkoppig koor’ van ‘schreeuwers, zwijgers, mompelaars’, die in hetzelfde schuitje zitten: ‘Ze zijn met velen, zijn alleen.’ ,,Ik zag al die mensen voor me. Een heel groot koor. Ik dacht: we zitten allemaal met hetzelfde. Maar iedereen zingt zijn eigen lied en de dirigent kan er geen chocola van maken. Maar het is fijn dat dit zo doorkomt. Want er zijn veel mensen die een volwassen kind verloren hebben. Je staat ervan te kijken hoeveel mensen dit overkomen is. En hoe weinig erover gesproken wordt. Omdat het ook zo moeilijk is om erover te praten.”

Rouwverwerking is een thema in veel poëzie, onder meer in die van Enquists collega’s Hester Knibbe en Esther Jansma. Het onderwerp wordt veelal in omtrekkende bewegingen, op een omfloerste wijze, benadert. Anna Enquist kan het soms ook rauw en direct verwoorden, uit een vorm van zelfbescherming. En soms maant ze zichzelf ermee op te houden:

 

‘Geef het maar toe. Wat je schrijft

heeft geen zin. Gevoelig gezwatel,

een meisje dat zingt. Hou toch op’.

 

,,Omdat je er soms zó moe van wordt”, zegt ze daarover. ,,Ben je lekker poëzie aan het schrijven, dient dat verdriet zich weer aan. Denk ik: hou nou toch op, zeg.”

Het levert wél aangrijpende poëzie op. Is het niet tegenstrijdig en wrang dat zo’n groot verlies voor u tegelijk een onuitputtelijke bron van inspiratie is? ,,Dat is beslist zo. Je krijgt er soms zo genoeg van. Daarom vond ik het schrijven van de roman ‘De verdovers’ zo heerlijk. Dat was een soort opdracht, het ging over iets heel anders. Er is geen boek waar ik met zoveel plezier aan geschreven heb. Ergens voelde ik me ook wel weer schuldig omdat je op die manier een onderwerp omzeilt dat je het meeste bezighoudt. Maar bij deze gedichten was het inderdaad dat ik dacht: o, moet dat nou wéér? Maar ja, er is niet aan te ontkomen. Het zij zo. Je krijgt altijd wel mooie reacties van lezers, hoor. Ouders die hetzelfde is overkomen, die het fijn vinden dat het op papier staat, ergens.” Die vinden steun en troost bij uw gedichten? ,,Ja, die beleven daar iets aan. Daar moet ik ook alleen maar dankbaar voor zijn.”

 

‘Nee, het helpt niet. Daar ben ik ook niet op uit. Het is je onderwerp geworden. Het zit overal in.’

 

U heeft er intussen veel over geschreven. Helpt dat? ,,Nee. Daar ben ik ook niet op uit. Het is je onderwerp geworden. Het zit overal in. Met proza kun je er meer omheen. Dan heb je er meer controle over. Hoe meer je voor een vorm kiest waarin je afhankelijk bent van associaties des te groter de kans dat je eigen thema naar boven komt.”

Het gedicht ‘Foto’ eindigt met een scherp beeld van de dochter aan zee, kort voordat ze verongelukte. ,,We kregen de foto achteraf onder ogen. Ja, je kunt het allemaal in woorden vangen, in prachtige assonanten en rijmen. Maar het gaat toch om het rauwe van zo’n beeld: op dat moment was ze er nog. En een week later niet meer.”

 

‘Zij ontvouwde de jonge boom van haar longen,

perste lucht langs de verse stembanden.’

(Uit: ‘Stem’)

 

,,Toen ik aan ‘Een kooi van klank’ werkte, hadden we net een kleinzoon gekregen. Ons eerste kleinkind. Hij was nauwelijks een half jaar toen hij erachterkwam dat hij zelf geluid kon maken. Het is zoiets prachtigs, dat pure geluid dat uit zo’n keeltje komt. Daar was ik enorm van onder de indruk. Ik herinnerde me toen ook weer hoe dat bij mijn eigen kinderen was.”

In het slotgedicht ‘Tamboer’ keert de kleinzoon terug. Het ‘verlokt ons tot een nieuw lied, zadelt ons op met de laatste vreugde voor de eindstreep.’ ,,Je voelt je enigszins bezwaard, maar het leven gaat verder. We worden ermee opgezadeld. Dat is hoe het voelt. Heerlijk. Maar het is ook iedere keer heel verdrietig.”

 

‘Sommige critici vonden het blijkbaar nodig

om die mevrouw even op haar plaats te zetten.’

 

Anna Enquist debuteerde in 1991 als dichter met ‘Soldatenliederen’. Haar poëzie is steeds wisselend ontvangen. ,,In het begin was er alleen maar lofprijzing hoor. Na de derde bundel begon het grimmig te worden. Toen had ik ook een roman gepubliceerd. ‘Het meesterstuk’. Vonden sommige critici het blijkbaar nodig om die mevrouw even op haar plaats te zetten.” Ze lacht stilletjes.

De negatieve tendens sloeg daarna weer om. ,,De laatste romans hebben allemaal wel goede kritieken gekregen. Bij de dichtbundels is het wisselend. Of ze vinden het schitterend of ze vinden het helemaal niks. Het is altijd zo extreem geweest. Toen ik begon was het hele poëzielandschap in Nederland anders. Toen domineerde de academische poëzie. Verder had je niet zoveel. Toen kwamen de begrijpelijke gedichten die ergens over gingen. Dat was het begin. Nu wordt er zoveel verschillende poëzie geschreven en is het landschap veel rijker geworden.”

 

Januari, 2013

 

Foto

 

Geef het maar toe. Wat je schrijft

heeft geen zin. Gevoelig gezwatel,

een meisje dat zingt. Hou toch op,

 

stomp jezelf in je rug. Wees oprecht

tegen lezers. Liever dan dikke woorden

een kille inspectie. Kijk, deze foto:

 

leeg strand bij avond. Jonge vrouw,

achterkant. Haar hemd heeft de kleur

van de zee. Zand op haar schouders,

 

zout haar in een knot op haar kruin,

bleek licht rond haar lichaam. Stil.

Zij heeft nog een week.

 

Anna Enquist

 

Uit: ‘Een kooi van klank’.

 

Pavane

 

Canon, sonate, koraal. Je bouwt

van geluid een vertrouwde woning;

de sarabande je hartslag, je adem.

 

De pavane past je als huid, het requiem

vormt een harmonisch tapijt. Geen huis

hechter, geen steviger bouwsel van tijd.

 

Ook zij had met muziek haar wanden

behangen. Werd ze op straat, tussen

herrie en stank, door liedjes gewiegd?

 

Pergolesi en Prince. Op de zachte

matras van de stenen verging ze,

veilig en warm, in een kooi van klank.

 

Anna Enquist

 

Uit: ‘Een kooi van klank’.

UA-37394075-1