Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Arjan Visser: ‘Het wordt allemaal nog veel erger’

Met zijn roman ‘De laatste dagen’ uit 2003, over godsdienstwaanzin in de polder, schreef de auteur en journalist Arjan Visser (1961) een van de beste debuten in het eerste decennium van deze eeuw. Lof en prijzen vielen hem ten deel. Drie jaar later verscheen Vissers tweede roman ‘Hemelval’, over de ondergang van een duivenmelker en zijn ‘gekooide’ vrouw. ,,Ik heb het gevoel dat ik nu naakt de arena ben ingestuurd en sta te wachten totdat iedereen klaar is met roepen wat hij van me vindt.”

 

Arjan Visser, die als journalist bekendheid geniet dankzij zijn interviewserie ‘De tien geboden’ in dagblad Trouw, ervaart nu aan den lijve hoe het is om na een overrompelend debuut met een verdeelde ontvangst van zijn tweede roman te worden geconfronteerd. De reacties variëren van afwijzend tot prijzend. De verwachtingen waren dan ook extreem hooggespannen. ,,Mijn eerste boek werd ontzettend goed ontvangen”, reageert de schrijver bedachtzaam. ,,Je weet dan dat je met je tweede boek een risico loopt. Het vervelende is dat ik bij ‘Hemelval’ nu voortdurend het gevoel heb dat ik mezelf moet verdedigen. Het is zaak om daarbij als schrijver overeind te blijven. Of je wilt of niet, je trekt de dingen die over je geschreven of gezegd worden toch aan.”

 

,,Ik wist niet wat me overkwam, maar na vier, vijf goede recensies werd het bijna als vanzelfsprekend.”

 

Hoe heeft hij dat overweldigende succes van zijn droomdebuut ervaren? ,,Ik wist niet wat me overkwam, maar na vier, vijf goede recensies werd het bijna als vanzelfsprekend. Dat klinkt misschien raar, ik was er erg verguld mee, maar het blokkeerde enigszins mijn zicht op het boek zelf. Vervolgens was ik ontzettend blij dat ik werd genomineerd voor de Ako Literatuurprijs. Ik zat in een soort roes. Ik werd er ook wel een beetje gek van, dat ik op het schoolplein kwam om mijn kinderen te halen en iedereen Ako! Ako! Ako! begon te roepen. Ik kon dat woord op den duur niet meer horen. Ik wilde liever schrijven en dit had niks met schrijven te maken.”

Nachtwerk

Toen de storm ging liggen, ontving hij de Geertjan Lubberhuizenprijs 2003 en de Anton Wachterprijs 2004 (voor het beste debuut). ,,Wat ik kan krijgen heb ik gehad, maar ik was blij dat ik eindelijk aan iets nieuws kon beginnen.” Ondanks het succes bleef hij een schrijver in de luwte. Betekent dit dat hij zijn tweede boek in betrekkelijke rust heeft kunnen schrijven? ,,Nee, zeker niet. Ik heb een vrouw, drie kinderen en een baan als (freelance) journalist. Er is de dagelijkse druk om de kost verdienen. Ik nam wel eens een weekje vrij om te schrijven, maar langer kon ik me niet veroorloven, dan werd het nachtwerk.”

 

,,Ik wilde geen excentrieke personages, geen karikaturen, maar mensen die naar de Chinees gaan en babi pangang bestellen.”

 

 

De oogst van dat werk werd ‘Hemelval’, een hecht gecomponeerde roman die sober inzet met de saaie Lode Bast, wiens tirannieke vader zelfmoord pleegt. Hij komt in de ban van de duivensport, groeit uit tot succesvol duivenmelker en werkt bij een verzekeringskantoor. Het verhaal krijgt vleugels als hij zijn latere vrouw Geesje ontmoet, een caissière in de supermarkt. Dan volgt de onherroepelijke val van Bast en neemt Geesje de teugels over. Zij komt in haar spirituele zoektocht en hang naar hartstocht in de greep van de kwaadaardige ‘genezer’ Zilversmid.

Visser: ,,Ik wilde zo’n gewoon mogelijk verhaal vertellen, zonder opsmuk, over gewone mensen. Mijn veldonderzoek richtte zich op, zeg maar, ‘Dirk van den Broek’. Ik wilde geen excentrieke personages, geen karikaturen, maar mensen die naar de Chinees gaan en babi pangang bestellen.”

Schuld en boete

In zijn debuut ‘De laatste dagen’, dat rond 1900 speelt in een afgelegen oer-Hollandse streek, doet zich een ernstig geval van godsdienstwaanzin voor, met moord- en doodslag tot gevolg. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, want ook in ‘Hemelval’ weet Visser de lezer deelgenoot te maken van de worstelingen van zijn personages met de liefde, seksualiteit, isolement, met God en het geloof, wraak, schuld en boete. ,,Ik had me voorgenomen om afstand te nemen van dat godsdienstige thema omdat ik niet in die hoek wil worden gestopt. Vanwege mijn Trouw-serie zit ik daar sowieso al in. Ik word om de haverklap voor kwesties met een theologische inslag benaderd, maar ik ben geen deskundige. Over die thematiek heb ik in mijn eerste boek gefantaseerd, dus was het spannend om het in ‘Hemelval’ anders te doen. Maar het is er gaandeweg toch weer ingeslopen. Ik had het gevoel dat Lode boete moest doen, dus laat ik hem met de bus naar Lourdes en het nabijgelegen Rocamadour reizen, waar hij uiteindelijk strandt.”

 

,,Hoe dieper je iemand onderwater drukt des te harder probeert hij boven water te komen.”

 

,,Iemand zei: in je tweede boek zit opnieuw een valse profeet. Maar Zilversmid had ik niet zo bedoeld. Peregrino, de valse profeet in ‘De laatste dagen’, is een charlatan. Zilversmid is een oudere man die ‘het weet’, al weet ik niet of Geesje echt in hem gelooft. Zij heeft een strenge opvoeding gehad. Dat heb ikzelf helemaal niet gehad, maar dergelijk materiaal is erg bruikbaar. Ik kan me voorstellen dat je vanuit een soort onderdrukking tot bepaalde uitspattingen komt of daar gevoelig voor bent. Hoe dieper je iemand onderwater drukt des te harder probeert hij boven water te komen.”

Tevreden

Is de moraal van ‘Hemelval’ niet dat je tevreden moet zijn met wat je hebt? ,,Ja. Tegelijkertijd is dat een onmogelijke en onterechte eis. Waarom zouden deze mensen tevreden moeten zijn met wat ze hebben? Ze hebben niet zoveel. Ik vind het terecht dat Geesje eropuit trekt. Ze heeft zichzelf gekooid en wil daaruit breken, maar ik ben bang dat het niet kan. Dat je uiteindelijk toch genoegen moet nemen met wat je hebt. En dat je daarin je geluk moet proberen te vinden.”

Het boek speelt in de jaren zeventig, tachtig, in een periode waarin de godsdienstbeleving in Nederland afnam. Inmiddels is de aandacht voor religie helemaal terug en sluiten Vissers boeken min of meer aan op de ‘tijdgeest’.

 

,,Ik denk dat je beter gelooft als je bij elkaar bent dan dat je alleen op je zolder zit.”

 

,,Er is inderdaad een opleving, maar die uit zich niet in kerkgang. Je kunt kerkgang en geloof wel los van elkaar zien, maar voor mij zijn die toch met elkaar verbonden. Ik denk dat je beter gelooft als je bij elkaar bent dan dat je alleen op je zolder zit. Ik kom uit Werkendam, uit een groot, gereformeerd gezin van zes kinderen, waarvan ik de derde ben. Opgegroeid in overwegend katholiek Brabant. Ik besef dat ik uit een gemeenschap kom waarnaar ik nooit meer terug kan. Daar zit een soort weemoed in. Het is iets wat mijn twee hoofdpersonen in extreme mate hebben. Vooral Lode verlangt terug naar huis zonder te weten waar thuis is.”

Paradijs

De schrijver is dus net als zijn hoofdpersonen uit het paradijs gestoten en verlangt daar op de een of andere manier steeds naar terug? ,,Ja, dat heb ik ook wel, maar niet zo sterk. Het is misschien meer een verlangen naar de zorgeloze kindertijd, naar de tijd waarin alles nog goed was en alles nog mogelijk was. Een van de kernzinnen in het boek is de opmerking van de vader tegen de zoon: ,,Bewaar je tranen maar voor later, het wordt allemaal nog veel erger.” Die zin is van mijn eigen vader. Ik weet niet meer waar het over ging, het was heel onbenullig, althans in volwassen ogen, maar ik dacht wel: als dat zo is, dan wordt mijn leven een hel.”

 

,,Ik ben een keer weggelopen, maar toen het ging regenen kreeg ik spijt. Ik belde naar huis, waar ik niet eens werd gemist.”

 

Had hij een zorgeloze jeugd? ,,Ja. Mijn vader ondernam van alles. We gingen zes weken op vakantie naar Spanje. Dan kocht ie een busje, propte ons er allemaal in. Ik had ook een rijke fantasie. Ik ben een keer weggelopen, maar toen het ging regenen kreeg ik spijt. Ik belde naar huis, waar ik niet eens werd gemist. Mijn moeder had mijn briefje nog niet gevonden. Ze zei: ,,Nou jongen, kom dan maar weer terug.” En zo fietste ik naar huis. Ik wilde heel graag grote, spannende avonturen beleven. Ik denk dat het schrijven daar ook vandaan komt. Dat als het in het echt niet kan, ik het wel kan verzinnen.”

Pinguïns

In ‘Hemelval’ wordt uitputtend over duiven(melkers) geschreven. Is hij zelf een liefhebber? ,,Nee, maar ik heb wel zo’n zestig boeken en veel dvd’s over duivenmelkers geraadpleegd. Ik moest zelf een beetje een duivenmelker worden. Om geloofwaardig te zijn vind ik dat niet meer dan normaal. Ik heb een duivenmelker gevraagd om op duiftechnisch vlak mee te lezen. Eén keer heb ik een landelijke wedstrijd bijgewoond. De duivenmelkers stonden allemaal als een soort pinguïns op een weiland naast een tent te wachten tot de eerste duif uit Parijs arriveerde. Toen de duif kwam, ontstond er een groot geroezemoes en zag je de vogel op een groot beeldscherm aankomen. Fascinerend om vierhonderd volwassen mannen zo te zien, haast meditatief. En zoals die mannen met hun beesten omgaan! Al is die liefde voor zo’n dier paradoxaal. Ze aaien en stoeien met ze, en tegelijkertijd, als ze niet hard genoeg hebben gevlogen, krijgen ze een lang nekje en belanden ze – hup – in de vuilnisbak.”

 

Arjan Visser: ‘Hemelval’, roman, 240 blz., uitgeverij Augustus.

 

Maart, 2006

UA-37394075-1