Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Arnon Grunberg: arrogante pestkop of aardige vent

Voor de een is hij een arrogante pestkop, voor de ander een aardige vent zonder kapsones. Maar wie zijn bezwaren tegen de persoon opzij zet, moet erkennen dat Arnon Grunberg een uitzonderlijk schrijver is.

Voor zijn gehele oeuvre kreeg hij in 2010 de Constantijn Huygens Prijs, die geldt als de opmaat naar ’s lands hoogste literaire onderscheiding, de P.C.Hooftprijs. En dat is geen geringe prestatie voor zo’n nog betrekkelijk jonge schrijver. Het is dan ook hard gegaan met Arnon Yasha Yves Grünberg (1971, Amsterdam). Weliswaar verliep zijn middelbare schooltijd moeizaam en faalde hij in zijn acteurambities, hij vond als schrijver meteen zijn draai. Hij debuteerde op zijn 23ste met de roman ‘Blauwe maandagen’ en is sindsdien eigenlijk niet meer uit de publiciteit weggeweest.

Over succes en prijzen had hij al niet te klagen, maar zijn roman ‘Tirza’ (2007) slaat alles wat hij tot dusver gepubliceerd heeft. Het boek over de verstikkende liefde van een vader voor zijn dochter, heeft al meer dan 300.000 exemplaren verkocht, ontving de Vlaamse Gouden Uil en de Libris literatuurprijs, en bewerkingen van de roman waren zowel op het toneel als in de bioscoop te zien.

 

Een schuwe aandachttrekker

 

Arnon Grunberg is in alles een schrijver van zijn tijd. Hij wekt de indruk een mensenschuwe figuur te zijn, maar als geen ander weet hij de media naar zijn hand te zetten. De tengere Grunberg met zijn ruige krullenkop is weliswaar een eenling, een ongenaakbare figuur, maar beslist geen kluizenaar. Hij is geen schrijver die vanuit zijn New Yorkse appartement de wereld beschouwt. Hij trekt er zelf op uit. Hij begeeft zich onder de Nederlandse soldaten in Uruzgan, werkt als kamerjongen in Duitse hotels en logeert bij bewoners van een Vinex-wijk. Grunberg reist onafgebroken de wereld rond, lijkt het. Per vliegtuig of trein, steevast met een laptop bij de hand.

Hij laat geregeld blijken dat hij van de huidige generatie schrijvers geen hoge pet op heeft. Al moeten we zijn plaagstoten ook weer niet al te ernstig nemen, want Grunberg de gemankeerde acteur speelt graag een spel waarvan hij zelf de regels bepaalt en waarin hij zelf zowel de hoofdrol als de poppenspeler speelt. Verwantschap voelt hij met Willem Frederik Hermans, met wie hij een weinig opwekkend wereldbeeld deelt. ,,Maar ik ben geen nihilist,’’ zegt hij, ,,want dan zou ik geen boeken schrijven. Dat kun je toch alleen doen als je nog een zekere hoop koestert.’’

 

Inspiratiebron van jonge schrijvers

 

Grunberg maakt vrienden maar nog gemakkelijker vijanden. Hij schept er met zijn scherpe pen een vilein behagen in om wie en wat hem niet bevalt te kapittelen of te schofferen. Op het literaire prijzencircus heeft hij het niet zo gezien. Daar laat hij dikwijls verstek gaan.

Hij inspireert veel jonge schrijvers – aan epigonen geen gebrek – en kan bogen op een grote schare bewonderaars. Hij zorgt nu en dan voor een relletje en haalt het bloed onder de nagels van collega’s vandaan. Zelfs de eigengereide Vlaming Herman Brusselmans heeft moeite met het hautaine gedrag van zijn collega.

Dat is verbazend omdat degenen die hem van nabij kennen, onder wie medewerkers van zijn uitgeverij(en), hun ‘razend intelligente’ paradepaardje juist prettig gezelschap vinden. Ook in de media zijn de meningen verdeeld. Sommigen kunnen hem niet luchten of zien, anderen ervaren hem als een aardige vent zonder kapsones.

 

Een eigen muziekje

 

De buitengewoon productieve Grunberg publiceerde sinds 1994 meer dan dertig titels, waaronder romans, novellen, beschouwingen, verhalen, toneel, poëzie en reportages. Elk nieuw boek levert stof tot discussie op, hoewel het rond zijn dikke en matig ontvangen roman ‘Onze oom’ relatief rustig bleef. Zijn artistiek meest geslaagde werk publiceerde hij onder de schuilnaam Marek van der Jagt. En dat deze romans – ‘De geschiedenis van mijn kaalheid’ en ‘Gstaad 95-98’ – aanmerkelijk slechter verkochten dan die hij liet verschijnen onder zijn eigen naam, had te maken met dat pseudoniem en met de gitzwarte, veelal bizarre inhoud.

Van de typische Grunberg-slapstick uit de beginperiode is in de laatste romans niet veel meer over. Daardoor is de balans soms zoek, overheerst het donkere wereldbeeld en krijgt de lezer minder de gelegenheid om op adem te komen. Het eigen muziekje, de karakteristieke Grunberg-toon, is gelukkig gebleven. En een eigen muziekje, zei de grote Franse auteur Louis-Ferdinand Céline al, is een voorwaarde om een écht groot schrijver te worden.

 

Maart, 2010

 

UA-37394075-1