Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Arnon Grunberg en Een tragische man in een wit nachthemd

Je kon de afgelopen weken geen krant of tijdschrift openslaan of je kwam Arnon Grunberg (1971) tegen. Hij heeft een nieuwe roman geschreven, ‘De asielzoeker’, en die moet aan de man gebracht. Is al die aandacht gerechtvaardigd?

 

Grunberg is een opvallende verschijning in de Nederlandse letteren. Hij is als schrijver, essayist en columnist nadrukkelijk aanwezig in de lage landen, ook al woont hij al jaren in New York. Hij is veelzijdig en buitengewoon productief. Hij publiceerde negen boeken onder zijn eigen naam en drie onder het pseudoniem Marek van der Jagt. Hij staat te boek als een enfant terrible, een even briljante als irritante pestkop die er behagen in schept om iedereen die hem niet bevalt te schofferen of te hekelen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat hij W.F.Hermans bewondert. Grunberg deelt diens (nihilistische) levensovertuiging en zwarte wereldbeeld en dat laat in zijn werk zijn sporen na. In dat sadistisch universum zijn Grunbergs personages afwijkende, tragische figuren die aan de rafelrand van de samenleving – veelal vergeefs – op zoek zijn naar een beetje warmte, geborgenheid, liefde en houvast. De schrijver licht met vilein genoegen hun duistere kanten op. Hij houdt van uitersten, hij schakelt met achteloos gemak van verhevenheid naar banaliteit. En ook van effectbejag is hij niet vies.

 

Beck is een eenzaam, illusieloos mens die alle jeu uit zijn leven heeft gebannen.

 

‘De asielzoeker’ is daar een perfecte illustratie van. Hoofdpersoon is de uit Amsterdam afkomstige Christian Beck, die eerst in het Israëlische Eilat woont, daarna in het Duitse Göttingen. Hij woont ongehuwd samen met een vrouw, een wetenschapper, die hij liefkozend ‘de vogel’ noemt. Ooit was hij een montere kerel, hij was een blauwe maandag schrijver, onder meer van het verhaal ‘De kinderen van Yab Yum’ dat in het boek aan het slot een opmerkelijke rol speelt. Nu is hij een eenzaam, illusieloos mens die alle jeu uit zijn leven heeft gebannen en zich heeft teruggetrokken in zijn eigen (waan)wereld,waarin liefde handel is en geluk niet bestaat, alleen lijden.

 

Hij werkt op een dodelijk saai bureau waar hij gebruiksaanwijzingen vertaalt en een vrijwel anoniem bestaan leidt. Als ‘zijn vrouw’ ongeneeslijk ziek is, trouwt zij met de uitgeprocedeerde Algerijnse asielzoeker Raf. Deze veel jongere en aantrekkelijke jongeman werkt als katalysator tussen Beck en zijn vriendin. Als zij overlijdt valt Beck in een zwart gat.

Krochten

Grunberg komt in ‘De asielzoeker’ langzaam op stoom, maar als hij de juiste toon voor zijn Beck en diens ‘vogel’ te pakken heeft, sleept hij je 350 bladzijden mee door de krochten van de geest van een zonderlinge figuur die in zijn tragiek iets komisch en aandoenlijks heeft. Maar de slapstickachtige scènes, waarin hij in vorige boeken grossierde, ontbreken hier vrijwel geheel. En waren boeken als ‘Blauwe maandagen’ en ‘De geschiedenis van mijn kaalheid’ nu en dan om te schateren zo leuk, in deze zwarte komedie gaat het er veel treuriger en serieuzer aan toe.

 

Dit boek is verwanter aan Grunbergs recentere werk, zoals ‘De mensheid zij geprezen’, Grunbergs gitzwarte en mislukte pendant op Erasmus’ ‘Lof der zotheid’, en ‘Gstaad 95-98’, dat naargeestige, beklemmende meesterwerk over een hypergevoelige jongen die emotioneel zo beschadigd is dat hij goed denkt te doen met het kwade.


Toch kan Grunberg het ook in deze roman – die in de derde persoon is geschreven, wat in dit geval een lichtelijk lome verteltrant oplevert – niet laten om hier en daar een flauwiteit of meligheid in te lassen. Maar sterk is hij weer in de dialogen en trefzeker in de gortdroge, komische terzijdes. Het boek staat vol mooie zinnen en verfrissende vergelijkingen, die je net even anders tegen het alledaagse laten aankijken. Met typische Grunberg-observaties als:

 

‘De mensen in deze wachtkamer zijn minder mooi dan in die van de gynaecoloog, minder levendig ook, zieker, alsof je hier al een stap dichter bij de dood bent.’


‘De asielzoeker’ is geen meesterwerk, maar bevat wel meesterlijke scènes, zoals die in een bordeel in Eilat en in een schuilkelder. Het boek is op onderdelen ijzersterk, maar in zijn geheel niet altijd overtuigend. Daarvoor zijn er te veel herhalingen en bedient Grunberg zich soms te doorzichtig van trucjes en maniertjes.

 

‘De asielzoeker’, dat soms doet denken aan ‘Platform’ van de Franse aartskankeraar Michel Houellebecq, is een somber maar uiteindelijk ook ontroerend boek. Want je hebt toch te doen met die gekke Beck, van wie we afscheid nemen als hij in de stromende regen op een bankje in het park zit, in het witte nachthemd van zijn gestorven vriendin.

Arnon Grunberg ‘De asielzoeker’, 352 blz, uitgeverij Nijgh & Van Ditmar.

 

Oktober, 2004

UA-37394075-1