Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Arthur Japin en de grote wereld van kleine mensen

Het boekenweekgeschenk van 2006, ‘De grote wereld’ van Arthur Japin (Haarlem, 1956), verscheen in de 71e Boekenweek in een recordoplage van 813.000 exemplaren. Dat was niet verbazend, want Japin groeide in betrekkelijk korte tijd uit tot een populair en geliefd schrijver bij een breed publiek. Veel van zijn lezers zullen ongetwijfeld ook ‘De grote wereld’ over kleine mensen koesteren.

 

Arthur Japin heeft een fijne neus voor bijzondere verhalen, die hij op aansprekende wijze weet over te brengen. Dat bewees hij al met zijn romandebuut ‘De zwarte met het witte hart’ (1997), een boek dat wereldwijd succes boekte. In deze historische roman, waarvoor hij ruim tien jaar onderzoek deed in onder andere Afrika en Indonesië, vertelt hij het levensverhaal van de twee Afrikaanse prinsjes Kwasi en Kwame die als Hollanders werden opgevoed in het 19e-eeuwse Nederland (,,Kleur heb je nooit zelf, kleur krijg je door anderen”).

In 2003 verscheen ‘Een schitterend gebrek’, opnieuw een historische roman, waarvoor hij te rade ging bij de memoires van de onweerstaanbare charmeur Giacomo Casanova. Japin lichtte een ‘onbeduidend detail’ uit diens fascinerende levensverhaal. Hij maakte daar een liefdesavontuur van, waarin de rokkenjager Casanova door zijn geliefde Lucia in de steek wordt gelaten, naar later blijkt vanwege de pokken die haar gezicht ernstig hebben geschonden.

 

In zijn nawoord wijst Japin er op dat het met de dwergen in nazi-Duitsland lang niet altijd slecht afliep, ,,juist omdat zij als kleine mensen optraden, een fenomeen waarvoor Mengele een morbide fascinatie had ontwikkeld”.

 

Voor het boekenweekgeschenk stak Japin opnieuw zijn licht op bij de geschiedenis. Deze keer stuitte hij bij het leegruimen van zijn ouderlijk huis bij toeval op een bijkans nóg wonderlijker verhaal. Drie briefkaarten uit Märchenstadt Lilliput brachten hem op het spoor van dwergdorpen die kort voor de Tweede Wereldoorlog als bezienswaardigheid door Europa trokken. Zo’n zeventig impresario’s leefden indertijd van de handel in kleine mensen die tot vermaak dienden van het grote publiek. De ene dwerg deed dit uit vrije wil, de ander was door zijn ouders voor dit doel verkocht.

De bekendste miniatuurstadjes waren Dreamland en Lilliputia, op dwergschaal gebouwd naar het voorbeeld van het vijftiende-eeuwse Neurenberg. Het schijnt dat zo’n kunstmatig stadje in de buurt van Frankfurt na 1980 nog talrijke bezoekers heeft getrokken. In zijn nawoord wijst Japin er op dat het met de dwergen in nazi-Duitsland lang niet altijd slecht afliep, ,,juist omdat zij als kleine mensen optraden, een fenomeen waarvoor Mengele een morbide fascinatie had ontwikkeld”.

 

,,’Klein zijn is geen kunst,’ houdt hij vol. ‘Zeker niet voor iemand die niet groot is’.”

 

Arthur Japin ontleende zijn verhaal weliswaar aan de ‘werkelijkheid’, de meeste van zijn personages zijn verzonnen. Zijn hoofdpersonen heten Lemmy en Rosa. Als de lilliputterstad van deze kleine mensen door de nazi’s wordt gesloten, begint er een nieuwe fase van hun leven. Rosa sluit zich vanwege hun eigen veiligheid aan bij een Brits revuegezelschap. Lemmy, door ervaring wijs geworden, ziet er steeds meer tegenop om als vermaak te dienen: ,,’Klein zijn is geen kunst,’ houdt hij vol. ‘Zeker niet voor iemand die niet groot is’.”

Het zijn vooral de dilemma’s waar Lemmy voor komt te staan waar Japin zijn verhaal omheen bouwt. Tot hoever kan een mens gaan om zichzelf ter lering en vermaak van anderen te laten exploiteren? Wat blijft er dan over van je eigenwaarde? Gaandeweg breekt Lemmy de façade af waarin hij, zijn ouders en andere dwergen geleefd hebben. Hij denkt aan zijn doldrieste leven als attractie in het New Yorkse pretpark Coney Island, bezint zich op zijn toekomst met zijn geliefde Rosa. Hij weet zich tegelijkertijd geconfronteerd met de keiharde werkelijkheid van de oorlog, met de nazi’s en hun misdadige plannen met eenieder die anders is.

 

De grote wereld spiegelt zich in de kleine en omgekeerd.

 

Japin waakt ervoor dat de lezer zich in ‘De grote wereld’ kan vergapen aan ‘freaks’. Hij gaat niet op zijn hurken zitten. Hij beschrijft de ‘innerlijke wereld’ van de dwergen met veel inlevingsvermogen en met verbluffend oog voor detail, zodat je moeiteloos meevoelt met de personages. De grote wereld spiegelt zich in de kleine en omgekeerd.

Japin is een vakman die elegante en soepele zinnen schrijft en mooie scènes opbouwt: ‘Elke ochtend stond hij tot zijn enkels in aangekoekte zakdoeken, etensresten en oud papier, want meer bleef er van alle vreugde na sluitingstijd niet over. Hij ploegde erdoorheen en schopte de proppen omhoog, zoals kinderen in de echte wereld door herfstbladeren trappen, uit alle macht, want soms was het net alsof ertussen het rondritselende vuil nog ergens een lach van de vorige avond roezemoesde. Die troosteloosheid en het feestgedruis waren hem even dierbaar omdat ze bij elkaar hoorden.’

 

Nergens schrijnt het verhaal écht, nergens is het verontrustend.

 

Van stilistische krullendraaierij, waarmee Japin in zijn vorige boeken nog wel eens op het randje van kitsch balanceerde, is in ‘De grote wereld’ nauwelijks sprake. Dit boekenweekgeschenk is duidelijk geschreven met een groot publiek in het achterhoofd, zodat Japins opdrachtgever, de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB), tevreden kan zijn. Niemand zal aanstoot namen aan ‘De grote wereld’.

Nergens schrijnt het verhaal écht, nergens is het verontrustend. Helaas heeft Japin soms de neiging om zich te verliezen in al te lang uitgesponnen bespiegelingen, waardoor de spanning geregeld wegvalt. Dat verwacht je niet bij de schrijver van meeslepende boeken als ‘De zwarte met het witte hart’ en ‘Een schitterend gebrek’.

 

Maart, 2006

UA-37394075-1