Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Aya Zikken – Altijd een Indisch meisje

Aya Zikken (1919-2013) behoorde met Hella S. Haasse, Margaretha Ferguson en Helga Ruebsamen tot de laatste generatie auteurs met een Nederlands-Indisch verleden. De schrijfster werd vooral bekend door de roman ‘De atlasvlinder’, die tot de beste boeken uit de ‘Indische bellettrie’ gerekend wordt.

,,Als ik te lang op een plek woon, denk ik: het wordt tijd te gaan.”

 

Aya Zikken was een schrijfster met een lange staat van dienst. Ze publiceerde meer dan dertig romans en verhalenbundels. In 1997 werd haar oeuvre bekroond met de Anna Bijns Prijs, die de vrouwelijke stem in de Nederlandstalige literatuur eert. De schrijfster, die zowel in de Oost als in Nederland vaak van adres wisselde, woonde de laatste jaren diep in het Drentse landschap. ,,Als ik te lang op een plek woon, denk ik: het wordt tijd te gaan. Dat is het Indische aan me.”

Aya Zikken werd op 21 september 1919 geboren in het Gelderse Epe. Ze was de oudste van drie dochters. Toen ze zes was, vertrok het gezin naar Nederlands-Indië, waar haar vader gouvernementsambtenaar werd. Ze woonden om de paar jaar ergens anders op Java of Sumatra. Die jaren waren van onschatbaar belang voor haar schrijverschap. Ze bezocht in Batavia dezelfde school als Margaretha Ferguson en Hella S. Haasse, met wie ze op het Bataviaans Lyceum het Elcee, een literaire club, vormde. Ze woonde er tot haar twintigste. Terug in Nederland kon ze door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog haar studie kunstgeschiedenis niet afmaken en voorzag ze in haar levensonderhoud met baantjes in een hotel, in een fabriek, bij een schoonheidsinstituut en de ANWB. Ze trouwde met Frans Postema, die in 1973 overleed, en had twee dochters.

 

,,Buurman Gerard Reve zette regelmatig een fles wijn voor mijn deur en sjouwde altijd voor mij het vuilnisvat naar beneden, een heel steil trapje af.”

 

Op haar vierendertigste schreef ze ‘als een soort protest’ tegen het keurslijf van het huisvrouwenbestaan in een vlaag van creativiteit haar debuut, de novelle ‘Het godsgeschenk onbegrepen’. Het werd meteen gepubliceerd en ze had de smaak te pakken. In 1958 verscheen ‘De atlasvlinder’, dat een succes werd en een hoogtepunt is in haar oeuvre. De kleine roman speelt in het voormalige Nederlands-Indië en vertelt over het pubermeisje Gembyr en een onderwijzeres wier komst in een kleine gemeenschap alles op zijn kop zet.

Zikkens boeken die in de voormalige kolonie spelen, onderscheiden zich door mooie sfeertekeningen en een laconieke toon waarin het Indië van vroeger dichtbij komt. In de roman ‘Gisteren gaat niet voorbij’ (1974) is ‘tempo doeloe’ het thema, over mensen die in de goede oude Indische tijd leven die alleen nog in herinneringen en verhalen bestaat. Het was haar centrale thema: in verhalen de verloren tijd terughalen. Andere terugkerende thema’s zijn de tegenstelling tussen schijn en werkelijkheid en het verschil tussen het Oosterse mystieke en het Westerse nuchtere denken. In ‘De polong (1994)’ speelt de Oosterse mystiek een overheersende rol.

 

Aya Zikken zag ‘het zieke aapje’ Cees Nooteboom naarmate de jaren verstreken, veranderen in ’een leeuw, een soort Simba’.

 

In haar boek ’Voor het vandaag werd’ (2000) vertelt ze openhartig over zichzelf en haalt ze herinneringen op aan schrijvers die ze goed had leren kennen. Voor Aya Zikken was Hella Haasse het ’meisje uit een hogere klas’ tegen wie ze een beetje opzag. Een andere ontboezeming doet ze over de bleke jongeling Cees Nooteboom, die ze van ’het zieke aapje’ naarmate de jaren verstreken zag veranderen in ’een leeuw, een soort Simba’. Dankbaar was ze Simon Carmiggelt, die ervoor zorgde dat ze in moeilijke tijden als columniste aan de slag kon. Gerard Reve was begin jaren zestig ooit haar huisbaas in de Amsterdamse Rozendwarsstraat, al gingen de contacten met Reve en diens vriend Teigetje in het gehorige huis niet diep. ,,Gerard was eigenlijk altijd heel aardig”, zei ze in een interview. ,,Hij zette regelmatig een fles wijn voor mijn deur en sjouwde altijd voor mij het vuilnisvat naar beneden, een heel steil trapje af.” In 1962 zat ze met onder anderen Godfried Bomans in het panel van het televisieprogramma ‘Hou je aan je woord’.

 

Ze reisde met een zware koffer die steeds lichter wordt.

 

Een reis naar Israël maakte haar sterker en onafhankelijker, vertelde ze ooit. Na haar zestigste werd ze verwoed reizigster, die in haar reisboeken, die vooral in Zuidoost-Azië spelen, onvermoede kanten van zichzelf liet zien en daarin uitdrukking gaf aan ‘reizen met een zware koffer die steeds lichter wordt’, zoals ze dat in ‘De atlasvlinder’ al omschreef. Ze reisde als een ontdekkingsreiziger, ‘telkens weer vol verbazing’, om naar de verhalen van mensen te luisteren. Terug naar het land waar de bron van haar schrijversschap lag, wilde ze absoluut niet. Miste ze in Nederland het grote gebaar en de cultuur van het verhalen vertellen, in Indonesië zou ze haar privacy missen. Ze keerde alleen terug omdat ze de ervaringen van weleer wilde herbeleven: ,,Het is een verlangen naar de kindertijd.” Ze hield de buitenwereld liever op afstand, indachtig haar vader die haar voorhield zich niet te veel te hechten, want ‘dan doet het afscheid minder pijn’.

 

Maart, 2013

 

In een verkorte versie eerder gepubliceerd in de kranten van De Persdienst. 

UA-37394075-1