Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Barber van de Pol – ‘Erasmus, u bent de aantrekkelijkste schrijver’

Erasmus blijft een inspirerende figuur. Ook voor schrijvers. Arnon Grunberg schreef vorig voorjaar met ‘De mensheid zij geprezen’ een moderne versie van ‘Lof der zotheid’. De schrijver, die excelleert in autobiografisch proza, faalde echter hopeloos met zijn nihilistische variant van Erasmus’ christen-humanistische satire. Hispaniste, vertaalster en schrijfster Barber van de Pol (1944) pakt het nu heel anders aan.

 

Zij schreef in het Erasmusjaar 2001 ‘Lieve Erasmus – Verkeren met een denker’, een ode aan de grote humanist, aan haar verre ’geliefde’ die vijfhonderd jaar geleden leefde. Zij is idolaat van de verlichte geest, al is zij zeker geen blinde bewonderaarster. Haar boek bestaat deels uit essays, deels uit brieven die ze ’Lieve Erasmus’ doopte. Een titel die opdringerig en bezitterig klinkt, die argwaan wekt en wee maakt. Hij klinkt een beetje klef en riekt naar annexatie van iemand op wie al zovelen postuum beslag hebben gelegd. En soms klinkt zij in haar brieven ook wel zo, dweperig, een beetje als een bakvis op leeftijd. Maar de aanvankelijke achterdocht en gêne maken al snel plaats voor ontzag omdat ze haar geestdrift en adoratie weet te verpakken in mooi en puntig geschreven brieven die niet alléén getuigen van idolatrie, ze weet die ook feilloos over te brengen. Daardoor is haar boek geen ijdel vertoon van geleerdheid geworden. Ze leidt de lezer als een bevlogen gids door de tijd en de wereld van Erasmus. Ze probeert met zijn ogen, met haar grote kennis over hem in haar achterhoofd, naar zijn tijd en wereld te kijken, en tegelijkertijd met zijn ogen naar de onze.

 

Erasmus kraakte overál een kritische noot, ook over zijn meest geliefde plekken.

 

Barber van de Pol, veelbekroond vertaalster (‘Don Quichote’) en schrijfster van de romans ‘Er was wat met Meneer Maker & Mevrouw Maker’ en ‘Kriblijn’, reisde in het Erasmusjaar, toen Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa was, langs de plekken waar de grondlegger van het humanisme en de reformatie in Noord-Europa het langst heeft gewoond en gewerkt. Zij volgde daarbij de route van een tv-ploeg die een reeks van vijf documentaires over ’de eerste Europeaan’ maakte. Maar ze ging daarbij vooral haar eigen weg.

Erasmus (ca 1469-1536), na Rembrandt Nederlands beroemdste erflater, kwam in Rotterdam ter wereld als bastaardzoon van een priester en een zekere Margaretha. Hij stond dubbelhartig tegenover zijn geboortestad en vaderland. De Hollander – Nederland zou pas eeuwen later ontstaan – was in de ogen van Erasmus vraatzuchtig, plomp en gemeenzaam. Maar, stelt Van de Pol vergoelijkend vast, Erasmus kraakte overál een kritische noot, ook over zijn meest geliefde plekken.

 

De ‘troon’ van de vrijdenker heeft nooit gewankeld, of het moet even geweest zijn vanwege zijn omstreden vertaling van het Nieuwe Testament.

 

Vanaf 1516 was hij de beroemdste literator in de Nederlanden, hij werd gelezen en vertaald van Polen tot Portugal. De ‘troon’ van de vrijdenker heeft nooit gewankeld, of het moet even geweest zijn vanwege zijn omstreden vertaling van het Nieuwe Testament. Erasmus verkeerde in zijn tijd, toen de naties ontstonden, in de hoogste kringen. Niet omdat hij zich wilde warmen aan de macht, maar omdat hij via hen zijn ideeën kon verbreiden. Sommige vorsten vochten om zijn geschriften. Voor pausen, vorsten en kunstenaars als Dürer en Holbein was hij ‘het licht van hun tijd’. Hij wordt wel de eerste Europeaan genoemd. Europa, toen nog een lappendeken van vorstenhuizen en staatjes, was zijn ‘vaderland’.

 

Erasmus verafschuwde ‘dorheid, schoolsheid, ongericht stampen, ruwheid’.

 

Wie was Erasmus eigenlijk? Van de Pol stelt zich de jonge Erasmus voor als een ‘slimmerdje dat er het zijne van denkt en menige leraar op de zenuwen werkt’. Hij verafschuwde ‘dorheid, schoolsheid, ongericht stampen, ruwheid’. Ze vermoedt dat hij over het onderwijs en het studiehuis van nu helemaal niet zo ontevreden zou zijn.

Tegelijk was Erasmus ’onbekommerd elitair’. ‘Het volk’, schrijft Van de Pol retorisch, ’lag ongenadig onderop, is het niet?’ Erasmus schreef immers in het Latijn, waardoor zijn werk – zonder vertaling – sowieso voor de meeste landgenoten een gesloten boek bleef. Maar daardoor kon hij wel overal elders in Europa gelezen en bewonderd worden.

Volgens Van de Pol was Erasmus ‘beslist ijdeler dan ik’. Ze vermoedt dat hij in onze tijd van de fotografie almaar in de weer zou zijn geweest de knobbel in zijn neus te verbergen. Onnodig, schrijft ze dweperig, want ‘Erasmus, u bent de aantrekkelijkste schrijver die er is geweest, ik hoor dat ook van vriendinnen! Uw lippen! Uw zwarte, tere oogleden, uw vrolijke, peinzende blik!’

 

‘Wie oecumene zegt, zegt een beetje Erasmus.’

 

Volgens Van de Pol zou Erasmus in onze beeldcultuur als beroemd man voortdurend op de voet worden gevolgd. Zou het? Tegenwoordig worden, zeker door ‘het gewone volk’ waarover Erasmus soms zo laatdunkend kon zijn, ‘doeners’ – topvoetballers en -tennissers, film- en popsterren – toch veel hoger gewaardeerd/aangeslagen dan denkers?

Invloed heeft hij nog steeds. ‘In het christendom’, aldus Van de Pol, ‘is de naam van Erasmus niet vernoemd, wel die van Luther, Zwingli, Calvijn. Erasmus is veel navolgingswaardiger. Maar vernoemd of niet, de vrijzinnig Protestantse Radio Omroep, is helemaal op zijn gedachtegoed geënt. En wie oecumene zegt, zegt een beetje Erasmus.’ Bovendien, weet ze, wordt zijn voor ons vanzelfsprekende gedachtegoed door sommige denkers in de ‘verstarde moslimwereld’ nu als nieuw en springlevend ervaren.

 

Van de Pol concludeert dat Borges en Erasmus veel met elkaar gemeen hadden, hun lichtheid, hun achteloze eruditie en ongebondenheid.

 

Van de Pol breekt zich het hoofd over waardige opvolgers van Erasmus. Ze lijken dun bezaaid. Ze wikt en weegt. In Nederland komt ze niet verder dan historicus Herman Pleij en essayist Bas Heijne. Zelfs Grunberg overweegt ze even. Een hele stoet buitenlanders passeert, kandidaten genoeg, volgelingen ook, maar geen enkele overtuigt. Uiteindelijk komt ze uit op Borges, de Argentijnse schrijver van wie Van de Pol veel werk vertaalde. Van de Pol concludeert dat Borges en Erasmus veel met elkaar gemeen hadden, hun lichtheid, hun achteloze eruditie en ongebondenheid. En hun voorliefde voor Zwitserland, waar beiden stierven. Erasmus vond hier een veilig toevluchtsoord in een periode van godsdienstoorlogen, Borges dook hier onder voor de vuile oorlog van Videla.

De weinige smetjes in Van de Pols boek zijn de soms wat stroeve overgangen. In haar enthousiasme springt ze soms van de hak op de tak, is ze niet altijd even eenvoudig te volgen. Van een alinea met een bespiegeling over sneeuw (waarvoor Erasmus allergisch scheen te zijn) en thuiswerken, zitten we ineens midden in een vertaling van het ‘Enchiridium’, Erasmus’ ‘Handboek voor de Christusstrijder’.

 

Het belang van de klassieke beschaving en het humanisme, over de redelijkheid die de mens te allen tijde dient te betrachten.

 

Vrijwel tegelijk met ‘Lieve Erasmus’ verscheen een mooie nieuwe vertaling door István Bejczy van Erasmus’ ‘Het boek tegen de barbarij’. Erasmus begon aan dit ‘Liber antibarbarorum’ als negentienjarige, maar publiceerde het pas dertig jaar later, in 1520. In dit boek van dialogen tussen jonge mannen voert de dichter Battus het hoogste woord en trekt hij verbaal ten strijde tegen de geestelijken die de jeugd willen afhouden van het bestuderen van de klassieken. In ‘Het boek tegen de barbarij’ wijst Erasmus op het belang van de klassieke beschaving en het humanisme, over de redelijkheid die de mens te allen tijde dient te betrachten.

Op de laatste bladzijde van haar boek wijst Van de Pol daar nog eens fijntjes op, als de klap van de 11e september de schrijfster verlamt. Erasmus wist immers in tijden van heethoofdig patriottisme het hoofd koel te houden. Maar hij wist ook: ‘Kraaien en kraanvogels vliegen groepsgewijs, alleen de mens staat zijn soort naar het leven.’

 

Barber van de Pol: ‘Lieve Erasmus, verkeren met een denker’, 232 blz, uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam. Desiderius Erasmus: Het boek tegen de barbarij’, vertaald door István Bejczy, 174 blz, uitgeverij Sun, Nijmegen.

 

Februari, 2002

UA-37394075-1