Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Belle van Zuylen – Portret van een verlichte, kritische vrouw in citaten

Lange tijd was de schrijfster Belle van Zuylen (1740-1804) in Nederland nagenoeg onbekend, vooral omdat ze in het Frans schreef. Pas toen het echtpaar Pierre en Simone Dubois zich decennia geleden over hun heldin ontfermde, is daarin verandering gekomen.

 

Ze geldt nu als een onze grootste schrijfsters uit de achttiende eeuw. Brieven werden bijeengebracht in bloemlezingen. Het echtpaar Dubois, dat er een levenstaak van maakte om leven en werk van de door hen zo bewonderde schrijfster voor de Nederlandse lezer toegankelijk te maken, schreef de veelgeprezen en bekroonde biografie ‘Zonder vaandel’.

Er werd een film gemaakt over (een deel van) haar leven (met Will van Kralingen in een mooie rol), en er verscheen een ruime en gevarieerde keuze uit haar werk. De moeite loont ook ‘Liever struikrovers dan geregelde troepen’, een portret van de schrijfster in citaten, verzameld, chronologisch gerangschikt en becommentarieerd door, opnieuw, het echtpaar Dubois.

 

Rebels en beminnelijk was Belle van Zuylen zeker, zoals een bloemlezing van haar brieven – nog altijd kostelijke lectuur – in de titel kort en bondig samenvat. Zelfbewust en bedachtzaam was ze ook, deze Isabelle de Charrière, zoals zij sinds haar huwelijk in 1771 heette en zoals zij in het buitenland bekendstaat.

 

Belle van Zuylen was een intellectueel die als verlichte, kritische geest feilloos paste in de periode van de Verlichting en die als vrouw met haar onversaagde koppigheid en compromisloze vrijheidsdrang haar tijd vooruit was. Ze leidde een even hartstochtelijk als compromisloos leven, dat nog altijd menige vrouw ten voorbeeld strekt die wil ontsnappen aan het strakke keurslijf van haar bestaan (‘vrouwen kunnen even scherp van geest zijn als mannen’), al was ze niet altijd even geestdriftig over haar seksegenoten:

 

Vrije tijd van domme vrouwen zet sommigen aan tot liefdesavontuurtjes, anderen tot geroddel, en de verstandigsten onder hen tot dodelijke verveling’ (1797).

 

Onafhankelijk ging ze haar eigen weg, soms een moment domweg gelukkig in de (platonische) liefde, soms dodelijk eenzaam: ‘Ik leef volkomen op mezelf’, schrijft ze in 1791, ‘alles bij elkaar leef ik zoals het mij het beste past, door niets anders aan het leven verbonden dan de draden van een spinnenweb.’

 

Toen woonde de op 20 oktober 1740 op Slot Zuylen bij Utrecht geboren Belle al op een klein landgoed bij het Zwitserse Neuchâtel, waar ze bleef wonen tot haar dood in 1805. Daar tussendoor maakte de mooie, intelligente en veelzijdig begaafde auteur omzwervingen naar Parijs, Londen (waar ze de Schotse macho-jurist en latere schrijver James Boswell het hoofd op hol bracht) en Genève. In Zwitserland verbleef ze – ze was toen al een gevierd schrijfster – de langste tijd van haar leven, nadat ze in het huwelijk was getreden met Charles-Emmanuel de Charrière, een burgerlijke maar saaie Zwitserse gouverneur.

 

Tijdens dit rampzalige huwelijk, dat kinderloos bleef, verbleef ze vaak op haar buiten in Colobier, waar ze klavecimbel speelde en tuinierde. Ze trok zich terug in haar verbeelding en leefde zich uit in romances in briefvorm. En volgens sommigen waren haar ‘liefdesleven’ en haar vriendschappen nog veel hartstochtelijker en roeriger dan al bekend was.

 

Ze was een vrouw met een heldere kijk op mens en wereld, een visie die nog altijd fris aandoet en nauwelijks aan zeggingskracht heeft ingeboet: ‘Als ik dorre preutsheid, morsige en zelfzuchtige gewoonten, kilheid van hart en perverse omzichtigheid vergelijk met zwangerschap, geef ik aan zwangerschap de voorkeur,’ schreef ze begin 1792. ‘Uitzonderlijke kuisheid, die wel wat vergt, al lijkt dat niet zo, zou natuurlijk mooier zijn, maar die is zeldzaam.’

 

Het was de tijd van de vermaarde, veelal platonische verhoudingen met adellijke figuren, die prachtige, verfijnde briefwisselingen opleverden, die door beide partijen zorgvuldig werden bewaard. Beroemd is vooral de bij vlagen briljante correspondentie die ze voerde met de (later befaamde) Franse politicus en schrijver Benjamin Constant, een roodharige flamboyante jongeman.

 

Ze was ook een soort moederfiguur voor jonge mannen en vrouwen die haar aandacht en belangstelling wekten, met wie ze vinnige woordenwisselingen had of aan wie ze opzienbarende ontboezemingen deed. In het voorjaar van 1796, toen de Franse Revolutie nog volop woedde, schreef ze:

 

Zo gaat het in de wereld bij alle mogelijke gelegenheden. Algemene rampen, oorlogen, opstand van volkeren, zijn evenzoveel lessen en ze worden telkens weer vergeten. De machthebbers vergeten en de bevolking doet dat. De slaap der zorgeloosheid is diep, het ontwaken van het ongeduld gaat gepaard met veel gerucht en onvoorzichtigheid, en tenslotte komt iedereen ergens terecht waar hij heen wilde.’

 

Op de chaos waarin het land verkeerde aan het eind van de achttiende eeuw en de onophoudelijke bloedbaden reageerde ze onverbloemd bitter en verontwaardigd, heftig en toch genuanceerd, geschokt door de hypocrisie die zij om zich heen zag:

 

We zien hier alles pikzwart. In onze verbeelding zien we steeds Lodewijk XVI voor de guillotine, terwijl de woeste Santerre hem het spreken belet, de Conventie een nieuwe inquisitie gelast en Marat en Robespierre martelingen en plunderingen. Dat belet ons te slapen, te eten of ergens genoegen aan te beleven. Wat mij aangaat, de laffe toeschouwers maken mij nog woedender dan de ellendige misdadigers. Die doen openlijk wat ze doen, de anderen, die zich fatsoenlijk noemen, niet, die stemmen met de misdaad in en berusten in hun schande.’

 

Een groot filosoof moge ze dan niet zijn, uit haar nagelaten gedachte- en ideeëngoed spreekt behalve een onafhankelijke geest, iemand die scherp en (meestal) onbevooroordeeld observeert, en haar gedachten en ideeën veelal helder onder woorden kan brengen. Haar proza getuigt van zelfkennis en doet oprecht aan.

 

Het echtpaar Dubois maakte een mooie keuze, waarvoor uit het hele oeuvre van deze ‘pragmatische filosofe’ is geput. Fragmenten die soms nog oorspronkelijk zijn en verre van gedateerd. Uit deze bloemlezing doemt het beeld op van een bevlogen schrijfster en een weerspannige vrouw met romantische ideeën zonder zich in sentimenten te verliezen.

 

Blijft de vraag of de schrijfster van al die fraaie invallen, van die nu vergeten romans (met soms opmerkelijke vrouwelijke hoofdfiguren) en onvergetelijke brieven (waarvan ze zelf vond dat ze niet onderdeden voor elkaar), in werkelijkheid ook samenviel met de Belle van Zuylen. Haar eigen uitspraken of die van anderen hoeven niet per se te stroken met de werkelijkheid. Fraai geformuleerde gedachten, genuanceerde opvattingen en mooie principes op papier staan niet zelden haaks op de dagelijkse praktijk.

 

Over haar brieven schrijft ze, in 1764:

 

Mijn brieven zijn zéér openhartig dat ze bijna niet fatsoenlijk meer zijn.’

 

En ze schrijft:

Ik verveel mij geen moment. De dagen zijn te kort en ik vind dat je wel heel dom moet zijn om je te vervelen als je vrij en alleen bent.’ (1764)

 

Ze had een afkeer van opportunisme in de politiek, haar interesse lag in de actualiteit. Ze nam stelling zonder al te veel respect voor reputaties of maatschappelijke normen. Ze voelde zich betrokken en tegelijk een buitenstaander. En ze schreef diepzinnigheden, zoals uit de volgende opmerkingen blijkt die ook vandaag de dag nog zeer behartigingswaard zijn:

 

Sommige mensen lijken niet geschapen om te leven en anderen niet om dood te gaan. Jammer genoeg is de dood er voor iedereen. Hoe mooi zou het niet zijn met plezier jong te zijn, zich prettig te voelen op middelbare leeftijd, behaaglijk in de ouderdom en zelfs nog bij het sterven.’ (1765)

 

Jongeren die spotten met oude mensen spotten bij voorbaat met zichzelf. Zij maken belachelijk wat ze eens zullen zijn en zelfs hopen te worden. Bang zijn oud te worden is bang zijn voor een onvermijdelijke consequentie van ons bestaan, het is een zwakheid. Treuren omdat je niet meer jong bent, wil zeggen het verkeerd vinden dat we ons bestaan begonnen zijn en de tijd een voortgang is. Toch is het waar dat een vrouw die haar jeugd voorbij is en er verwaarloosd uitziet, vaak vervelend en lachwekkend is en zich trouwens ook bijna altijd verveelt.’ (1767)

 

En er zijn romantische gedachten als deze:

Mijn boeken, een lekker behaaglijk haardvuur, een heel mooie hond, een bijzonder prettige kamer kunnen mij niet troosten over de afwezigheid van mijn beste vrienden, wel over een gezelschap dat mij onverschillig laat.’ (1769)

 

En aforistische:

Lichamelijke pijnen worden sneller vergeten dan die van de ziel.’ (1770)

 

En filosofische mijmeringen:

 

Ik vraag mij af of we onophoudelijk moeten blijven zoeken naar het waarom van ons bestaan. Omdat we nu eenmaal bestaan, is ons bestaan onvermijdelijk. Wie zegt dat er bij alles van enige feitelijk keuze, van enige vrije wilsdaad sprake is? We zijn – dat moet erkend worden – wonderlijk geschikt om te bestaan.’ (1791)

 

Over haar niet bepaald gelukkige huwelijk met Charrière schreef ze:

Alleen het huwelijk al heeft zijn handen vol aan zoveel soorten doornen dat ze niet meer te tellen zijn; hoeveel er links en rechts ook al zijn uitgestrooid, er blijven altijd nog over waar niemand aan gedacht had.’ (1793)

 

En hoe geliefd ze als mens en bewonderd als schrijfster ze ook was, haar open karakter wekte vaak misverstanden en ergernis. Ze wist menigeen in haar directe omgeving in de gordijnen te jagen:

 

Ik heb de pech iedereen te kwetsen, terwijl ik juist voor iedereen het beste wil.’

 

Het mensdom was haar een gruwel, al bleef ze zich erover verbazen dat ze toch vaak was omringd door fatsoenlijke mensen:

 

‘De menselijke soort is iets zo afschuwelijks dat je je wel heel sterk moet hechten aan een paar bevredigende uitzonderingen en de waardering waarop die aanspraak mogen maken niet aan het wankelen laat brengen.’ (1794)

 

Ze had uitsproken meningen, zoals deze over zelfmoord, waarin de lezer van nu gemakkelijk een link legt naar discussies over euthanasie:

 

De ongelukkigen die geen zelfmoord plegen, zoeken soms verlichting in hun gewetensbezwaren, maar het kost mij moeite aan hun oprechtheid te geloven. Wat nu? Zou een koning zijn onderdanen wel naar de oorlog mogen voeren, maar mij zou het niet zijn toegestaan mijzelf om het leven te brengen? Terwijl het leven van anderen in talloze omstandigheden overgeleverd is aan een of meer mensen, zouden we over ons eigen leven niet zelf mogen beschikken?’ (1794)

 

Waren het voorheen vooral de brieven waarmee Belle van Zuylen de grootste roem vergaarde, de laatste jaren valt een aarzelende herwaardering te signaleren voor de romanschrijfster. Volgens de Brit C.P.Courtney, die een omvangrijke biografie van Belle van Zuylen schreef, is zij een Europese schrijfster van allure, wier novelle ‘Trois femme’ (1799) kan wedijveren met Voltaires ‘Candide’ – voorwaar geen misselijke vergelijking.

 

De Franstalige Oeuvres Complets omvat tien kloeke delen oftewel zesduizend bladzijden. In het Nederlands is daarvan slechts een schijntje vertaald; dat is eigenlijk altijd zo geweest. Pierre H.Dubois schrijft daarover in zijn uitvoerige naschrift:

 

In Nederland kende men praktische niets van haar. Het enige dat zij hier publiceerde omstreeks haar twintigste, de novelle ‘Le noble’, was door haar ouders uit de handel genomen en onvindbaar geworden; het bleef, ook herdrukt, een curiosum, dat vooral beschouwd werd als een veelzeggend voorbeeld van haar onaangepaste eigenzinnigheid. Van wat zij op latere leeftijd liet verschijnen, bereikte weinig of niets ons land en vond geen of nauwelijks lezers. Het feit dat zij uitsluitend in het Frans schreef, vergrootte de toegankelijkheid niet, ook al was het Frans destijds minder een onbekende taal dan tegenwoordig.’

 

Over Slot Zuylen, haar geboortehuis, schrijft ze in 1803:

 

Zuylen staat te huur! Dat heeft me wel verrast en mij even verdriet gedaan, maar het heeft gauw plaatsgemaakt voor mijn volledige instemming. Wie weet beter dan ik dat Zuylen droefgeestig is! Het is verstandig. Behuizingen worden voor bewoners gemaakt, niet andersom. Huizen worden gebouwd of gekocht en vallen in puin of worden opnieuw verkocht. Rijken hebben een begin en een eind. Alles gaat voorbij, net als de mens die aan het hoofd staat van alles.’

 

November 1997

UA-37394075-1