Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Benno Barnard en Europa als een jas vol gaten

Dichter en schrijver Benno Barnard is een romanticus met een grote hartstocht voor het oude Avondland. Daarover schreef hij ‘Dichters van het Avondland’, een reis door het verscheurde Europa van de twintigste eeuw. ,,Europa gaat naar de klote.”

 

Benno Barnard (Amsterdam, 1954) is een Nederlandse Europeaan, die na een idyllische jeugd in het Gelderse Rozendaal zijn geboorteland verruilde voor België. Hier woont hij, in een dorp in de buurt van Brussel, inmiddels langer dan in zijn geboorteland.

,,Ik heb me verdiept in dit land en zijn geschiedenis. Toch maak ik mee dat zelfs ontwikkelde mensen tegen me zeggen: dat zul jij wel niet weten als Nederlander. Nederlanders zijn echt een cliché in Vlaanderen. Alsof ik hier al dertig jaar doof en stom en blind rondloop! Tegen mensen die een jaar of vijfentwintig zijn en die het mij proberen uit te leggen, zeg ik dan: ik woon langer in België dan jij. Trouwens, ik heb een Belg verwekt, wat niet erg moeilijk was, maar toch een grotere kunst is dan in België geboren worden, want daar heb je geen verdienste aan.”

 

‘Ik ben typisch het product van het grensgebied

tussen jodendom en christendom.’

 

Toch voelt de welbespraakte dichter, die in jeans en T-shirt eerder oogt als een vlotte veertiger dan een vijftiger, zich Belg noch Vlaming. ,,Ik ben Europeaan”, antwoordt hij resoluut. ,,Ik ben typisch het product van het grensgebied tussen jodendom en christendom. Daar hoef je niet gelovig voor te zijn, dat ben je omdat die cultuur je gemaakt heeft. Ik ben een Nederlandstalige Europeaan. Zo voel ik me echt en dat wordt versterkt doordat ik met een Amerikaanse ben getrouwd. Zoals voor de dichter Pessoa de Portugese taal zijn vaderlands was, is het Nederlands mijn vaderlands.”

In ‘Dichters van het Avondland’ reist Benno Barnard aan de hand van tien geliefde dichters door het verscheurde Europa van de twintigste eeuw. Zijn uitmuntend en speels geschreven boek zit vol fraaie sfeerbeschrijvingen en erudiete bespiegelingen. Het is een persoonlijk reisverslag zonder dat de schrijver zich te zeer opdringt, een zoektocht langs de fascinerende levens (en hun werk) van geliefde dichters en een chronologisch opgebouwd geschiedenisboek met een licht nostalgische ondertoon.

 

‘Het is de nostalgie van de verschrikking.’

 

,,Maar het is wel de nostalgie van de verschrikking”, benadrukt de dichter. ,,Dat is het dubbelzinnige ervan. De twintigste eeuw was een verschrikking. Tegelijk betekent die nostalgie een zekere hang naar de periode van voor het instorten van werelden die verdwenen zijn. In die zin ben ik een romanticus. De oude Duitse definitie van romantiek is: Das Glück is dort wo du nicht bist. Ik voeg daar zelf aan toe: Auch dort wo dann du nicht bist. Het geluk is voor mij niet alleen elders, het is ook in een andere tijd. Zoals ik altijd wil reizen, zou ik willen tijdreizen. Als ik naar Czernowitz ga, de geboortestad van Paul Celan, een van de dichters in het boek, is dat tegelijk een tijdreis. Ik reis terug naar het Sovjettijdperk en tegelijkertijd naar de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie, (federatie van het keizerrijk Oostenrijk en het koninkrijk Hongarije tussen 1867-1918, ndb). Daarom vind ik Oost-Europa zo aantrekkelijk. Het is een gigantische vitrine van vroeger. Daar vind je nog veel van het oude Europa, al is dat nu in snel tempo aan het veranderen.”

 

Auden en Eliot: religieus gekleurde Engelse moralisten

 

In zijn boek koos hij voor tien verschillende dichters, beroemde en vrijwel onbekende. ,,Ik begin bij Emile Verhaeren, een Franstalig Vlaams dichter die met beide voeten in de 19de eeuw staat en sterft tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hij was doordrongen van een groot vooruitgangsgeloof.” Verhaeren stierf op tragische wijze. Na een lezing wilde hij de trein terug naar Parijs nemen, hij was te gehaast, verstapte zich en kwam tussen twee wagons terecht. ,,Hij kwam om in een treinongeluk. De trein, dat symbool van vooruitgang. Het is bijna een Belgenmop!”

,,W.H. Auden en T.S. Eliot zijn enigszins religieus gekleurde grote Engelstalige moralisten. Auden is mijn lieveling, om volstrekt irrationale voorkeuren, ook om zijn humor enzovoorts. De Russisch-Amerikaanse dichter Joseph Brodsky, ook een van de tien, zei over hem: ‘Auden is niet alleen de grootste dichter maar ook de grootste denker van de twintigste eeuw.’ Volgens Brodsky is dichten vooral een vorm van denken.”

 

‘Om Celan kun je niet heen’

 

,,Daarnaast wilde ik absoluut een paar Duitsers; in de Duitstalige poëzie ben ik geschoold. Zo kwam ik uit bij Celan. Om hem kun je niet heen omdat hij beschouwd wordt als de grootste naoorlogse Duitstalige dichter. Daarnaast is hij historisch zeer interessant.”

,,Joy, mijn vrouw, zei dat er toch minstens één vrouw bij moest. Maar dat is nog niet zo simpel, want de grootste vrouwelijke dichters van de twintigste eeuw zijn Russisch – Tsvetajeva, Achmatova. Ik kwam uit op Nelly Sachs. Dat was een geweldige ontdekking, deze voor de nazi’s naar Zweden gevluchte joodse dichteres die krankzinnig werd. George Trakl moest er in vanwege het expressionisme, de Eerste Wereldoorlog, Oostenrijk en het uiteenvallen van de dubbelmonarchie.”

,,Voor de Fransen is René Char een monument. Hij is een beetje irritante dichter, zo een aan wie ik me kon stoten. Ik ontdekte dat hij min of meer bevriend was met de filosoof Heidegger, misschien de intelligentste man van de twintigste eeuw die het nazisme niet heeft kunnen ontmaskeren. Dat leverde een fascinerende confrontatie op.”

 

‘Marsman wilde groots en meeslepend leven’

 

,,Wat de Nederlandse dichters aanging, twijfelde ik tussen Nijhoff en Marsman. Misschien is Nijhoff de grotere dichter, maar Marsman is historisch interessanter omdat hij tussen de wereldoorlogen zo met Duitsland dweepte bijvoorbeeld.”

Marsman, die ‘groots en meeslepend’ wilde leven, ontleent zijn bekendheid aan dat ene klassieke gedicht ‘Denkend aan Holland’. Is dit een soort rehabilitatie van een verder veronachtzaamde dichter? ,,Ik had lange tijd een hekel aan Marsman. Ik vond hem een schreeuwlelijk. Toen herlas ik zijn werk en dacht: dit is een groot dichter. Ik had blijkbaar een bepaalde leeftijd nodig om dat te erkennen.”

,,Ik besluit mijn boek met Cseslaw Milosz die kort na 2000 stierf. Milosz is vergelijkbaar met Verhaeren. Hij kwam uit Litouwen, was Poolstalig, behorend tot de elite. Milosz woonde een half leven in de Verenigde Staten en stierf in post-communistisch Polen. Milosz’ poëzie is een zeer on-Hollands. Ik bedoel, als Milosz een Nederlandse dichter was geweest, zou er heel anders tegen zijn werk zijn aangekeken. Los van zijn Nobelprijs accepteer je van een buitenlandse dichter dingen die je van een oorspronkelijk Nederlands dichter niet zou accepteren. Er bestaat bereidheid om het vreemde te respecteren, wat ook kan leiden tot politieke correctheid. Krijg je dat een Vlaamse schrijver als Tom Lanoye sneert op het katholicisme en de islam verdedigt. Als ik homo was zou ik in de huidige situatie toch eerder het tegenovergestelde doen.”

 

‘Onze oude, verregende twintigste eeuw.’

 

,,Onze oude, verregende eeuw”, schrijft Barnard over Milosz, ,,hing om zijn schouders als een jas vol gaten.” Dat is een mooi, veelzeggend beeld voor een tragische eeuw. ,,Op een bepaalde manier zijn alle tien dichters slachtoffers. Ze zijn getraumatiseerd door de oorlog, ze hebben zelfmoord gepleegd, verongelukten. Of, zoals bij Marsman werd in 1940 het schip getorpedeerd waarmee hij naar Engeland wilde vluchten. Milosz maakte álle gruwelen van de eeuw mee.”

,,Door ze op te zoeken, is mijn leven veranderd. Dat klinkt misschien raar en een beetje sentimenteel, maar er gaat vrijwel geen nacht voorbij of ik zie Czernowitz, de stad van Celan. Dat is voor mij zo’n symboolplek geworden van het oude, verwoeste Europa, terwijl die stad toch niet verwoest is. Czernowitz was een Oostenrijkse stad, met de bouwkundige schoonheid van een ouderwetse Oostenrijkse stad waar tal van etnische bevolkingsgroepen naast elkaar woonden, tal van talen werden gesproken, de straatnaambordjes waren in het Roemeens, in het Russisch of Oekraïens en in het Duits. Onderwijs was in alle talen beschikbaar, men liet iedereen zijn gang gaan, en op een rare, beetje amorfe manier werkte dat. Moet je nu komen, de halve stad is Russisch, de andere helft Oekraïens. De andere talen zijn dood en weg.”

,,Wat de tien dichters bindt, is dat ze met al hun overgevoeligheid ballen hebben. Ja, óók Nelly Sachs. Ze zijn onverzettelijk. Dat probeer ik zelf ook te zijn. Ik ben een romanticus, gevoelig ook. Ik heb meegemaakt dat ik op een podium een gedicht stond voor te lezen, waarbij ik mij echt moest verbijten om niet in tranen uit te barsten. Het beste liefdesgedicht schrijf je als je niks voelt. Het beste gedicht over de dood schrijf je als je niet dood bent. En vervolgens als je het voorleest komt het terug als een boemerang. Maar ook ik streef naar onverzettelijkheid.”

 

‘Het botje is wat overblijft van de dichter, zoals

je van de heiligen een beentje overhoudt.’

 

,,In de weekheid die iedereen associeert met poëzie zit ook iets hards. Het botje is wat overblijft van de dichter, zoals je van de heiligen een beentje overhoudt”, zegt Barnard met een verwijzing naar zijn eigen poëzie, die wordt gekenmerkt door een gewogen stijl en strakke metriek, en is verzameld in ‘Het tongbotje’. ,,Eliot zei dat er three voices of poetry zijn. De lyrische, de dramatische en de epische. Die zitten alle drie in mijn poëzie. Er zitten verhalende gedichten in, er zit theater in in versvorm, en uiteraard lyrische poëzie.”

,,Het eerste gedicht in het boek is een impressionistisch vers dat ik op mijn achttiende schreef. Een schets over mijzelf als jongetje. Het laatste gedicht, maar dat ontdekte ik pas achteraf, gaat over de toekomst als ik er niet meer ben en over de toekomst van mijn zoontje. Ik wis mijzelf in zekere zin uit in dat boek. In dat opzicht is ook dit boek chronologisch gerangschikt en is het net als de essays een soort autobiografie, ook al zijn weinig gedichten puur autobiografisch.”

In ‘Het tongbotje’ heeft Barnard lang niet al zijn dichtwerk opgenomen. ,,Klopt. Van het jeugdwerk heb ik ongeveer de helft eruit gegooid omdat het mij zelf irriteerde als te week, te lyrisch, te gevoelig. Alleen die eerste vijftig pagina’s zijn jeugdwerk. De laatste honderd bladzijden zijn niet eerder gepubliceerd. Ik had bijna tien jaar lang geen bundel gepubliceerd, ik had er geen zin in. Ik wachtte liever, ik heb het opgespaard, ik wilde een goed gecomponeerd boek maken. Bovendien heb ik een hekel aan de boekenoverproductie. Ja, dat zegt de man die nu zelf twee boeken tegelijk publiceert!”

 

 

‘In zekere zin was de twintigste eeuw

ook de eeuw van mijn vader’

 

 

Barnards vader was de dichter (Guillaume) van der Graft, een pseudoniem voor Willem Barnard (1920-2010), die vijftien jaar predikant was. Vader en zoon hadden een bijzonder goede band. ,,Maar een schrijvende vader is wel véél vader. Zeker als je zelf begint te schrijven. Ik hoop dat míjn zoon daar niet te zeer onder lijdt. In zekere zin – met een verwijzing naar Geert Mak – was de twintigste eeuw ook de eeuw van míjn vader. Hij was getraumatiseerd door de Tweede Wereldoorlog. Hij moest dwangarbeid verrichten in Duitsland. Hij was er relatief goed vanaf gekomen, maar het heeft zijn leven volkomen getekend. Als hij pijn had aan zijn knieën, zei hij, ja, dat komt nog van de oorlog, het is een cadeautje van Hitler. Ik, van 1954, heb dat allemaal nog net meegekregen. Voor velen is het inmiddels een verhaal van grootouders. Voor mij komt het verhaal rechtstreeks van mijn ouders die uit Rotterdam komen dat onder hun ogen werd weggebombardeerd.”

,,’Waar mijn vader is, is de twintigste eeuw’, schrijf ik ergens. Thomas Mann zei: wo ich bin ist die Deutsche Kultur. In mijn verzamelde prozaboek ‘Eeuwrest’ schrijf ik: ‘Mijn vader heeft de Tweede Wereldoorlog in kleur gezien.’ De beelden die wíj kennen is voor negentig procent zwart-wit, een wereld die ook moreel vaak zwart-wit is. Maar voor hem is het een kleurenwereld. Mijn vader sprak tijdens zijn vakantie eens met een Duitser en een Zwitser over de oorlog. De Zwitser begon heel vroom en moreel te doen. Die Duitser en mijn vader, voormalige vijanden dus, sloten daarop een soort verbond tegen die Zwitser. Want wat wist die ervan? Zíj hadden onder de bommen gezeten, de Zwitser was neutraal geweest.”

Het interbellum, het tijdperk tussen de beide wereldoorlogen, is naar zijn smaak:

 

,,het meest belangwekkende en hulpeloze tijdsgewricht van de voorbije tweehonderd jaar, met zijn pakketboten, Blaue Reiter, gasoorlogangst, zijn caleidoscopisch langs mijn geestesoog flitsende beelden van ijzeren brilmonturen, tropenhelmen, kiekjes van de Azuren Kust, zijn obsessie met de ondergang van het Avondland.”

 

,,Als ik een tijdreis zou mogen maken, koos ik voor het interbellum. Want die periode zou ik herkennen. Ik zou dolgraag een dag in het Brussel of Rotterdam van 1925 rondlopen, liever nog dan in het oude Rome. Het is een wereld waarin ik nog met mensen kan praten. Het is het tijdvak waarin je denkt: wat zou er zijn gebeurd als de beurskrach er niet was geweest in 1929. Was het mogelijk geweest om het fascisme af te wenden? Had de democratie zichzelf kunnen uitvinden, die voor die tijd nog niet echt bestond? De wetenschap raakte in een stroomversnelling. De politiek kon dat evenwel niet bijhouden, die ontspoorde volledig, waardoor je de Tweede Wereldoorlog als het tweede bedrijf van de Eerste kreeg.”

 

‘De Europese beschaving heeft een bloeitijd

gekend, met al z’n tekortkomingen van dien,

maar de twintigste eeuw was een neergang.’

 

Benno Barnard, die in 2001 de Huizingalezing hield over de ‘ware aard van Europa’, is somber gestemd over de toekomst van het Avondland. ,,Ik denk dat Europa naar de klote is. Eliot schrijft in zijn dichtwerk ‘The waste land’, dat gaat over het kapotte Europa van na de Eerste Wereldoorlog: ‘Ik leun tegen de fragmenten van de ruïnes van mijn beschaving.’ Je kunt natuurlijk zeggen, ja, hoor ‘ns, de wereld gaat door, dit is het digitale tijdperk. Dat zal wel. Ik bedoel, de Europese beschaving heeft een bloeitijd gekend, met al z’n tekortkomingen van dien, maar de twintigste eeuw was een neergang. De vooruitgang was tot op zekere hoogte een neergang. Europa is mede verwoest door de uitvinding van de auto omdat iedereen met een auto rondrijdt, ik incluis. En uiteraard door de wereldoorlogen.”

,,Maar er bestond in Europa ooit een soort model, de dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije. Daar woonden dertien volkeren samen met vijftien talen. Men liet iedereen min of meer met rust als men maar belasting betaalde. Ik weet wel, ze waren antisemitisch, zij het niet fanatiek, er was kinderarbeid, hypocrisie, er was van alles wat niet klopte. Toch was er een soort tolerantie die nu kapot is. De Donaumonarchie deed in zekere zin wat de EU nu belijdt: iedere provincie haar eigenheid. We weten wat we ervoor in de plaats hebben gekregen. In die zin is mijn boek een pleidooi tegen de veronachtzaming van traditie. Het beste wat wij zijn moeten wij onthouden en niet vergeten, ook als het in een bepaalde periode ouderwets aandoet. Het wordt eerst ouderwets, daarna wordt het historisch.”

 

‘Ik háát dat nationalisme. Het maakt alles kapot.’

 

,,Het verhaal van de twintigste eeuw is dat het nationalisme heeft getriomfeerd. Dat is de reden waarom ik, hoewel ik in Brussel Nederlands spreek, een ongelooflijke vijand van het nationalisme ben. Waarom houd ik van België? Omdat dat Europa is. België is veel beter dan mijn vaderland, het is een kleine kosmos. Ik háát dat nationalisme. Het maakt alles kapot. Volgens mijn vader was het nationalisme een groeistoornis. De domheid van de tribale zelfverheerlijking. Het is het niveau van de voetbalhooligan.”

De Europese Unie (EU) wil toch evenzeer de eenheidsgedachte uitdragen en tegelijkertijd elk land zijn eigen cultuur behouden?

,,Ik ben in theorie zeker geen tegenstander van de EU. Maar als je bij Brussel woont, merk je vrij precies hoe de mechanismen van dat Europa werken. Het grootste probleem is dat het zich verstikt in bureaucratie. Het is beter dan een oorlog, hoor, maar er is een onvoorstelbare regelneverij. Bovendien is er een dwangmatige poging om alles zo veel mogelijk te brusseliseren, dat wil zeggen, op één niveau te vervlakken of te amerikaniseren. Er was in Hongarije een bepaalde pruimenlikeur die al eeuwen op hetzelfde recept gebrouwen werd, maar dat voldeed niet aan de hygiënische voorschriften artikel zoveel sub zoveel van de EU en moest dus verboden worden. Iedere provinciale eigenheid en malligheid wordt kapot gemaakt.”

 

Google is ‘de god der jongeren,

alwetend maar niet barmhartig.’

 

In ‘Dichters van het Avondland’ omschrijft Barnard Google als ,,de god der jongeren, alwetend maar niet barmhartig”. Hij vergelijkt de zoekmachine op het internet met een ,,krankzinnig uitgedijde Talmoed”. Daar klinkt een vaderlijke bezorgdheid uit. ,,Het christendom heeft een vacuüm achtergelaten dat nu razendsnel dreigt vol te lopen met de islam. Dat is bovendien een islam die vervreemd is geraakt van zijn wortels en daardoor neigt tot fatalisme. Dat valt samen met het verdwijnen van de klassieke cultuur. Indertijd, ik zat nog op school, riep Marcus Bakker, de legendarische voorman van de CPN (Communistische Partij Nederland) naar aanleiding van de Mammoetwet: Kunnen arbeiderskinderen eindelijk naar het gymnasium, schaffen ze het gymnasium af.”

,,Ik noem mezelf een links-conservatief. Ik ben voor geschiedenisonderwijs, vóór klassieke talen, vóór het gymnasium, ik ben voor dingen uit je hoofd leren. Ik ben voor het behoud van de Europese beschaving. We staan in Europa momenteel op een keerpunt. We gaan van een analoge naar een digitale cultuur; alles gebeurt tegelijkertijd. Maar ik ben voor chronologie. Ik ben voor bepaald soort klassieke patronen die verhelderend hebben gewerkt en die hun nut hebben bewezen de afgelopen vierhonderd jaar.”

,,Ik heb niks tegen computers, ik werk er graag mee. Het is wel bezwaarlijk als hij in plaats van gereedschap een altaar wordt. Als kinderen van acht op hun kamer een televisie én een computer hebben en van het gebruik daarvan geen verantwoording hoeven af te leggen. Op zeker moment zei ik tegen mijn beide kinderen van acht dat er door de week geen televisie wordt gekeken maar boeken worden gelezen. Het resultaat is dat het alle twee nu grote lezers zijn.”

 

BennoBarnard: ‘Dichters van het Avondland’, essays, 322 blz. ‘Het tongbotje, gedichten 1981-2005’, 320 blz. In 2001 verscheen ‘Eeuwrest’ waarin drie eerder verschenen prozaboeken (enigszins in herziene vorm) zijn opgenomen: ‘Uitgesteld paradijs’ (1987), ‘Het gat in de wereld’ (1993), ‘Door God bij Europa verwekt’ (1996). Alle uitgaven: uitgeverij Atlas, Amsterdam.

 

Oktober, 2006

 

UA-37394075-1