Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Bij Wislawa Szymborska heb je geen sleutel nodig

De bundel ‘Dubbele punt’ (2007) van Wislawa Szymborska bevat slechts zeventien gedichten. Dat lijkt weinig, maar ze zijn gemiddeld flink aan de lengte, enkele verzen waaieren pagina’s lang breeduit over de bladspiegel. Bovendien mag de productie van de Poolse dichteres bescheiden zijn, de kwaliteit van haar poëzie blijft onverminderd hoog.

 

Het werk van de Nobelprijswinnares van 1996 is volmaakt eigenzinnig. Haar poëzie is glashelder en begrijpelijk voor ieder die gedichten niet versmaadt. Dat maakt haar bij voorbaat verdacht bij critici die elk gedicht als een autonoom taalbouwsel beschouwen dat je alleen met de juiste sleutel kan openen. Bij Szymborska heb je geen sleutel nodig om tijdelijk in haar gedichten te wonen.

Dat verklaart misschien haar grote populariteit, want haar bundels gaan ook bij ons grif van de hand. Ze wekken de indruk op haast achteloze wijze te zijn ontstaan, waardoor ze bedrieglijk eenvoudig ogen. Maar ze laten meestal niet onberoerd. Deze poëzie is wijs, bezonken, beeldrijk, geestig en vol verrassende wendingen. Szymborska heeft oog voor dingen waaraan anderen voorbijgaan. En waar zwaarte en duisternis heersen weet ze deze door een speelse toets licht en draaglijk te maken. Het is poëzie die tot nadenken stemt, die je kan blijven lezen zonder dat het verveelt. Je ontdekt er steeds iets nieuws in.

In gedichten die in de derde persoon enkelvoud zijn geschreven, heb je het gevoel dat de dichteres het over zichzelf heeft. Zoals in ‘De oude professor’ waarin het lijkt alsof Szymborska zichzelf ondervraagt:

 

,,Ik vroeg hem of hij nog weleens gelukkig was.

Ik werk’, / antwoordde hij.’’

 

En:

 

,,Ik vroeg hem naar zijn gezondheid en gemoed.

Ze verbieden me koffie, wodka, sigaretten,

het meedragen van zware herinneringen of voorwerpen.

Ik moet doen of ik het niet hoor’,

antwoordde hij.’’

 

In ‘Monoloog van een in de geschiedenis verstikte hond’ draait ze de rollen van baasje en hond om, alsof ze zich gemakkelijker in een dier verplaatst dan over zichzelf schrijft:

 

,,Je hebt honden en honden. Ik was een uitverkoren hond.

Ik had goede papieren en in mijn aderen wolfsbloed.’’

 

En, over het baasje:

 

,,Op anderen was hij vaak en luidruchtig boos.

Hij gromde tegen ze, blafte rende van muur tot muur.

Ik denk dat hij alleen van mij hield

en verder van niemand, nooit.’’

 

Szymborska dicht zoals ze dat sinds jaar en dag doet. Veel ontwikkeling zit er niet in. Het is meer van hetzelfde, maar gezien het niveau dat ze steeds bereikt kan dat nauwelijks een bezwaar zijn. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat deze bundel ook enkele zwakke schakels telt. ‘De volgende dag – zonder ons’, over variabele weersomstandigheden, is er zo een, al weet de dichteres er nog een trefzeker slot uit te slepen.

Weergaloos zijn ‘Troost’ over Darwin en ‘Afwezigheid’, waarin ze speelt met de gedachte dat ieders bestaan op toeval berust. Sterk is ook ‘Het Griekse beeld’. Hierin wordt de tijd voorgesteld als een door niets en niemand te stuiten woesteling die ook zijn zonzijde heeft.

 

Wislawa Szymborska: ‘Dubbele punt’. Uit het Pools vertaald door Karol Lesman. Uitgeverij De Geus, 48 blz.

 

Augustus, 2007

 

***

 

Afwezigheid

 

Het scheelde niet veel

of mijn moeder was getrouwd

met meneer Zbigniew B. uit Zdunska Wola.

En hadden zij een dochter gehad – ik was het niet geweest.

Misschien had ze een beter geheugen voor namen en gezichten,

en voor elke, slechts één keer gehoorde melodie.

Herkende ze feilloos van een vogel welke het was.

Had ze uitstekende cijfers voor natuur- en scheikunde,

en slechtere voor Pools,

maar schreef ze heimelijk gedichten

meteen al stukken interessanter dan die van mij.

 

Het scheelde niet veel

of mijn vader was in diezelfde tijd getrouwd

met juffrouw Jadwiga R. uit Zakopane.

En hadden zij een dochter gehad – ik was het niet geweest.

Misschien was ze standvastiger in wat ze wilde.

Sprong ze onbevreesd in het diepe.

Geneigd tot overgave aan collectieve emoties.

Voortdurend gezien op meerdere plaatsen tegelijk,

maar zelden over een boek gebogen, vaker op de speelplaats,

een balletje trappend met de jongens.

 

Misschien hadden de twee elkaar zelfs wel ontmoet

op dezelfde school in dezelfde klas.

Maar zonder een paar te vormen,

zonder enige verwantschap,

en op de groepsfoto ver uit elkaar.

 

`Meisjes, komen jullie hier staan,’

zou de fotograaf hebben geroepen,

`de kleintjes vooraan, de grotere daarachter.

En mooi lachen, als ik een teken geef.

Alleen even tellen,

zijn jullie er allemaal?’

 

`Ja meneer, allemaal.’

 

Wislawa Szymborska

(Uit ‘Dubbele punt’)

 

Het Griekse beeld

 

Met behulp van mensen en andere elementen

heeft de tijd er zijn handen vol aan gehad.

Eerst ontnam hij het de neus, daarna geslachtsdelen,

vervolgens vingers en tenen,

in de loop der jaren armen, de een na de ander,

rechterdij en linkerdij,

rug en heupen, hoofd en billen,

en dat wat al was afgevallen, sloeg hij aan stukken,

tot puin, tot gruis, tot zand.

 

Als op die manier een levend iemand sterft,

stroomt er bij elke slag veel bloed weg.

 

Beelden van marmer sneuvelen echter wit

en niet altijd volledig.

 

Dat, waarvan hier sprake is, heeft nog zijn romp

en lijkt op een bij inspanning ingehouden adem,

aangezien het nu zijn taak is

op zich

te nemen

alle charme en ernst

van de verloren gegane rest.

 

En dat gaat hem goed af,

dat gaat hem nog steeds goed af,

hij doet alsof en betovert,

betovert en duurt voort –

 

Ook de tijd verdient hier een eervolle vermelding,

want hij heeft voor even zijn werk onderbroken

en iets uitgesteld tot later.

 

Wislawa Szymborska

(uit ‘Dubbele punt’)

UA-37394075-1