Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Bijbeltaal op de huid van de tijd

Een ’list van de duivel’ werd het genoemd. En bij sommige theologen en geestelijken rezen bij een eerste inzage de haren te berge. Zelden zal een vertaling zoveel opwinding hebben veroorzaakt. Maar we hebben het ook niet over zomaar een vertaling, maar over die van de Bijbel, het boek der boeken in de westerse, op christelijk(-humanistische) leest geschoeide samenleving. De Nieuwe Bijbelvertaling werd in oktober 2004 plechtig gepresenteerd in het bijzijn van koningin Beatrix.

 

‘Geef ons vandaag het brood dat wij nodig hebben’

 

De weerstand was verwacht, de weerzin is verklaarbaar. De Bijbel is immers meer dan alleen een religieus boek. Het is een boek waarmee velen zijn opgegroeid. Een nieuwe vertaling is dan even slikken voor wie een welhaast persoonlijke band met het boek heeft. Zeker voor iemand die zweert bij de Statenvertaling uit 1637, die nog in zwang is bij de orthodoxe stromingen van het Nederlands protestantisme, die gewend is aan de NBG-vertaling uit 1951, of gewend is aan de katholieke Willibrordvertaling van 1961/1975.

 

Al bij de eerste proeve in 1998 van de Nieuwe Bijbelvertaling was er felle kritiek, en niet alleen in orthodoxe kringen. Is vertalen toch altijd al ondankbaar werk in de anonimiteit, het vertalen van de Bijbel doet daar nog een schepje bovenop. Niets blijkt zo moeilijk te vertalen als de Bijbel. Niet alleen vanwege de oorspronkelijke talen Hebreeuws (Het Oude Testament) en het Koine-Grieks (Het Nieuwe Testament), maar vooral omdat de Bijbel de Bijbel is met zijn grote traditie en het sentiment dat hij oproept.

 

Met die ophef is dus niets nieuws onder de zon, om met het Bijbelboek Prediker te spreken. In 1951 viel ook iedereen over de Bijbelvertalers heen. En wie meende dat de tegenstand vanzelf zou wegebben, omdat de geesten eerst rijp moesten worden gemaakt, heeft buiten de waard gerekend: de kritiek lijkt eerder te zijn toegenomen.

Vooral de keuze van HEER in het Oude Testament heeft velen doen steigeren van verontwaardiging. Oorspronkelijk werd de naam voor de God van Israël in de Hebreeuwse teksten aangeduid met vier medeklinkers: JHWH (Jahwe). De nu gemaakte keuze is om velerlei redenen discutabel. Eigentijds klinkt het woord HEER allerminst, zoals ook veel critici menen, onder wie feministische theologen. Waarom dan toch niet voor het neutralere JHWH gekozen?

 

De meeste critici hebben voornamelijk aanmerkingen op onderdelen. Bekende predikanten als Nico en Carel ter Linden en de dichter-pastor Huub Oosterhuis wijzen evenwel de héle nieuwe vertaling af. Volgens Oosterhuis, zelf een verdienstelijk Bijbelvertaler, is de nieuwe vertaling te slap en niet dichterlijk genoeg. Dat is al te kras gesteld, want op onderdelen is zij wel degelijk poëtisch. Minder hoffelijk is evenwel de oproep van verstokte tegenstanders om kerkgenootschappen te verzoeken de nieuwe vertaling niet in de liturgie te gebruiken.

 

Uit de ophef blijkt maar weer hoezeer de Bijbel nog altijd in onze cultuur en samenleving verankerd is. Het boek heeft dan ook een bijzondere status. De Heilige Schrift, die boeken bundelt uit het oude Israël, het antieke jodendom en het vroege christendom, bevat voor de een de enige echte waarheid. Voor de ander is het van levensbeschouwelijk belang. Een derde hanteert het boek als een praktische richtsnoer voor het bestaan.

 

Maar het Woord des Heren is niet alleen van grote godsdienstige betekenis, ook cultuurhistorisch is het van onschatbaar belang. Het Oude Testament, dat onder veel meer verhalen over de oergeschiedenis van de mensheid en de Tien Geboden bevat, geeft óók inzicht in het leven in het Midden-Oosten in de laatste twee millennia voor Christus. Het Nieuwe Testament, waarin het leven van Jezus Christus centraal staat, vertelt ook iets over de Romeinse tijd. Het tweede deel van de Bijbel, de zogenoemde deuterocanonieke boeken, vormt het buitenbeentje. Dit behoort tot het Oude Testament, maar komt niet voor in de Hebreeuwse Bijbel en wordt in de protestants-christelijke traditie apocrief (verborgen) genoemd.

Daarnaast heeft de Bijbel (biblia is Grieks voor ’boeken’ of ’geschriften’) de taal verrijkt en is hij van grote literaire betekenis. De poëzie van de Psalmen en het Hooglied, de taal van de brieven Paulus bekoren nog steeds. Ze vormen een inspiratiebron voor dichters. Zonder de Bijbel zou de westerse (kunst)geschiedenis er totaal anders hebben uitgezien. Op alle geledingen van de kunsten heeft de Schrift zijn stempel gedrukt, maar vooral op de beeldende kunst (Jeroen Bosch, Michelangelo, Rembrandt), de muziek (van Bach tot Bob Dylan) en de literatuur (van Dantes ’Goddelijke komedie’ en Goethes ’Faust’ tot Reve, Wolkers, ’t Hart, Siebelink en Mulisch’ ’De ontdekking van de hemel’).

 

Begrijpelijk dat men bij zo’n project niet over één nacht ijs is gegaan. Aan de vertaling, waaraan elf jaar geleden is begonnen, werkten honderden vertalers, theologen, neerlandici, literatoren en allerlei commissies van tweeëntwintig kerkgenootschappen. Zij hadden de opdracht om de Bijbel eigentijds en leesbaar te maken voor een zo breed mogelijk publiek.

Consequentie is dat de nieuwe Bijbelvertaling vooral een compromis is geworden. Iedereen heeft water bij de wijn moeten doen met in het achterhoofd de idee dat de Bijbel van en voor iedereen is. Dat het eindresultaat in een aantal gevallen tekortschiet en soms onbevredigend is, is dan nauwelijks te voorkomen.

 

In de NBV springen een paar zaken in het oog, zoals de vervanging van het ouderwetse geschieden door gebeuren, en gij door jij. Veel teksten zijn zo vertrouwd dat het moeite zal kosten om ze in een nieuw jasje te aanvaarden. Zeker bij het onzevader, het gebed dat Jezus aan zijn leerlingen leerde (Matteüs 6, 9-13), ligt dit gevoelig.

 

Het was:

,,Geef ons heden ons dagelijks brood/

 en vergeef ons onze schulden

gelijk wij vergeven onze schuldenaren.’’

 

Dat is geworden:

,,Geef ons vandaag het brood

dat wij nodig hebben. Vergeef ons onze schulden

zoals ook wij hebben vergeven

wie ons iets schuldig was.”

 

Daar zal niet iedereen onmiddellijk genoegen mee nemen. Wat is er mis met heden? Vandaag klinkt wel erg direct, bijna hebzuchtig. En wordt schulden op deze wijze niet al te nadrukkelijk geassocieerd met financiële schulden? Was wellicht ’fouten’ niet een betere keus geweest? Dat – in het evangelie van Johannes – Jezus, nadat hij Lazarus uit de doden heeft opgewekt, huilt en niet weent, is een logische keuze. Hetzelfde geldt voor de woorden van de Verlosser tegen zijn leerling (niet: discipel) Petrus in Matteüs: ,,Voorwaar, Ik zeg u: Nog deze nacht, eer er een haan heeft gekraaid, zult ge Mij driemaal verloochenen’. In de NBV wordt dit: ,,Ik verzeker je: deze nacht zul je, nog voor de haan gekraaid heeft, mij driemaal verloochenen.”

 

Een minder gelukkige greep is dat de gevleugelde woorden van Prediker ‘IJdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid’ nu luiden: ,,Lucht en leegte, alles is leegte.’’ Dat is wel erg ontnuchterend. De vertalers wijzen erop dat in de Hebreeuwse brontekst wordt gerept van ’(v)luchtigheid’ of ’lucht’, met een verwijzing naar aan de natuur ontleende beelden. Over ijdelheid in onze betekenis van pronkzucht en eigendunk is bovendien geen sprake. Voor deze verklaring valt iets te zeggen, het gemis blijft.

 

Maar als het Nederlands Bijbelgenootschap de Bijbel wilde ‘terugbrengen’ naar de mensen, dan is het daar in geslaagd. In een tijd van ontkerkelijking en (Bijbel)ontlezing mogen we ons gelukkig prijzen met deze vertaling. De taal van de Bijbel zit nu dicht op de huid van deze tijd zonder al te populair te worden. Het tumult eromheen kan geen kwaad. Velen zullen daardoor wellicht nieuwsgierig zijn en de NBV ter hand nemen, die is verschenen in verscheidene fraaie uitgaven waarin het aangenaam bladeren en lezen is. Een mooiere reclame voor het boek der boeken is nauwelijks denkbaar.

 

Of deze vertaling de nieuwe standaard wordt, is de vraag. In een aantal kerken zijn rond de verschijning direct teksten uit de nieuwe vertaling gelezen. En wat bleek? Weinig kerkgangers stoorden zich eraan. Sterker, menigeen merkte het verschil niet of nauwelijks op. Steile critici, hoe terecht hun kritiek op onderdelen ook moge zijn, kunnen zich aan de oude vertaling(en) vastklampen. Het zal de Bijbel allemaal niet deren.

De Bijbelvertaling is verschenen in vijf uitgaven voor algemeen gebruik: Publiekseditie (met deuterocanonieke boeken), uitgave Querido/Jongbloed. Standaardeditie (met deuterocanonieke boeken), uitgave KBS/NBG. Katholieke editie (met deuterocanonieke boeken), uitgave XBS/VBS. Literaire editie (met deuterocanonieke boeken en illustraties van Gustave Doré), uitgave Athenaeum-Polak & Van Gennep, drie delen. Jongbloed publiceerde tevens een uitgave voor kerkelijk gebruik, zonder de deuterocanonieke boeken.

 

 

 

Oktober, 2004

UA-37394075-1