Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Bob den Uyl, melancholisch en geestig stilist

Toeval of niet, maar kort na de biografie van Joop den Uyl, de politicus, verscheen er een van Bob den Uyl (1930-1992), de schrijver. Nico Keuning schreef dit boek over de verfijnde stilist en melancholicus, wiens verhalen nog steeds tot de verbeelding spreken.

 

Er werd al bij voorbaat gelachen’

 

Joop en Bob den Uyl blijken verre neven van elkaar te zijn. ,,Ze zijn inderdaad familie’’, zegt Nico Keuning (1952), neerlandicus, publicist en uitgever (Reservaat) uit Heiloo. ,,Ze hebben een gemeenschappelijke voorvader van rond 1800. De tak van Joop is in Amsterdam beland. Die van Bob in Rotterdam.’’

Nico Keuning, die eerder de biografieën schreef van cultdichter Max de Jong (‘Altijd het tinnef om je heen’, 2000) en de legendarische dichter en schrijver Jan Arends (‘Angst voor de winter’, 2004), kwam op de hbs voor het eerst met het werk van Den Uyl in aanraking. ,,Een vriend van me las tijdens het uurtje ‘stillezen’ in de klas piepend en proestend Bob den Uyl. Ik ben hem toen ook gaan lezen en kocht daarna alles wat van hem uitkwam. Ik herinner me nog hoe ik me daarop verheugde. Wat mij aansprak was de combinatie van een lichte stijl en een sombere grondtoon. Mistroostig, maar met humor. Het ving een beetje de tijdgeest van die jaren, waarin het ging om mislukkelingen, teleurstellingen en tegenslag. Die plaatste hij in een komisch perspectief. Ik schoot erbij in de lach. Nog steeds trouwens.’’

Keuning laat in zijn boek zien dat het werk van Den Uyl vervlochten is met diens leven. ,,In zijn verhalen komt hij schlemielig over. Een echte loser. Den Uyl maakte van zijn zwakke kant – zijn angsten en zijn onhandige gedrag – in het schrijven zijn sterke kant. In werkelijkheid kon hij ook arrogant zijn, mensen in de maling nemen en botte opmerkingen maken.’’

De wankelmoedige Rotterdammer wilde het liefst met rust gelaten worden en was tegelijk een uithuizig type. ,,Het reizen gaf hem ideeën. Schrijven was altijd zijn passie geweest. Toen hij op kantoor zat was er niet de noodzaak om fulltime schrijver te zijn. Pas toen het bedrijf failliet ging en hij met driehonderd man op straat kwam te staan, werd dat een soort ‘moeten’; hij had een vrouw en kind om voor te zorgen. Maar het duurde even voordat hij als schrijver op gang kwam, doorbrak naar een groot publiek en zelfstandig inkomsten genereerde.’

Bob den Uyl oogstte vrijwel onmiddellijk succes met zijn bundels ‘Vogels kijken’ (1963) en ‘Een zachte fluittoon’ (1968), waarin misschien wel zijn mooiste verhalen staan (‘Oorlog is leuk’ en ‘Brekend glas’). Het vroege werk van deze ironische melancholicus was absurdistisch en vervreemdend, Kafkaiaans. Later, zoals in zijn bekendste titels ‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’ (1975) en ‘Een zwervend bestaan’ (1977), verschuift het perspectief naar autobiografische, droogkomische verhalen, waarin hij veel schrijft over zijn reizen die hij per trein of op de fiets aflegt, wat Den Uyl het imago van fietsende schrijver gaf. Opvallend daarbij is zijn oog voor het ongewone. Keuning: ,,Ik heb bij wijze van ironisch commentaar een citaat uit zijn succesvolste bundel (‘Gods wegen zijn duister en zelden aangenaam’) achter op het boek laten drukken: ‘Een waarschuwing: in dit boek gebeurt niets.’ Net als Gerard Reve kon Den Uyl overal over schrijven en tegelijkertijd nergens over. Er hoeft niets te gebeuren, schrijven is een kwestie van stijl.’

Leven, en niet malen om je gezondheid.’ Dat was zo’n beetje Bob den Uyls levensmotto. Als 17-jarige schreef hij in zijn agenda: ‘Rook te veel. Moet minder worden! Doe wat je wilt, dood ga je toch. Aan het hiernamaals geloof ik niet.’ Den Uyl bleef zijn leven lang roken als een ketter en was een stevige innemer van jenever. Keuning: ,,Zijn instelling was: er is toch niks na het leven, je moet nu genieten. Voor zover zijn karakter, angsten en neurotische eigenschappen dat toelieten, heeft hij dat gedaan.’’ Hij was een meester in het vallen. Menigeen heeft hem van een barkruk zien vallen of op straat onderuit zien gaan, maar wonder boven wonder bracht hij het er altijd weer ongeschonden vanaf.

Na de mulo werkte Den Uyl ruim twintig jaar als kantoorbediende, onder andere op het scheepvaartkantoor van Van Nievelt, Goudriaan. De slungelachtige klerk met zijn lome motoriek speelde in de avonduren in een jazzband. ,,In hem brandde het schroeiend verlangen rijk en beroemd te worden. Aanvankelijk als jazztrompettist, maar toen hij merkte dat hij daar niet goed genoeg in was, begon hij te schrijven. Bovendien waren die optredens met zijn band tamelijk slopend, met al die drank. De trompet heeft hij weggedaan, maar hij is wel blijven drinken, roken en schrijven. Tegen het eind van zijn leven zet hij nog één keer een trompet aan zijn lippen, maar hij krijgt er geen geluid meer uit. Zijn longen zijn dan al te veel aangetast door longemfyseem.’’

Stak Den Uyl als trompettist op het podium met kop en schouders boven zijn medemuzikanten uit, als schrijver wilde hij in het openbaar het liefst onzichtbaar blijven. ,,Soms kwam hij voor een lezing niet opdagen omdat hij plotseling door angsten werd overvallen. Hij dronk zich moed in, wat dan weer leidde tot onverstaanbare optredens. Maar omdat hij bekend stond als een humoristische schrijver had hij wel succes. Je zou kunnen spreken van een soort cabareteffect. Er werd al bij voorbaat gelachen, terwijl wat hij vertelde lang niet altijd komisch bedoeld was. Zo trad hij eens op in het radioprogramma ‘Een uur Ischa’ van Ischa Meijer. Het gesprek kwam op boekrecensies. Den Uyl zei: ach, het is helemaal niet belangrijk wat er in zo’n recensie staat, het gaat erom hoe groot zo’n stuk is, of er een grote of kleine foto van je bijstaat, de prijs van het boek. Hij zei dat in nuchtere ernst, maar de mensen vonden het allemaal heel komisch. Hij zei het ook op zo’n droge manier, aarzelend, in zangerig Rotterdams.’’

Opvallend is de bescheiden rol die de vrouw en zoon van Den Uyl in de biografie spelen. Keuning: ,,Zijn vrouw Toos Maes was 84 toen ik haar ontmoette. Zij is tien jaar ouder dan Bob. Ze zijn in 1956 getrouwd. Bob was 26, zij 36. In 1960 is hun enig kind geboren, zoon Hugo. Mevrouw Den Uyl heeft niets met literatuur, de kunstwereld en het schrijversleven van haar man. Die zaken hoorden bij Bob, daar bemoeide zij zich niet mee. Ik heb tijdens de Tour de France een middag naast haar gezeten in haar bejaardenflatje aan de Statensingel. Ze heeft die echte, nuchtere Rotterdamse humor. We keken samen naar de Tour – in huize Den Uyl staat altijd de tv aan. Even had ik het gevoel dat ik Bob was. Zo was het dus. Bob was een wankele man, vaak ziek. Toos was er altijd voor hem. In die zin was het een goed huwelijk.’’

Zoon Hugo is het evenbeeld van zijn vader. ,,Ik weet nog de eerste keer dat ik bij hem aanbelde. Na enige tijd ging de deur open. Ineens stond ik oog in oog met Bob den Uyl! De lengte, het haar, blote voeten. Hugo is sprekend zijn vader, met dat verschil dat Hugo niet schrijft. Hij heeft daartoe geen enkele ambitie en betwijfelt of hij ooit iets van Den Uyl had gelezen als de schrijver niet zijn vader was geweest. Hugo heeft mij de gehele nalatenschap van zijn vader ter beschikking gesteld, zonder enige restrictie. Een groots gebaar, dat ik bijzonder waardeer. Ik kon ermee doen wat ik wilde.’

Kijkt de biograaf na al het gewroet in Den Uyls leven nu anders tegen hem aan?

,,Als schrijver is hij mij heel sympathiek gebleven, hoewel ik me af en toe ook aan hem erger. Maar dat hoort bij zijn schrijverschap; hij beschrijft de achterkant van de werkelijkheid. Daarin ligt zijn kracht. Maar soms dacht ik wel: ga nu eens dieper op de zaak in, laat iets van je gevoel zien, laat eens iets merken van je kennis van de wereldoorlogen. Daarvan vind je weinig terug. Steden en plekken uit de oorlogen vormen vaak zijn reisdoel, maar hij zegt er zelden iets over. Het doel is bijzaak. Hij is de meester van het zijpad. Dat is de kracht van zijn schrijverschap en daar kun je geweldig om lachen.’’

 

Nico Keuning: ‘Een zeker onbehagen. Een biografie van Bob den Uyl’. Uitgeverij Thomas Rap, 509 blz.

 

Bob den Uyl is nog

springlevend’

 

Aan de zijgevel van het Nationaal Onderwijsmuseum in Rotterdam hangt, als een immens kunstwerk, het rapport van Bob den Uyl van de vierde klas lagere school. Toch leek het erop dat de eens zo populaire Den Uyl na zijn dood in de vergetelheid zou raken. Het tij keerde nadat de redactie van de VPRO Gids de VPRO Bob den Uyl Prijs voor reisliteratuur in het leven had geroepen. ‘Bob den Uyl is nog springlevend’, concludeert zijn biograaf Nico Keuning aan het slot van zijn boek enigszins ironisch. ,,Die uitspraak heeft twee betekenissen: aan de ene kant bestaat de wereld van Bob den Uyl niet meer. Dat merk je als je in zijn sporen reist. Bijvoorbeeld door Duitsland. In de tijd van Den Uyl werd er over de Tweede Wereldoorlog nog veel ontkend, tegenwoordig staan overal Denkmahlen, monumenten en musea die het publiek alles over de Holocaust laten zien. Zelfs op de Obersalzberg, het voormalig Hitler-Gebiet. Aan de andere kant spreekt de wereld die Den Uyl beschrijft nog steeds tot de verbeelding. Het is de wereld van vreemde verschijnselen en onuitroeibare misverstanden, die wereld is tijdloos en wordt door lezers nog steeds herkend, zeker in de verhalen van Den Uyl.’

Den Uyl had een haat-liefdeverhouding met Rotterdam, de stad waar hij zijn leven lang woonde. ,,Hij was een chauvinist zodra men Rotterdam aanviel, maar onder Rotterdammers zei hij: Als je niet voortdurend een loflied zingt op De Hef of het Witte Huis word je hier arrogant gevonden. Het moet altijd over Rotterdam gaan. Hij was als de dood om als Rotterdamse schrijver bestempeld te worden. Hij was een Nederlandse schrijver die toevallig in Rotterdam woonde.’’

 

Februari, 2008

UA-37394075-1