Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Boudewijn Büch, een jongen die geen geluk kon verdragen

De in 2002 overleden Boudewijn Büch was een gekweld mens die altijd voor het leven op de vlucht was. Van hem verscheen postuum de roman ’Het geheim van Eberwein’, min of meer het vervolg van zijn bekendste boek ’De kleine blonde dood’ (1985).

 

Met het verscheiden van Boudewijn Büch (1948-2002) ging een spraakmakende (televisie)persoonlijkheid verloren. Bij zijn dood werd uitvoerig stilgestaan, en in de necrologieën werd aangehaald hoezeer bij deze schrijver waarheid en verdichting door elkaar liepen. Geen schrijver ontkomt daar overigens aan, maar Büch ging nog een stapje verder. Hij zou, bleek achteraf, nooit in een psychiatrische jeugdinrichting hebben gezeten, hij had geen gestorven zoon en zijn vader had geen zelfmoord gepleegd. Büch bleek zozeer in zijn eigen verzinsels op te zijn gegaan, dat ze voor hem de enige waarheid werden. En zo herschiep hij zijn verleden, creëerde hij zijn eigen mythe, waarin hij als een zwarte romanticus kon zwelgen.

Over Büch werd ook opgemerkt dat hij zijn tijd zozeer vulde met trivialiteiten, met zijn immense boekencollectie, zijn reizen, zijn passie voor Goethe en Mick Jagger, met stukjes schrijven, het maken van een tv-programma en reclamespotjes, dat zijn literaire arbeid erbij inschoot. En dat hij, óók door een zekere vorm van miskenning waaronder hij leed, als gevolg daarvan zijn literaire talent veronachtzaamd had. Daarin werd hij wel vergeleken met Godfried Bomans, die indertijd ook veel van zijn tijd met publieke optredens zou hebben vermorst en daardoor nooit de grote roman had kunnen schrijven die in hem zat. Mooie hypotheses allemaal, die een hardnekkig leventje zijn blijven leiden. De werkelijkheid is vaak prozaïscher. Vermoedelijk zat er bij beiden niet meer in het vat: ze hebben geschreven wat ze konden en wat ze in zich hadden, en dat was het.

Van Boudewijn Büch (geboren te Wassenaar) – het trema had hij erop gezet om zijn naam Duitser te laten klinken – was echter wel bekend dat hij al jaren werkte aan een nieuwe roman. Dat is nu ’Het geheim van Eberwein’ geworden. Het is weliswaar geen meesterwerk, daarvoor bevat het teveel gebreken, maar het is wél een boek waarin Büch laat zien hoezeer hij als romancier gegroeid was.

Het boek is min of meer het vervolg op zijn bestseller ’De kleine blonde dood’, de spil van zijn werk, over een vader die met zichzelf in de knoop zit, een zoon die worstelt met zijn identiteit en een kind dat daarvan de dupe lijkt te zijn geworden. Het keert allemaal terug in ’Het geheim van Eberwein’: de door de oorlog getraumatiseerde vader, de door zijn vader geobsedeerde zoon, het jonggestorven zoontje, de benepen jaren vijftig, het duinlandschap nabij Wassenaar, Goethe. De thema’s zijn onverwerkt leed, een wanhopige vaderbinding, faal- en verlatingsangst, eenzaamheid. Het verschil is dat de schrijver nu met veel meer afstand, bezonkener en bespiegelender op zijn verleden kan terugkijken.

De verteller in ’Het geheim van Eberwein’ heet – niet toevallig – Boudewijn. In de verteller blijf je ook, of je wilt of niet, de schrijver Boudewijn Büch zien zonder dat dit overigens storend is. Hij is een volmaakt onaangepaste figuur die ’geen geluk kan verdragen’. Als vijftigjarige kijkt hij terug op zijn leven. Hij vertelt over zijn vader, ’Vati’, vanwege diens Duitse komaf. Deze Vati is een wonderlijke kerel, een eenkennige melancholicus die lijdt aan het verleden waarnaar hij hevig blijft verlangen. Hij heeft een rampzalig huwelijk en terroriseert het huisgezin. Zijn ’jonge vriend’ Boudewijn is echter zijn oogappel, die hij vertroetelt. Hij bezoekt met zijn zoon musea en bibliotheken (’de paleizen van papier’) en onderwerpt hem geregeld aan een kruisverhoor om zijn kennis te vergroten en om te voorkomen dat hij ’net als iedereen dom’ zou blijven. Boudewijn wordt echter door zijn broers gekleineerd. En hij kan niet overweg met zijn moeder die ’nooit iets aardigs tegen mij heeft gezegd’. Als de ouders scheiden en de vader vertrekt, voelt de jongen zich overal en door iedereen in de steek gelaten. Daarnaast vertelt hij over zijn jonggestorven zoon Micky en over zijn veel jongere vriendin Claudine in wie de verteller ’zich gespiegeld ziet’.

De verteller leeft ’in het fotoalbum van zijn jeugd’. Hij kan maar niet loskomen van zijn ’intense vaderbinding’. Die vader krijgt in dit boek welhaast mythische proporties. De verteller daarover: ’Mijn hele leven was ik al bezig om mijn vader uit mijn herinnering, mijn leven en al mijn gedachten te bannen, maar het lukte niet. Ik wilde hem niet kwijt omdat ik hem haatte, integendeel, maar ik begon als late twintiger te merken dat zijn alomtegenwoordigheid een fnuikende invloed op mij had. Dat ik alle boeken was gaan lezen die hij ook had gelezen, was een eigenaardigheid waar ik mee kon leven (een deel van zijn boekenverzameling was in mijn bezit geraakt), maar toen ik probeerde te gaan lopen zoals hij gelopen had, begon ik mij zorgen te maken.’

Boudewijn reist door Duitsland om het verleden van zijn vader te reconstrueren: ’Wanneer ik in de verte een heer met een hoed op aan zag komen lopen, dacht ik: daar heb je hem. Hij was het nooit en toch was hij overal en altijd aanwezig in Duitsland.’ Hij komt op het spoor van ene Eberwein, een vergeten Duitse musicoloog, door wie zijn vader gebiologeerd is geweest. Zo had Eberwein een toneelstukje van Goethe getoonzet, waarvan zijn vader met veel pijn en moeite een pianoversie had gemaakt. Het is de rode draad in het boek.

De toon van ’Het geheim van Eberwein’ is droefgeestig en melancholisch, berustend ook, maar een zekere lichtvoetigheid zorgt ervoor dat de zware thematiek draaglijk blijft. De roman is zoals Büchs vorige boeken in een klare en directe stijl geschreven. Met zinnetjes die karakteristiek zijn voor de schrijver, zoals: ’Er is geen grotere vorm van intimiteit dan het openen van een kastje.’

Büch – geen groot stilist – hanteert soms een babbeltaaltje. Hij lijkt zich ook nauwelijks te bekommeren om stroeve en rare zinnen (’Het was het ergst in bed liggen dat mogelijk was’). De dialogen zijn soms houterig. En het verhaal balanceert nu en dan op de grens van pathos en sentiment. Maar het zijn kleinigheden die je voor lief neemt in een boek dat met zoveel gedrevenheid is geschreven. En dat ontroert dankzij dat aandoenlijke ventje én die zonderlinge volwassen kerel in wie dat gekwelde jongetje met zijn extreme vaderbinding altijd is blijven schuilen.

 

Boudewijn Büch: ’Het geheim van Eberwein’, 195 blz, uitgeverij De Arbeiderspers.

 

Februari, 2003

UA-37394075-1