Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Camille Claudel: ongeluksvogel tussen krankzinnigen

Camille Claudel (1864-1943) was een begaafde Franse beeldhouwster. Ze was de leerlinge, geliefde én muze van de beroemde beeldhouwer Auguste Rodin. Toen het tweetal met elkaar brak, werd Camille paranoïde. Ze werd opgesloten tussen krankzinnigen: dertig jaar van haar leven sleet ze in inrichtingen. Maar gestoord of niet, veel van haar brieven, ook die ze in het krankzinnigengesticht schreef, geven blijk van een buitengewoon speelse, opstandige en creatieve geest.

 

Vlak na haar dood was ze vrijwel vergeten. Lange tijd waren er ook maar weinig sporen van haar terug te vinden. Haar graf was allang geruimd. Maar in de jaren tachtig van de vorige eeuw stond Camille Claudel ineens weer midden in de belangstelling. Niet zozeer vanwege haar werk, maar dankzij de biografie ’Camille Claudel, een vrouw’ van Anne Delbée en de film ’Camille Claudel’ van Bruno Nuyten met Isabelle Adjani en Gérard Depardieu in de hoofdrollen.

 

 

Claudels postume roem is enigszins te vergelijken met die van Vincent van Gogh, min of meer een tijdgenoot van haar, wiens faam in de eerste plaats ook te danken is aan de mythe: het tragische verhaal van de gek geworden kunstenaar die pas na zijn dood roem verwerft. Hierdoor lijkt de kunst zelf soms pas op de tweede plaats te komen. In het geval van Claudel is het, anders dan bij Van Gogh die immers over zijn ’eigen museum’ beschikt, bovendien veelzeggend dat haar beelden worden tentoongesteld in Musée Rodin in Parijs. In een aparte zaal, dat wel.

 

Ook in het brievenboek ’Camille Claudel. Een leven in brieven’ ligt het accent op het tragische leven van de kunstenares. Een leven dat zich voor een groot deel afspeelde achter de dikke muren van het gesticht, toen de kunstenares allang niet meer beeldhouwde. Brieven schreef ze daar wel in groten getale. Ze was een verwoed briefschrijfster met een scherpe pen. Net als Van Gogh.

 

BEZETEN VAN KLEIEN

 

Camille Claudel groeide ten noorden van Parijs op in een bourgeoisfamilie. Ze was van jongs af aan bezeten van kleien. Op haar zeventiende ontmoette ze de dan al bekende beeldhouwer Auguste Rodin (1840-1917). Ze ontving hem in haar eigen atelier, waar hij langskwam om aanwijzingen te geven. Het was het begin van een onstuimige liefdesaffaire tussen Rodin en de 24 jaar jongere kunstenares, die zijn muze en gezellin in de kunst werd. Wie op het omslag van het brievenboek het dwingend portret ziet van de jonge Camille, van deze ravissante schoonheid met haar donkere ogen en sensuele mond, kan zich bij Rodins hevige verliefdheid wel iets voorstellen. Maar hoe verliefd hij ook was, hij bleef bij de jeugdvriendin van wie hij kinderen had.

 

IK KAN U NIET BEHOEDEN VOOR HET KWAAD’

 

In die tijd schreef Camille al prachtige brieven, diep en rebels van inhoud, speels en licht spottend van toon. Aan Rodin schrijft de 22-jarige kunstenares bijvoorbeeld:

 

’Het spijt me te horen dat u weer ziek bent. Ik weet zeker dat u weer flink hebt zitten schransen tijdens die vervloekte diners van u met die vervloekte mensen die ik haat, aan wie u uw tijd en uw gezondheid verspilt zonder er iets voor terug te krijgen. Maar ik houd mijn mond erover, want ik weet dat ik u toch niet voor het kwaad dat ik zie kan behoeden.’

 

Hoe tegendraads en eigenzinnig Claudel is, blijkt uit een vragenlijstje dat ze als 24-jarige voor een vriendin invulde. Op de vraag: wat zijn uw favoriete eigenschappen van de man, antwoordt ze: ’Zijn vrouw gehoorzamen.’ Vraag: Favoriete eigenschappen van de vrouw? Antwoord van Camille: ’Haar man op de kast jagen’. Vraag: Uw favoriete dichter? Antwoord: ’Iemand die geen verzen schrijft.’ Vraag: Welke fouten ziet u het makkelijkst door de vingers? Antwoord: ’Ik tolereer alle fouten van mijzelf, maar die van anderen volstrekt niet.’

 

ZE VERPIETERDE IN DE SCHADUW VAN RODIN

 

Weldra ging het mis tussen Claudel en Rodin. De prille kunstenares verpieterde in de schaduw van Rodin. Rodin zag in haar bovendien een rivale, ook al werd hij almaar beroemder en triomfeerde hij met beelden die grensverleggender waren dan de hare. Een aantal daarvan was vermoedelijk geïnspireerd op haar ideeën. Maar zíjn radicaliteit werd geaccepteerd, de hare niet. Camilles broer, de diplomaat-dichter Paul Claudel zei na haar dood, even veelzeggend als pathetisch:

 

’Al die wonderbaarlijke gaven die de natuur haar had verschaft, hebben alleen maar gediend om haar ongeluk te brengen.’

 

 

Nadat het mateloos ambitieuze duo met elkaar brak, werd Camille krankzinnig. Zo wilden de kronieken dat indertijd tenminste. Maar was ze wel krankzinnig? Claudels latere biografen betwijfelen dat. Ook Anneke Alderlieste, die een royale keuze uit haar brieven maakte die ze schreef tussen 1886 en 1936, en deze ook vertaalde, zet vraagtekens bij de jarenlange opsluiting. Maar ’zeker is dat ze geestelijk ziek was’, schrijft zij in haar voorwoord dat tegelijk een beknopte biografische schets is. Alderlieste is er echter van overtuigd dat ’als Camille nu geleefd had, er een grote kans was geweest dat ze met medicijnen een redelijk zelfstandig leven had kunnen leiden’.

 

IK BEN IN DE AFGROND GEVALLEN’

 

Hoe het zij, Claudel leed zwaar onder een gebrek aan erkenning. Ze dacht dat iedereen met Rodin samenzwoer om haar het werk onmogelijk te maken en haar zodoende roem te onthouden. Uit frustratie sloot ze zich op in haar huis, vereenzaamde, begon aan wanen te lijden, en sloeg (veel van) haar beelden aan gruzelementen. Vervuild, verwilderd en paranoïde werd ze op 49-jarige leeftijd, op voorspraak van haar moeder, in een gekkenhuis opgesloten waar ze tot haar dood bleef. Eenzaam tussen de krankzinnigen. Nieuwe beelden kwamen niet meer uit haar handen. Schrijven deed ze des te meer. Aan een vriend schreef ze in die tijd:

 

’Ik ben in de afgrond gevallen. Van de droom die mijn leven was, is dit de nachtmerrie.’

 

IK BEN DOOR EEN WERVELSTORM OPGETILD’

 

Maar hoe gruwelijk haar lot ook was, haar brieven blijven aanvankelijk wonderlijk licht en speels van toon. In 1913, als ze pas in ’ballingschap’ is, schrijft ze aan een kennis:

 

U hebt vast al gehoord over mijn zonderlinge avonturen en wat er daarna gebeurd is. Tot slot ben ik door een wervelstorm de lucht in getild, ikzelf en mijn atelier, maar op de een of andere manier zijn mijn gipsbrokken regelrecht in de zak van Rodin en consorten gevlogen, terwijl ik, ongeluksvogel, keurig achter de tralies beland bleek te zijn, in gezelschap van verscheidene krankzinnigen. Ik doe mijn uiterste best mijn plaats in dit beminnelijk genootschap waardig te bezetten: ik sla er geen al te slecht figuur!’

 

De licht spottende toon wordt gaandeweg verbeten. Haar brieven, die de kliniek zorgvuldig bewaarde (háár post werd onderschept), worden langer. En hartverscheurender. Haar hartenkreten op papier komen steeds meer neer op schreeuwen om vrijheid: ’Hoe komt het dat je me sedert die tijd niet één keer hebt geschreven en dat je me niet opnieuw bent komen opzoeken. Denk je dat het leuk is voor me om maanden, jaren achtereen zo zonder enig bericht, zonder enige hoop te zitten!’ schrijft ze in 1915 in een brief vol verwijten aan haar broer Paul die zijn zuster in totaal elf keer komt opzoeken. Camille heeft haar hardvochtige moeder nooit meer gezien, ondanks haar smeekbeden en brieven vol verstikkende wanhoop, onder meer over de erbarmelijke toestand waarin ze verkeert:

 

Wat de kamer betreft is het hetzelfde liedje’, schrijft ze in 1927, ’er is helemaal niets, geen dekbed, geen toiletemmer, niets, een waardeloze po, driekwart van de tijd gebarsten, een waardeloos ijzeren bed waarin je de hele nacht ligt te rillen (ik die ijzeren bedden haat, je moet zien wat een moeite ik heb daarin te liggen)’.

 

Camille Claudels gezondheid verslechtert mettertijd. Ze ziet er, zoals een zeldzame foto van haar uit de jaren dertig laat zien, uit als een verschrompeld oud besje. Ernstig verzwakt treft broer Paul haar vlak voor haar dood in het gesticht aan, waar ze dan op de kop af dertig jaar zit opgesloten. Hij schrijft, schuldbewust:

 

De zuster zegt dat ze kinds is. Op haar brede gezicht, met dat nog altijd prachtige voorhoofd, ligt een blije, kinderlijke uitdrukking. Er wordt me gezegd dat ze alom bemind is. Bittere, bittere spijt dat ik haar zo lang alleen heb gelaten.’

 

Camille Claudel, een leven in brieven’. Samenstelling en vertaling: Anneke Alderlieste. Uitgeverij Meulenhoff. 261 pag.

 

Juli, 2003

UA-37394075-1