Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Carry Slee: ‘Als je opgroeit in een onveilige omgeving, volgt automatisch angst”

Hoe is het om op te groeien in een gezin met een neurotische moeder in wier ogen je vader een kluns is die niet wil deugen en volgens wie je zus en jij altijd alles fout doen? Carry Slee (1949), de bekende schrijfster van kinder- en jeugdlectuur, maakte het mee en schreef er veertig jaar later een (autobiografische) roman over. Een verrassend boek, dit ‘Moederkruid’ zoals haar eersteling voor volwassenen heet.

 

Moederkruid’ is het ‘mooiste boek’ dat ze tot dusver schreef, daarvan is ze overtuigd. ,,Aan dit boek heb ik met het meeste plezier gewerkt, en het is prettig dat je iets wat zo dicht bij je staat, toch op zo’n afstandelijke wijze heb kunnen schrijven,’’ zeg de schrijfster tijdens het gesprek in haar woning in Bergen.

Een bescheiden lachje siert haar mond als ze van haar eerste ‘triomf’ rept: de eerste druk ligt nog niet in de winkel of er zijn al 10.000 exemplaren in de boekhandel uitgezet. Voor een literair debuut is dat buitengewoon, voor een boek van Slee natuurlijk niet, haar boeken voor de jeugd van 12+ halen met achteloos gemak een oplage van 60.000.

 

In ‘Moederkruid’ zien we door de ogen van een meisje van acht/negen het gemodder van de volwassenen, die zelf nog kinderen zijn.

 

Maar Carry Slee is op een andere manier trots op haar ‘Moederkruid’. Haar eerste literaire roman laat namelijk een volslagen andere Carry Slee zien dan we gewoon zijn van deze kinder- en jeugdboekenschrijfster wier boeken voor pubers als ‘Spijt!’, ‘Bikkels’ (kinderboekenweekgeschenk 1999), ‘Kappen!’ en “Razend’ recordoplagen haalden. Mogen haar jeugdboeken door (literaire) critici meestal zuinig worden onthaald vanwege het sentiment, het nadrukkelijke engagement (discriminatie, zinloos geweld), de pathos en de moralistische inslag, kritiek waar kinderen en pubers trouwens geen enkele boodschap aan hebben, in ‘Moederkruid’ ontbreekt dit ten enenmale.

In ‘Moederkruid’ zien we door de ogen van een meisje van acht/negen het gemodder van de volwassenen, die zelf eigenlijk nog kinderen zijn. De naamloze hoofdfiguur, het alter ego van de schrijfster, en haar oudere zus Els(je) proberen zich staande te houden in een gezin waarin de ouders voortdurend bekvechten. Wanneer de kleermakerij van hun vader failliet gaat, verhuist het gezin naar een andere buurt (in Amsterdam). Volgens de moeder, die aan smetvrees lijdt, contactgestoord is en het met iedereen aan de stok krijgt, wonen ze hier beneden hun stand. De kinderen mogen zich daarom met niemand bemoeien, gaan in een andere buurt naar school. De zaken van de vader, die de vertelster liefkozend ‘mijn jongen met een spleet’ noemt, gaan belabberd, de ouders vliegen elkaar voortdurend in de haren, en de kinderen raken steeds verder in een isolement. De ruzies, de angst en misère worden zowel de kinderen als de moeder bijna fataal.

 

,,Iedereen herkent er wel iets in. De afwijzing, de angst, de onveiligheid. Maar ook een reactie als: bij ons was het allemaal heel anders.”

 

Het ontbreekt in het gezin aan vertrouwen, aan veiligheid. Er is altijd de angst dat er iets onherstelbaars, iets afschuwelijks, iets onherroepelijks gebeurt. Carry Slee: ,,Als je opgroeit in zo’n onveilige omgeving, dan komt daar automatisch angst bij. Een voortdurende angst. ’s Avonds nooit rustig je ogen kunnen sluiten, dat gevoel. Dat je nooit eens kunt denken: de volwassenen redden het wel.’’

De ontluikende seksualiteit van de meisjes, de onderlinge rivaliteit, de vriendschap die van de een op de andere dag zomaar wordt opgezegd, de wreedheid onder kinderen, de groteske misverstanden tussen volwassenen – het wordt allemaal glashelder en zonder scrupules beschreven, in soms roerende en schrijnende, dan weer geestige passages.

,,Sommige mensen zullen er veel in herkennen. Iedereen herkent er wel iets in. De afwijzing, de angst, de onveiligheid. Maar ook een reactie als: bij ons was het allemaal heel anders. Hoe zit dat? Het boek roept, denk ik, wel iets op om over na te denken, om over na te praten.’’

 

,,Ik weet wat ik schrijf, makkelijk toegankelijke boeken. En daarvan kan ik me voorstellen dat ze niet tot de literatuur gerekend worden.’’

 

Carry Slee, in 1949 in Amsterdam geboren, volgde na de middelbare school een opleiding aan de Academie voor Expressie door Woord en Gebaar. Na het behalen van haar diploma werkte zij als dramadocent. Haar dochters vertelde ze zelfverzonnen verhaaltjes, die ze nadien opschreef. Haar eerste boek verscheen in 1989, ‘Rik en Roosje’. Daarna volgden er nog 42, boeken voor kleuters en lezers vanaf 9 jaar, en boeken voor 11 jaar en ouder.

Geliefd bij de jeugd, gehekeld door de critici. Gaat ze daaronder gebukt? ,,Nee, ik lijd daar helemaal niet onder’’, zegt ze, en dat klinkt oprecht. ,,Ik weet wat ik schrijf, makkelijk toegankelijke boeken. En daarvan kan ik me voorstellen dat ze niet tot de literatuur gerekend worden.’’ De kinderjury’s, die haar boeken steevast bekronen, denken niet in dergelijke termen, ‘nee, die vinden mijn boeken gewoon mooi’.

Moederkruid’ komt voort uit een manuscript dat ze twaalf jaar geleden schreef. Ze stuurde het pak toen op naar de literaire uitgeverij De Bezige Bij, die het vervolgens retourneerde. ,,Je kunt wel schrijven, zeiden ze daar, maar het verhaal zit zo niet goed in elkaar.’’

 

,,Je wordt steeds beter, je verfijnt je techniek, je gaat je vak steeds beter verstaan.”

 

In de tijd dat ze haar kinder- en tienerboeken schreef, en het ene na het andere succes publiceerde, bleef dit boek haar achtervolgen, waarvan ze achteraf blij was dat het op de plank was blijven liggen. Het zat indertijd nog te dicht op haar huid, ze moest eerst afstand nemen en zoeken naar de juiste toon voor het boek. ,,Door in die twaalf jaar hard te blijven werken, door maar te blijven schrijven, ben ik gegroeid. Je wordt steeds beter, je verfijnt je techniek, je gaat je vak steeds beter verstaan. Ik kan nu veel meer met de taal spelen dan in het begin. Ik ben blijven zoeken naar de juiste toon waarop ik het verhaal verteld moest worden.’’

 

,,Je moet lezers de ruimte geven voor hun eigen interpretaties.’’

 

Moederkruid’ is in korte, afgemeten zinnen geschreven, gebeiteld bijna – ofschoon Slee niet aan beelden en metaforen doet. Alsof ze zich er geen tijd voor gunt, het houdt het verhaal maar op, verder, verder, verder, lijkt ze zichzelf tijdens het schrijven steeds toegeroepen te hebben. Het verhaal, vertel je verhaal, en verder geen franje.

,,Dat is hier uiteindelijk gelukt, denk ik. Vorm en inhoud moeten één zijn. Het moet fris en direct van taal zijn. En afstand bewaren, dat is heel belangrijk, anders is een verhaal als dit niet te lezen, anders wordt het een veredeld soort dagboek. Je moet lezers juist de ruimte geven voor hun eigen interpretaties.’’

Tegelijk biedt het boek een doorkijkje in de late jaren vijftig van de vorige eeuw, toen de samenleving nog overzichtelijk was, Nederland drukdrukdruk aan de wederopbouw bezig was en het bestaan hard, ruw en rauw was. Voor Carry Slee was haar jeugd een kille, grauwe tijd, zoals ze het ook in haar boek beschreven heeft. ,,Ik heb mijn hele jeugd in Amsterdam gewoond. Na mijn twintigste ben ik deze kant (naar Alkmaar, Bergen, red.) opgekomen, en toen ik hier eenmaal was, wist ik dat ik er nooit meer weg zou gaan. Het is een prachtige omgeving. Ik kwam erachter dat ik helemaal geen stadsmens ben. Hier voel ik veel meer de rust die bij me past.’’

 

,,Ach, ze bestaan nu eenmaal, zulke moeders met gebreken. Als kind weet je niet beter, je denkt dat dit bij iedereen wel zo is.”

 

Een afrekening kun je haar boek niet noemen. Daarvoor worden de figuren in het boek toch te liefdevol en te meedogend beschreven, niet alleen de oudere zus, maar ook de vader, en zelfs het secreet van een moeder tegen wie inderdaad geen kruid is gewassen. Het moet voor een kind een ramp zijn om zo’n moeder te hebben, als romanfiguur is ze echter een zegen.

,,Ach’’, zegt Slee, ,,ze bestaan nu eenmaal, zulke moeders met gebreken. Als kind weet je niet beter, je denkt dat dit bij iedereen wel zo is. Kinderen nemen van hun ouders ook alles als vanzelfsprekend aan. Wat zij zeggen zal wel waar zijn. Dat is het gekke.’’

Haar zus, aan wie ze ‘Moederkruid’ heeft opgedragen, heeft ze het boek van tevoren laten lezen. Ze reageerde lovend, ja, zoals jij het beschreven hebt, zo was het. Sterker, er waren gebeurtenissen geweest die haar zuster nog wel meer geaccentueerd had willen zien. ,,Waarom heb jij dat en dat niet verteld? vroeg ze.’’ Er waren voorvallen die Slee zelf was vergeten, die ze had verdrongen, of die ze zelf lang niet zo sterk had beleefd. ,,Zoals toen mijn vader weer een keer weg was en mijn moeder mijn zus opdroeg hem te bellen om te zeggen dat hij terug moest komen.’’

 

,,Ik ben gevlucht in het schrijven. Je bent er niet of je bent er wel.”

 

,,Mijn zus en ik zochten, dat is natuurlijk achteraf bekeken, steeds een ontsnappingsmogelijkheid. Dat doen we ons hele leven eigenlijk al. Ik ben gevlucht in het schrijven. Je bent er niet of je bent er wel. Op mijn zus moet de zondagsschool (het gezin was niet godsdienstig, maar de ouders wilden zondagochtend graag uitslapen, red.) veel meer indruk hebben gemaakt dan op mij. Zij geeft nu ademtherapie, het is niets zweverigs, maar ook weer niet alledaags. Ik kan me dat in haar geval goed voorstellen. We hebben allebei voor iets gekozen wat ons uit de dagelijkse realiteit haalt.’’

Net als haar eigen moeder – haar ouders zijn overleden – heeft ze twee dochters, volwassen vrouwen inmiddels. ,,Ik ben gelukkig in staat geweest om het anders te doen,’’ zegt ze bijna fluisterzacht. ,,En hoe mijn dochters reageerden op dit boek? Ze vonden het ontroerend. Ze vonden het heel bijzonder.’’

 

,,Mooi en toch toegankelijk, zo moet het zijn.”

 

Moederkruid’ betekent een omslag in haar boeken voor de jeugd. ,,Natuurlijk, zegt ze bedachtzaam, ,,als je eenmaal zoiets gedaan hebt, gaat het ook doorwerken in je boeken voor kinderen. Ik zoek daar nu ook een nieuwe stijl voor.’’

Indertijd heeft ze onder het pseudoniem Sofie Mileau een aantal literaire jeugdboeken geschreven, maar die waren (commercieel) geen succes. ,,Ze waren ook té literair’’, denkt ze. ,,Heel poëtisch ook.’’

Is ze niet bang daarmee haar jeugdige fans van zich te vervreemden? ,, In mijn kinderboeken zoek ik nu een soort mix tussen die twee. Mooi en toch toegankelijk, zo moet het zijn. Ontoegankelijkheid, dat past niet bij mij. Dat past ook niet bij al die kinderen die blij zijn met mijn werk.’’

 

Carry Slee: ‘Moederkruid’, 210 blz, uitgeverij Prometheus, Amsterdam.

 

Februari, 2001

UA-37394075-1