Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Conrad Busken Huet, een genadeloze brokkenmaker

Conrad Busken Huet (1826-1886) begon als gepassioneerd dominee en werd een meedogenloze criticus. Met Multatuli is hij een van de weinige écht grote Nederlandse letterkundige geesten uit de negentiende eeuw. Olf Praamstra (1950) schreef ‘Busken Huet. Een biografie’. Het fascinerende levensverhaal van een literair begaafde brokkenmaker die voortdurend in opspraak kwam.

 

Conrad Busken Huet leidde als predikant, journalist en letterkundige een enerverend leven. Hij speelde een hoofdrol in het culturele leven van het midden van de negentiende eeuw. Hij voerde strijd tegen alles en iedereen, een strijd die als een rode draad door de biografie loopt: zijn worsteling met het geloof, zijn afkeer van de middelmaat, zijn maniakale verlangen om Nederland op literair gebied op een hoger plan te krijgen, de drama’s in zijn dagelijks leven, zijn geldzorgen, zijn journalistieke arbeid, de fnuikende vriendschappen, de ‘vlucht’ naar Nederlands-Indië. Ze geven het boek een geweldige vaart. En hoe omvangrijk het ook is, wie er eenmaal door gegrepen is zal zich er geen moment bij vervelen. ,,Ja, het is een dik boek geworden’’, erkent biograaf Olf Praamstra die vijf jaar aan zijn boek werkte, ,,maar Huet leidde dan ook een wel heel veelzijdig leven.’’

Praamstra is voorzitter van de opleiding Nederlandkunde/Dutch Studies aan de Universiteit Leiden, bedoeld voor buitenlandse studenten die Nederlands studeren. Waar komt zijn fascinatie voor Huet vandaan? ,,Ik ben hem gaan lezen toen ik Nederlands studeerde. Ik vond toen al dat hij erg goed schreef. Ik ben toen nog meer van hem en over hem gaan lezen en ben in 1991 gepromoveerd op een onderzoek naar zijn literaire kritieken. Ik vond hem buitengewoon boeiend, en ook de negentiende eeuw begon ik interessant te vinden, omdat het zo’n andere wereld is. Die negentiende eeuw is zo dichtbij en tegelijk zo anders. Nederland is nu een rijk land, toen was het een van de armste landen van Europa. De mensen hadden niks, de kindersterfte was hoog, de voeding slecht. Dertig procent van de mannen in Haarlem haalde niet eens een gemiddelde lengte van één meter zestig.’’

Huet stamde af van een oud Hugenotengeslacht en was het vierde kind in een groot gezin. Na zijn studie theologie in Leiden was hij dominee van de Waalse gemeente in Haarlem. Hij nam in 1862 ontslag als predikant, aanvaardde in 1862 een betrekking bij de Opregte Haarlemsche Courant en schreef daarnaast zijn befaamde ‘Litterarische fantasien en kritieken’ en de monumentale cultuurgeschiedenis ‘Het land van Rembrand’.

Schrijfdwang

Busken Huets onverzadigbare schrijfdwang is legendarisch. Duizenden brieven schreef hij, stuk voor stuk stilistische pareltjes, waaronder talrijke aan zijn vriend, de schrijver E.J.Potgieter. Hij was buitengewoon belezen en intelligent. ,,Hij schreef ontzettend veel. Hij gaf commentaar op alles. Hij houdt zich bezig met theologie, politiek, de literatuur, cultuurgeschiedenis. Door zijn ogen leer je die hele eeuw goed kennen.’’

,,Huet kwam heel rationeel over. Tegelijk was hij een temperamentvolle man. Hij zat boordevol emoties die hij niet altijd onder controle kon krijgen. Dat viel mensen die hem gekend hebben, steeds weer op. Als je hem ontmoette of bij hem thuis kwam, was hij buitengewoon behulpzaam en aardig, maar als het gesprek op iets kwam waarmee hij het niet eens was, kon hij heel driftig reageren. Tijdens een bezoek van Frederik van Eeden maakte hij zich een keer zo kwaad op die arrogante jongens van De Nieuwe Gids, dat hij met z’n vuist op tafel sloeg. Er viel een stilte, maar daarna was zijn boosheid ook weer snel voorbij. Er werd een sigaar gerookt en hij was weer de vriendelijkheid zelve.’’

,,Hij werkte ongelooflijk hard, hij sliep niet meer dan vier uur per nacht, hij was altijd bezig met lezen en schrijven. Dat kon hij bovendien heel erg snel. In zijn stukken zaten nauwelijks doorhalingen. Hij bedacht eerst wat hij wilde schrijven en dan stond het ook in één keer goed op papier.’’

Bijbel

,,Hij was ook heel erg geestig. Hij kon heel ironisch of sarcastisch schrijven. Als hij zich in zijn drift liet gaan, kon dat in een gesprek geen kwaad, maar wel als hij het opschreef, dan kwam het hard aan.’’

Zelf kon Huet slecht tegen kritiek. ,,Hij was daarin overgevoelig. Hij reageerde dan heftig en beet fel van zich af, met als gevolg dat hij nog meer weerstand en irritatie opwekte. Dat maakt zijn leven ook wel tragisch. De eerste dertig jaar van zijn leven is hij gelukkig geweest. Hij ziet er goed uit, is populair, eerst als student, daarna de eerste zes jaar als predikant. Hij lijkt een grote carrière tegemoet te gaan, maar dan publiceert hij zijn omstreden ‘Brieven over den Bijbel’.’’

In die ‘Brieven over den Bijbel’ (1857-1858) wilde Huet de moderne theologie toegankelijk maken voor een breed publiek. Dat boek sloeg in als een bom. ,,Hij wilde het geloof moderniseren, meer aanpassen aan de hedendaagse samenleving. Maar als je te veel interpreteert en te vaak zegt dat je de Bijbel niet al te letterlijk moet nemen, gaan mensen niet moderner geloven maar worden ze ongelovig. En in Huets tijd geloofde iedere Nederlander nog. In 1870 noemde slechts 0,1 procent van de bevolking zich onkerkelijk. Dus in die tijd over de Bijbel schrijven zoals hij deed was ongehoord. Dat zag je ook aan de reacties. Boekhandelaren stuurden het boek terug, mensen spraken erover. Dat boek heeft in één keer zijn reputatie als predikant vernietigd. Op het moment dat de kerkgangers wisten wat hij echt dacht, lustten ze hem niet meer.’’

Genadeloos

Huet wilde Nederland op elk gebied moderniseren. Maar zijn grote betekenis ontleent hij aan zijn literaire kritieken die hij in het (toonaangevende) literaire tijdschrift De Gids schreef. ,,Hij wilde niet alleen van een boek zeggen of het goed of slecht was, hij wilde de Nederlandse literatuur hervormen. Maar om dat te kunnen doen moest hij eerst duidelijk maken dat de schrijvers die toen de toon aangaven geen goede schrijvers waren.’’

Huet was genadeloos. Hij brandde zijn tijdgenoten tot de grond toe af, ongeacht hun reputatie. ,,Voor Huet was het duidelijk: zolang de Nederlanders tevreden waren met mensen als Van Lennep en Beets – indertijd de beste auteurs – zou de Nederlandse literatuur niet beter worden. Dan kregen wij geen Nederlandse Flaubert of Balzac. Daarom introduceerde hij buitenlandse auteurs. Hij was de eerste die de aandacht vestigde op Russische schrijvers als Tolstoj en Dostojevski, op een Engelse auteur als George Eliot, en later op Emile Zola. Hij wilde lezers erop wijzen dat er betere literatuur was, die in principe ook door Nederlanders geschreven had kunnen worden. Hij wilde dat Nederlandse auteurs kritischer op zichzelf werden, dat ze meer hun best deden, de lat hoger legden.’’

Maar er veranderde niets. ,,Nee, en dat is zijn frustratie. Hij dacht: dan probeer ik het zelf wel. Maar hij was geen romanschrijver. Dat is een apart vak. Zijn roman ‘Lidewyde’ is een mislukt boek, vanwege die artistieke gebreken, maar het is wel de interessantste mislukking van de negentiende eeuw.’’

,,Je kunt zeggen dat Huet de Beweging van Tachtig heeft voorbereid, en dat is geen geringe verdienste want die beweging betekent een waterscheiding in onze letterkunde. Op de Tachtigers heeft hij grote invloed uitgeoefend. En zij eerden hem als hun wegbereider. Onze literatuur is daarna ook echt veranderd, dus, denk ik dan, heb je wél iets bereikt.’’

Krantenwerk

Zijn krantenwerk onderging Huet intussen als een vernedering, al was hij een uitstekende journalist. ,,Om dat te kunnen begrijpen moet je naar zijn vriendenkring kijken. De een werd directeur van de Nederlandsche Bank, de ander hoogleraar. Iedereen bereikte iets. En een journalist had in die tijd nu eenmaal weinig prestige. Hij wilde het ook helemaal niet zijn. Hij voelde zich vastgelopen. Hij ging naar Indië om fortuin te maken. Dat mislukte, maar hij kon wel goed de schijn ophouden. Het leek alsof hij als welvarend man terugkwam toen hij zich in Parijs vestigde. Zeker als je ziet in welke fraaie appartementen hij daar heeft gewoond.’’

Hoe groot is zijn betekenis voor ons, 21ste-eeuwers? ,,Huet dacht na over problemen die ons nog steeds bezighouden, over geloof en literatuur, over het bestuur van het land, over de vrouwenemancipatie en een eerlijke verdeling van werk en inkomen. Ook over nationale identiteit heeft hij mooie dingen geschreven. Zijn 19de-eeuwse problemen laten zich gemakkelijk vertalen naar 21ste-eeuwse zaken. Dat wil niet zeggen dat alles wat hij zegt origineel is, maar hij schrijft het zo ontzettend goed op dat hij je dwingt erover na te denken.’’

Huet was de grootste en scherpste criticus van de negentiende eeuw. Is er iemand die je nu met hem kan vergelijken? ,,Als criticus misschien met Kees Fens, al is die veel milder dan hij. In zijn sarcastische commentaar op actuele zaken lijkt hij soms op Piet Grijs (pseudoniem van Hugo Brandt Corstius), maar die schrijft nauwelijks recensies en heeft zich niet beziggehouden met theologie. Wat zijn ‘Brieven over den Bijbel’ betreft en zijn andere publicaties op dat gebied, lijkt hij op iemand als Kuitert die in de twintigste eeuw ongeveer hetzelfde heeft gedaan.’’

En Willem Frederik Hermans? ,,Ja, met Hermans valt hij zeker te vergelijken. In diens ‘Mandarijnen op zwavelzuur’ zit dezelfde ergernis, dezelfde hartstocht, hetzelfde sarcasme. Maar Hermans schreef weer fantastische romans, en dat kon Huet niet.’’

Rembrandt

Huets faam berust behalve op zijn kritieken op ‘Het land van Rembrand’. ,,Huet was sterk Europees georiënteerd, maar hield veel van Nederland. Hij wilde zo graag dat Nederland een land was waarop je trots kon zijn. Waarop je net zo trots kon zijn als een Fransman op Frankrijk en een Engelsman op Engeland. Een land dat zijn eigen Shakespeare had. Maar die hadden we niet en daar baalde hij van. Door erover te schrijven hoopte hij dat mensen zich daarvan bewust zouden worden. En waarom ook niet? Zweedse en Deense auteurs zijn ook wereldberoemd, daar hoef je niet per se een groot land voor te zijn.’’

,,’Het land van Rembrand’ was zijn bijdrage aan de vorming van de Nederlandse identiteit. Hij vroeg zich af hoe het kwam dat Nederland in de 17de eeuw een politieke grootmacht was en een opeenhoping van talenten voortbracht als Rembrandt, Vermeer, Stevin en Huygens, en de 19de eeuw niet.’’

Huet was een eenzaam mens. ,,Ja, en hij vroeg zichzelf ook wel eens af wat hij fout deed. Waarom hij zijn vrienden op de vingers van een hand kon tellen en waarom hij zo weinig respect kreeg voor wat hij deed.’’ Daarentegen was de band met zijn familie buitengewoon hecht – hij had vijf broers en vier zusters. ,,Die verloor hij nooit uit het oog, hij zou zijn familie altijd blijven bijstaan; en die konden zijn hulp goed gebruiken. Voor zijn zwakzinnige broer Piet heeft zijn hele leven trouw gezorgd.’’

Hoe enerverend zijn bestaan ook was, Huets wereldje draaide vooral om zijn gezin, om zijn vrouw Anne en zijn zoon Gideon, met wie de biografie eindigt. ,,De jongen nam een centrale plaats in zijn leven in. Huet wilde dat zijn zoon goed terecht zou komen. Hij is uiteindelijk onderdirecteur geworden van de Bibliothèque Nationale in Parijs. Zijn vader zou trots op hem zijn geweest. Tegelijk was zijn leven tragisch. Hij had een teer gestel, was met veel liefde opgevoed, heel beschermd, maar het moet tegelijk verstikkend zijn geweest. Die jongen bleef altijd het kind van zijn ouders.’’

 

Olf Praamstra; ‘Busken Huet. Een biografie’. Uitgeverij Sun, Amsterdam, 941 blz.

 

Mei, 2007

 

 

UA-37394075-1