Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Cor Wulffelé en een hoofd vol poëzie

,,U kunt me niet missen,’’ liet hij vooraf weten. ,,De grootste en lelijkste man, dat ben ik.’’ Dat laatste blijkt reuze mee te vallen. Maar die relativerende (zelf)spot is Cor Wulffelé ten voeten uit, dichter te Den Helder, van wie onlangs de bundel ‘Dode zanger – Den Helder, stad aan het Marsdiep‘ verscheen.

 

Het boek is de oogst van een halve eeuw dichten in betrekkelijke stilte. Zonder concessies. Poëzie van een man met een romantische inborst, gedichten die melancholiek en sober van inhoud zijn, helder en straf van vorm, met een voorkeur voor het sonnet. Niet vernieuwend, wel doorleefd en vitaal.

De dichter is amechtig, hij loopt niet meer zo kwiek. Fysiek mag hij dan de ongemakken van het ouder worden ervaren, van binnen is hij nog lenig van geest. Ja, hij is 75, hij geeft het schoorvoetend toe, een behoorlijke leeftijd, maar hij voelt zich eigenlijk niet veel anders dan toen hij een joch van een jaar of vijftien was. Verwonderlijk is het niet, vindt hij: ,,Ik heb altijd met jonge mensen gewerkt.’

 

Hij lijkt een laatbloeier, Cor Wulffelé. Lijkt ja. ‘Dode zanger’ mag dan zijn eerste bundel zijn, dat hij een talentvol dichter was, werd een halve eeuw geleden al onderkend door de dichter Hendrik de Vries. Die analyseerde voor Vrij Nederland eens het gedicht ‘Aan M.B.’, en Wulffelé is er nog steeds trots op. Het krantenknipsel uit 1950 koestert hij als een kostbaar relikwie. Het vers is niet in de bundel opgenomen, het zou er ook in misstaan wegens zijn gedragen, plechtstatige toon. Opvallend is wel dat dichterlijke kwaliteiten die De Vries indertijd in Wulffelé ontdekte, zijn gebleven: vooral diens welluidendheid, muzikaliteit en vormvastheid.

Wulffelé dicht altíjd. Altijd speelt er wel poëzie door zijn hoofd. Een beeld, een zin. Als hij een gedicht maakt of reciteert, roffelt hij het metrum met zijn vingers op de leuning van stoel of op het tafelblad. Zijn vrouw Elly, die zich nu en dan in het gesprek mengt, zegt: ‘Een vrouw zei laatst: mevrouw, uw man praat in zichzelf. Nee, zei ik, hij praat helemáál niet in zichzelf, hij is aan het díchten, hij hoort zinnen in zijn hoofd en die probeert hij melodisch goed te laten kloppen. En daar is hij eigenlijk de hele dag mee bezig.’’ Ze zegt het met een glimlach, terwijl ze tersluiks een blik van bewondering op haar man werpt.

 

‘Ik schoot vol toen ik het voordroeg.’

 

Een paar jaar geleden zei ze: weet je wat jíj moet doen? Je moet Martin Simek schrijven, voor een optreden in diens tv-programma voor onbekende talenten. Wulffelé ging schoorvoetend akkoord. Hij deed een soort auditie. Maar het beviel hem niks. ,,Ik vond het een ramp’’, zegt hij vol weerzin. Wat hem anders zo moeiteloos af gaat, het achteloos reciteren van een gedicht, ging nu hopeloos de mist in. Hij schudt meewarig het hoofd. ,,Ik schoot vol toen ik het voordroeg.’’ Hij was zó teleurgesteld dat hij een veto wilde uitspreken over de uitzending. ,,Ik wilde niet dat mensen het zouden zien.’’ Dat gestuntel. Hij geneerde zich dood. Maar Simek wist hem op zijn charmante wijze toch over te halen. Het werd uitgezonden. En de reacties overtroffen de stoutste verwachtingen. Veel kijkers bleken diep geroerd. Inmiddels beschikt de dichter over een map vol brieven en puilt de index van zijn elektronische brievenbus uit van de mailtjes.

Zijn vrouw Elly was het vervolgens óók die hem aanspoorde om van de gedichten een boek te laten maken. ,,Ze lagen daar maar, die gedichten. Ik zei: je moet er iets mee doen, dit móeten de mensen lezen. Want ze zijn prachtig, ík vind ze tenminste mooi.’’ Zelf was hij minder overtuigd. Of beter gezegd, wantrouwend. Want hoe enthousiast en oprecht de mensen ook reageren, wat vinden de kenners ervan? ,,Ik heb een groot nadeel’’, geeft hij toe, ,,ik kan mezelf niet verkopen.’’

Hij schreef erover in ‘Poursuite’, dat zijn poëtica verwoordt:

 

Ik ben wel letterkundig,

maar niet te literair.

In woorden niet uitbundig,

in keuze elitair.

 

Ik zal me niet verkopen,

het woord is mij te lief.

Ik heb nog nooit gekropen

voor eigenwaans gerief.

 

Al blaffen ook de honden

bij ’t volgen van mijn spoor,

ik heb mijn weg gevonden,

ik blijf hen altijd voor.’

 

Tenslotte ging hij overstag, al kostte het hem enige moeite om een geschikte uitgever te vinden, want kreeg hij herhaaldelijk te horen: ‘vaardig geschreven, maar commercieel gezien niet interessant’. Als commercieel lokkertje werd besloten om een deel van de bundel – 14 van de 64 verzen – in te ruimen voor gedichten over Den Helder. Voor de dichter geen probleem. Voor een buitenpoorter mag Wulffelés geboortestad Den Helder misschien een onherbergzaam oord zijn, een waaigat, voor de dichter was het dé ideale plaats om op te groeien en dag en nacht rond te zwerven:

 

Natuurlijk zijn er die minachtend zullen zeggen

dat hier de wereld dichtgeplakt is met papier.

Vermoei je niet om hun bewering te weerleggen,

dat doen de zeelucht wel, de wind, de geur van wier’

 

Cor Wulffelé is door vele wateren gewassen. ,,Ik heb meer geleefd dan geschreven.’’ De drama’s van zijn leven hebben een plaats in zijn poëzie gekregen – op verdekte wijze, dat spreekt. De dichter neemt afstand, hij waakt voor goedkoop sentiment, maar juist door het creëren van de noodzakelijke afstand weet hij niet zelden zijn woorden indringender te laten overkomen.

In de oorlogsjaren, in 1944, werd zijn broer Thijs verraden aan de Duitsers, een paar maanden later kwam hij om in een concentratiekamp. Cor Wulffelé werd kostwinner en herinnert zich de bombardementen en hoe het gezin nog een poosje in een kippenboet moest zien te overleven.

Zijn zoon woont in de woon- en leefgemeenschap voor geestelijk gehandicapten Noorderhaven bij Julianadorp. Aan hem heeft hij ‘Eine kleine Nachtmusik’ (sonnet voor Jan-Erik) opgedragen, waarvan de laatste twee strofen luiden:

 

Hij staat, als ik hem haal, op mij te wachten,

hij zegt spontaan het personeel gedag

en zet zich voorts snel naast mij in de wagen.

 

De radio moet aan. Ik zal hem vragen:

“Van wie … ?”, maar dan, je zou het niet verwachten:

“dat is van Mozart”, roept hij met een lach.

 

Zijn dochter raakte als vierjarig kind ernstig verbrand – zij is nu getrouwd en heeft drie kinderen. Zijn vrouw Elly is vanwege haar zwakke gezondheid nu ook aan huis gebonden.

Een van zijn mooiste gedichten, ‘Spookrijder’, verwijst naar haar. Uit het gedicht spreekt berusting en een bijna ondraaglijke weemoed. De bijbelse slotregel is des Nijhoffs (‘Moeder de vrouw’).

Wulffelé zegt zijn leven lang zijn eigen(wijze) gang te zijn gegaan. ,,Ik houd niet van bazen’’, zegt hij. Toch zat hij 24 jaar lang in het leger, hij was telegrafist bij de landmacht. Hij diende in Nederlands-Indië. Voelde zo’n eigenheimer als Wulffelé zich met zijn dichterlijke aspiraties wel thuis in het leger? Zijn antwoord is afgemeten: ,,Ik ben buiten het leger meer domme en botte mensen tegengekomen dan erin.’’

 

‘De taal dringt nooit geheel

door tot de ‘werkelijkheid’

 

In 1965 trad hij uit dienst. Vervolgens stond hij twintig jaar voor de klas in Den Helder. Hij gaf Frans, geschiedenis en viel een poosje in voor Nederlands. In ‘Franse les’ verenigt Wulffelé heel mooi een spel met tijd en taal, het is een en al dubbelzinnigheid, en terloops is er de ‘les’ dat taal nooit geheel kan doordringen tot de ‘werkelijkheid’, en nooit precies kan weergeven wat je bedoelt. Een fragment:

 

De eerste woorden Frans – bonjour en au revoir -.

Zij weten niet dat in die woorden ligt verborgen

het leven dat zich afspeelt tussen nu en morgen,

dat bonjour voor nu is en morgen niet meer waar.

 

Dag, kinderen, je zult er thans aan moeten wennen

dat taal er nooit in slaagt de leugen te ontkennen.’

 

Poëzie zit diep onder zijn huid. Een gedicht dat hem raakt, hoeft hij maar één keer te lezen. Noem een grote naam, een gedicht en hij begint te reciteren – nee, niet alleen zijn eigen werk kent hij uit het hoofd. Nijhoff, ‘De moeder de vrouw’, ‘Het kind en ik’. Rimbaud, ‘Le dormeur du val’ (De slaper in het dal). ,,Ik hoef een gedicht maar één keer te lezen en ik ken het uit mijn hoofd’’, zegt hij zonder een spoor van trots of triomf. Ach, de bedrieglijke eenvoud van Nijhoff, het is toch om jaloers van te worden? ,,Ik hoop in de buurt te komen van zijn eenvoud.’’ Hij is ook mateloos gefascineerd door de War Poets, de dichters van de Eerste Wereldoorlog, onder wie Siegfried Sassoon en Wilfred Owen, die schreven over de gruwelen in de loopgraafoorlog.

Wulffelé kent zijn klassieken uit de Nederlandse, Engelse en Franse literatuur. Maar in ‘Dode zanger’ – de titel verwijst naar een uit het nest gestoten merel – zijn niet alleen literaire maar ook bijbelse verwijzingen te vinden. En dat twee van zijn favoriete Nederlandse dichters Nijhoff en (de veel minder bekende) Jacqueline van der Waals zijn, nee, dat verbaast niets. Zijn verzen variëren op de thema’s van het kleine geluk, de wanhoop en angsten. Het leven ontglipt hem, hij teert op zijn herinneringen. De toon is niet zelden melancholisch, een tikkeltje romantisch ook. Ook spreekt uit de verzen een zekere bezonken wijsheid.

 

‘Als mijn gedicht een huis is, moet het

volgens de regels worden gebouwd’

 

De teneur is soms somber, maar er is altijd hoop. Technisch benaderen zijn gedichten, vooral in zijn favoriete dichtvorm het sonnet, de perfectie. ,,Ja, ik ben dol op structuur. Als mijn gedicht een huis is, dan moet het ook volgens de regels van het huis gebouwd worden.’’ Met de naoorlogse poëzie heeft hij niets, wat niet wil zeggen dat hij doof is gebleven voor nieuwe ontwikkelingen.

Dode zanger’ bevat verstaanbare en toegankelijke poëzie. Soms anekdotisch, zoals ‘Het meisje van de brillenwinkel’, een sonnet dat helaas weinig aan de verbeelding van de lezer overlaat. Hetzelfde geldt voor ‘Aan mijn kleinkind’ dat ten ondergaat aan te grote woorden (boosheid, radeloos, machteloos), en daardoor sentimenteel en kitscherig wordt. In tegenstelling tot ‘Onmacht’ dat in zes regels véél meer weet te zeggen en nog geestig is ook. Maar de grootste verrassing is misschien wel de ballade ‘Het lied van de vogelverschrikker’. De zes strofen rappen lekker weg en je kunt ze moeiteloos zingen op de melodie van het Wilhelmus. Probeer het maar eens:

 

Hij bond haar aan 2 stoven,

de armen uitgespreid.

Een zitplaats voor de raven

werd deze boerenmeid.

Haar schedel kwam vol gaten,

haar tanden vielen uit.

Zij droeg haar lot gelaten,

zij werd de wind tot bruid.’

 

Cor Wulffelé: ‘Dode zanger- Den Helder, stad aan het Marsdiep’, 64 blz, uitgeverij Jansen. Leiden. ISBN 90-807514-1-3

 

December, 2002

 

Spookrijder

 

De enige lust die ik haar nog kan bezorgen

bestaat nu uit wat licht gekrabbel op haar rug.

Ze spint erbij gelijk een poes, maar keert terug

naar aangenamer dromen tot de vroege morgen.

 

Verbonden heb ik mij om goed voor haar te zorgen.

Niet op de heenweg slechts, ook op de weg terug,

al wordt haar huid, eens warm en zacht, nu dor en stug

en dan, wat blijft daaronder voor het oog verborgen?

 

Vaak staar ik uit het raam. Het uitzicht is gebleven:

wat vale aarde in een ondergaande zon,

doch meestal aarde onder sluiers grijze regen

of flarden grauwe mist, aan poel en plas ontstegen.

 

Ik wil terug, auf allen vieren, als het kon.

Bezit uw ziel in lijdzaamheid, staat er geschreven.

 

Cor Wulffelé

UA-37394075-1