Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

De fascinerende levenswandel van een ‘eenvoudig kapstertje’

Soms duikt er in een nalatenschap een bijzonder egodocument op. ‘Het dagboek van Eefje Jonker’ is zo’n pareltje. Het is ‘zo openhartig, zo ontroerend, zo schokkend en zo goed geschreven’, dat het erom smeekte gepubliceerd te worden, aldus schrijver en dichter Robert Anker in zijn nawoord bij het dagboek van zijn tante van wier bestaan hij tot voor kort niet op de hoogte was.

 

‘zo’n fladderende kanarie’, ‘zo’n opgewonden speeldoosje’

 

En hij heeft niets teveel gezegd. Het ís een intrigerend en bij vlagen ontroerend dagboek, niet alleen omdat zijn tante zo’n getalenteerde vrouw was, maar vanwege haar bijzondere, haast onwaarschijnlijke  levensverhaal: ‘Eerst vertellen je ouders je dat je hun kind niet bent. Dan ontmoet je de liefste van je leven maar het is wel een vrouw en dat kan dus niet. Dan krijg je een kind dat je achterlaat als ze drie is. En dan spreek je in de trein een vrouw die je echte moeder blijkt te zijn en die later door de nazi’s wordt vermoord. Een joodse, dus dan ben jij ook joods.’

 

Het is in een notendop het levensverhaal van Eefje Jonker, door haar zelf bondig samengevat in een notitie uit 1956, kort voordat haar dagboek ophoudt, waarna ieder spoor van haar ontbreekt. Robert Anker kreeg in 2010 de dagboekcahiers van zijn onbekende tante vanuit Amerika toegestuurd. In zijn familie werd niet over haar gesproken, mogelijk vanwege haar ongebruikelijke levenswandel.

Het dagboek, geschreven tussen 1918 en 1956, verbaasde en overrompelde hem. ‘Ik begon te lezen. Het gebonden schoolse handschrift, vrijwel identiek aan dat van mijn ouders (dat leerden ze toen zo), leverde weinig problemen op, en ik kon niet meer stoppen voor ik het uit had’, schrijft Anker in zijn uitvoerige en verhelderende voor- en nawoord over zijn ‘ontzettend leuke tante’, over dit ‘ogenschijnlijk eenvoudige kapstertje’ in wier leven nogal wat gebeurt.

Dromerig

Eefje Jonker begint haar dagboek, dat ze bij vlagen bijhoudt, op haar achttiende verjaardag als ze van haar ouders te horen krijgt dat zij haar ouders niet zijn. Na haar geboorte in 1910 werd ze als baby ‘weggegeven’. De vader werd weggestuurd, de moeder weggemoffeld. In haar dagboek ontpopt de West-Friezin zich als een dromerig, artistiek aangelegd en leergierig meisje, dat zichzelf in 1928 omschrijft als ‘zo’n fladderende kanarie’, ‘zo’n opgewonden speeldoosje’.

Ze zit vol energie en levensvreugde en tegelijk vol twijfels, zorgen en wanhoop, wat haar dagboek herkenbaar en van alle tijden maakt. Na de ulo in Hoorn ruikt ze in Amsterdam aan het artistieke bestaan. Ze keert na haar kappersopleiding terug naar West-Friesland (Berkhout), trouwt, kan op de boerderij in Ursem niet aarden en laat man en kind in de steek om in Amsterdam een nieuw leven te beginnen.

‘Onbestaanbare’ liefde

Ze ontdekt de schilderkunst, de literatuur en leest met geestdrift Couperus, Van Schendel, Bordewijk en Vestdijk – allemaal schrijvers die toen óf nieuw waren óf faam genoten. Ze raakt bevriend met illustratrice Elsa, ze worden verliefd en van die ontluikende lesbische maar destijds ‘onbestaanbare’ liefde doet Eefje onverbloemd verslag op een manier die zeker in die tijd pikant en gewaagd was. Ze zouden het liefst gaan samenwonen, trouwen. ‘Ach jezus, dat mooie witte lijf van haar, die brandende ogen, die rode krullen! Waarom mag dat niet? Want zoiets is het: het mag niet, ook niet van ons.’

In de late jaren dertig voelt ze de dreiging van het nazispook. Eefje is niet geïnteresseerd in politiek, maar Hitler en trawanten ontgaan haar niet, zeker niet in Amsterdam waar het nazisme in het uitgaansleven veelbesproken wordt. In de duistere oorlogsjaren ontmoet ze, in 1942, tijdens een verzetsdaad bij toeval in de trein haar Joodse moeder. ‘Ik keek haar verbijsterd aan, kon geen adem meer halen, volkomen verstard. In haar donkere ogen, míjn ogen, welde een traan op en ze pakte een zakdoek uit haar tas. Ik streelde haar hand.’

Anne Frank

Na de oorlog leest ze ademloos ‘Het Achterhuis’ van Anne Frank, dat ‘zo eerlijk, zo authentiek, zo echt’ is, woorden die moeiteloos op haar eigen dagboek van toepassing zijn. Ze loopt in Amsterdam, opnieuw bij toeval, haar inmiddels volwassen dochter tegen het lijf: ‘Wat leek ze op mij. Alsof ik twintig jaar terugging in de tijd en in de spiegel keek.’ Als ze eind jaren vijftig een voorlopige balans van haar leven opmaakt, is ze zelf vol ongeloof: ‘Ik begrijp het niet. Het is net of het allemaal niet echt gebeurd is, alsof het een verhaal is over iemand anders.’

Keurslijf

Wat frappeert is de losse stijl van het dagboek. Eefje Jonker schrijft fris, ongeremd en doet rake observaties. Het egodocument boeit ook omdat het terloops een treffend tijdsbeeld oproept en laat zien dat de drang om uit het keurslijf en de sleur te breken van alle tijden is.

Natuurlijk, het is onverantwoord dat een jonge moeder haar gezin in de steek laat, maar je kunt begrip voor haar opbrengen en haar moed bewonderen om zich niet te laten opsluiten in een leven dat na haar huwelijk al zo’n beetje vastlag. Al blijft ze vergeefs haar geluk najagen – een ‘onmogelijk’ leven met Elsa. Als ze dat geluk uiteindelijk toch nog onverwachts lijkt te hebben gevonden, doet de schrijfster er voorgoed het zwijgen toe.

 

‘Het dagboek van Eefje Jonker’, bezorgd en van een voor- en nawoord voorzien door Robert Anker, uitgeverij Querido, 184 blz. Ook als e-book.

 

Maart, 2013

In een verkorte versie eerder verschenen in kranten van De Persdienst.

UA-37394075-1