Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

De Franse trots: de literatuur

Frankrijk is trots op zijn helden, of ze nu wetenschapper zijn, kunstenaar, schrijver of dichter. Nederland mag dan de schilderkunst hebben – de Gouden Eeuw van Rembrandt en Vermeer (Van Gogh beschouwen ze als een der hunnen) – Frankrijk heeft de literatuur.

 

Harry Mulisch, die wel iets met de Franse schrijver Victor Hugo gemeen had, vleide zijn Franse gehoor jaren geleden in Cognac. Bij de aanvaarding van de Prix Jean Monnet de Littérature Européenne voor zijn roman ‘La découverte du ciel’ (de Franse vertaling van ‘De ontdekking van de hemel’) sprak hij deze woorden:

 

Met enig recht zou men kunnen zeggen dat de Franse letterkunde de literatuur der literaturen is. Als wij de verschillende kunsten globaal toekennen aan de landen, die nu als Europese provincies naar elkaar toegroeien, dan is de kunst van de Nederlanden natuurlijk de schilderkunst. De hoofdkunst van Duitsland is zonder twijfel de muziek. Dat de hoofdkunst van Engeland het theater is, zal ook niemand willen bestrijden. Voor Italië kies ik de architectuur, en, om niemand te vergeten, voor Spanje de dans zelfs – het stierengevecht is ten slotte zoiets als een moorddadige dans. En de bijdrage van Frankrijk aan dit Europese Gesamtkunstwerk kan niets anders zijn dan de literatuur.’

 

De Franse schrijvers wier werk is verzameld in de schitterende klassieke reeks Bibliothèque de la Pléiade zijn – voor zolang het duurt natuurlijk – verzekerd van eeuwige roem. De plejade van klassieke namen en titels is wat de Franse literatuur betreft schier eindeloos. Wie zich beperkt tot de meest tot de verbeelding sprekende figuren en werken die onwankelbaar aan het Franse literaire firmament staan, kan om een aantal figuren niet heen. Dat is in de eerste plaats François Rabelais vanwege de krankzinnige exuberantie in zijn ‘Gargantua en Pantagruel’, een satirisch en carnavalesk meesterstuk over reuzen, twee letterlijk bovenmenselijke wezens, waarin de aardse wetten, normen en waarden op de korrel worden genomen. Voltaire volgt vanwege ‘Candide’, over een onbezonnen jongeman bij wie op zijn reis door de wereld de schellen van de ogen vallen. Naast deze kort en bondige, meesterlijke satire verbleekt eigenlijk alles wat hij verder – zo’n achthonderd werken – heeft geschreven.

 

Niet te vermijden is ook Chateaubriand – schrijver, politicus, edelman, verwaande kwast – vanwege zijn heerlijk aangedikte ‘Memoires van over het graf’. Weergaloos leesvoer. Aan het eind van zijn leven voelde de begaafde ijdeltuit zich slachtoffer ‘zonder dat het me berouwt, van twee of drie verheven ideeën: vrijheid, trouw, eerlijkheid… Ik geloof alleen nog in de christelijke toekomst, dat wil zeggen in de toekomst van de hemel.’

 

Vanaf zijn sterfbed hoorde hij straatrumoer: het was de revolutie van 1848. ‘Wat gebeurt er?’ vroeg hij aan zijn neef. ‘Dat is het volk van Parijs,’ antwoordde deze. ‘Louis-Philippe wordt afgezet.’ ‘Mooi zo,’ zei Chateaubriand’ en hij stierf, 80 jaar oud, in de armen van Juliette Récamier, zijn grote liefde.

 

Victor Hugo is een andere onontkoombare figuur in de Europese literatuur. Ook in omvang trouwens. Zijn verzameld werk beslaat vijftien delen en 150.000 dichtregels. Uit zijn oeverloze oeuvre zijn tegenwoordig nog maar twee romans algemeen bekend: ‘Notre Dame de Paris’ (1831) (‘De klokkenkluider van de Notre Dame’, over de gebochelde Quasimodo en zijn hopeloze liefde voor de schone Esmeralda) en uiteraard ‘Les misérables’ (1862), over een ex-boef die een weesmeisje redt maar wiens verleden hem blijft achtervolgen. Wereldberoemde titels zijn het, zo niet als boek dan in elk geval als film, televisieserie of musical. Toen een andere grote schrijver, André Gide, eens werd gevraagd wie de grootste Franse dichter van de negentiende eeuw was geweest, antwoordde hij: ’Victor Hugo, hélas!’ Gide had het niet erg gezien op Hugo, maar de meest voor de hand liggende keuze was ook de meest onvermijdelijke.

 

De negentiende eeuw kende daarnaast nog zoveel andere grootheden als Honoré de Balzac, Stendhal, Guy de Maupassant, Gustave Flaubert, om maar een paar schrijvers te noemen. En niet vergeten dichters als de zwarte romantius Baudelaire, Mallarmé, Verlaine en Rimbaud, het onhandelbare wonderkind dat stonk naar genie en – soms letterlijk – overal schijt aan had. De laatste twee hadden een stormachtige relatie waaraan op 10 juli 1873 abrupt een einde kwam toen Verlaine in Brussel twee revolverschoten op Rimbaud afvuurde en hem daarbij licht verwondde aan de pols.

 

De grootste Franse schrijver van de twintigste eeuw is onbetwist Marcel Proust, schrijver van de romancyclus ‘A la recherche du temps perdu’ (‘Op zoek naar de verloren tijd’). Mooi is de anekdote over Prousts ontmoeting met de schrijfster Colette in een Parijse salon. Beiden waren begin twintig. Proust richtte mogelijkerwijs enkele hoogdravende zinnen tot de mooie schrijfster, in de trant van: ’Ach, uw dagdroom is die van het kind Narcissus; het is zijn ziel, vervuld van zinnelijkheid en verhitte ring…’ Waarop Colette hem onderbrak: ’Monsieur, u raaskalt. Mijn ziel is slechts vervuld van bruine bonen en spekjes.’ Later zou het tussen die twee toch nog goed komen.

 

De grootste humoristische Franse schrijver van de vorige eeuw is Raymond Queneau, gezegend met dezelfde esprit, humor en taalvaardigheid als zijn zestiende-eeuwse landgenoot François Rabelais. Zijn invloed, ook op Nederlandse schrijvers als Remco Campert, is ongewoon groot.

 

Albert Camus kreeg in 1957 als jongste schrijver na Rudyard Kipling de Nobelprijs. Twee jaar later kwam hij op 46-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk om het leven. Een sombere man was hij niet, zijn wereldbeeld was dat wel: de mens leeft in een ‘absurd’ universum, waarmee hij verwant was aan het inktzwarte wereldbeeld van W.F.Hermans. Camus demonstreerde dat aan de hand van enkele meesterwerken als ‘La peste’ (‘De pest’, 1947) en ‘L’étranger’ (De vreemdeling), zijn romandebuut uit 1942, dat in het jaar 2000 in Frankrijk werd verkozen tot het beste boek van de twintigste eeuw.

 

De Franse literatuur kent ook zijn zwarte schapen, zoals Louis Ferdinand Céline. Een groot schrijver, daar zijn ook de Fransen het over eens. Desondanks weten ze met hem nog steeds niet goed raad. Zijn romans ‘Reis naar het einde van de nacht’ en ‘Dood op krediet’ behoren onbetwist tot het beste wat in Europa in het interbellum geschreven is, maar de armenarts – die door zijn patiënten op handen werd gedragen – maakte zich in de oorlogsjaren onmogelijk met aperte antisemitische pamfletten waardoor hij de wijk naar Denemarken moest nemen.

Berooid en mensenschuw keerde hij terug naar het door hem zo verafschuwde vaderland. Beroemd is het verhaal van zijn kat die de ontmenselijkte schrijver als zijn schaduw volgde en, zoals wel is beweerd, tenslotte nog het enige menselijke trekje van Céline vormde.

 

Februari, 2004

UA-37394075-1