Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Derde ‘Ik Jan Cremer’ – De gewiekste strategie van een lefgozer

Jan Cremer (1940, Enschede) beloofde jaren geleden al een ‘Ik Jan Cremer, derde boek’. Dat is er eindelijk toch van gekomen. Maar de kans dat deze roman het indertijd sensationele ‘Ik Jan Cremer’ uit 1964 naar de kroon zal steken lijkt klein.

 

‘Ik Jan Cremer’ ontketende in het begin van de roerige jaren zestig een nationale rel. De schrijver genoot van de ene op de andere dag de roem van een popster. Zelden veroorzaakte een Nederlands boek zoveel ophef als dat onverhulde maar sterk aangezette levensverhaal vol seks, bravoure en geweld. Het succes was duizelingwekkend. Het boek beleefde in een half jaar vijftien drukken. In korte tijd werden meer dan 300.000 exemplaren verkocht.

 

De schrijver poseerde op de omslag als een lefgozer in spijkerpak achter het stuur van een Harley Davidson met zijspan, de gelaarsde voeten krachtig op de grond geplant.

 

Hoe kon dat boek zó’n succes worden? Onovertroffen voor die tijd was allereerst de provocerende presentatie. De schrijver poseerde op de omslag als een lefgozer in spijkerpak achter het stuur van een Harley Davidson met zijspan, de gelaarsde voeten krachtig op de grond geplant. Daaronder werd het boek aangekondigd als ‘de onverbiddelijke bestseller’.

Uitzonderlijk was de wijze waarop het boek ‘in de markt’ was gezet. Jan Cremer was een van de eerste schrijvers die zichzelf schaamteloos wisten te verkopen. Tegenwoordig is imagebuilding voor een schrijver gemeengoed, destijds werd het nog volstrekt ongepast gevonden.

Vooral het jonge lezerspubliek smulde van Cremers branie en moderne schelmenroman. Literaire critici maakten op enkele uitzonderingen na puree van zijn boek. Willem Frederik Hermans sprak nog van ‘een bandeloze ontploffing tussen autobiografie en mythomanie’. Hubert Lampo prees de schrijver, ‘die voorgoed onze sympathie in de wacht sleept, ondanks zijn straatgoottaal, zijn zelfoverschatting en de uitstalling van zijn boefachtigheid’.

Maar de meeste recensenten hadden weinig waardering voor Cremers ‘bootwerkerstaal en seksuele acrobatiek’ en deden het boek af als vulgair, immoreel, bruut, sadistisch en zelfs fascistisch. De recensent van Trouw noemde hem schuimbekkend een viespeuk en De Bezige Bij een stinkuitgeverij. Er kwam een rechtszaak van, waarbij de krant ter verantwoording werd geroepen. De Engelse vertaling van ‘Ik Jan Cremer’ haalde de bestsellerlijsten. De Duitse werd op de index geplaatst (maar niet verboden) omdat veel passages werden aangemerkt als pornografisch of sadistisch.

 

Zolang dergelijke figuren vrij rondlopen, hoeven wij niet te proberen onze jeugd op te voeden, dat is allemaal verloren moeite,’ schreef een zekere G.J. Winter.

 

In kranten verschenen ingezonden brieven van verontwaardigde lezers, die afgaven op dat ‘schandalige boek’. ‘Zolang dergelijke figuren vrij rondlopen, hoeven wij niet te proberen onze jeugd op te voeden, dat is allemaal verloren moeite’, schreef ene G.J.Winter in Het Parool. Het regende brieven van gelijke strekking, met nu en dan een kattebelletje van een lezer die het voor de schrijver opnam, zoals ene mevrouw Berkhof: ‘Ik vind Cremers roman een uitstekend boek dat niet ten onrechte op bestsellerslijst staat.’

De ingezonden briefschrijvers bleken achteraf te zijn gefingeerd – door Cremer zelf. Het paste allemaal in de gewiekste strategie van deze avontuurlijke ‘steppenwolf’, die geen middel schuwde om zijn werk aan de man te brengen. Motornozem Cremer maakte wereldwijd furore (ook in de VS) en haalde voortdurend het nieuws met amoureuze avonturen en schandalen, huwelijkscrises en problemen met de kinderbescherming.

 

Deel II beschrijft de gelukkige jaren met zijn ‘ideale vrouw’ Hester, van wie de schrijver kort daarop scheidde.

 

Eind 1966 verscheen ‘Ik Jan Cremer, Tweede Boek’, waarin hij de gelukkige jaren beschrijft met zijn ‘ideale vrouw’ Hester, van wie hij kort daarop scheidde. Het boek, aangeprezen op de omslag als ‘de meedogenloze bestseller’, zette hij vanwege nieuwe geldzorgen in drie weken op papier. De eerste druk bedroeg 50.000 exemplaren. Ook nu was de kritiek zuinig en verdeeld.

Het bleef tot diep in de jaren zeventig onrustig rond de schrijver. Hij koketteerde graag met zijn ‘grootse en meeslepende’ bestaan en dweepte met zijn Hongaarse afkomst (zijn moeder was Hongaarse). Hij laakte intussen alles wat Hollands was en gaf af op zijn kunstbroeders. Intussen bewees hij met zijn novelle ‘Sneeuw’ dat hij tot meer in staat was dan in kroegtaal schrijven over grofbesnaarde schelmen. Opmerkelijker was de trilogie ‘De Hunnen’, die alleen al indruk maakte vanwege de omvang van 1535 bladzijden en de gedrevenheid waarmee het was geschreven. Het boek ging in zijn verschijningsjaar 1984 meer dan 100.000 keer over de toonbank.

 

Achter de rug van de schrijver verscheen de schilder.

 

De schilder Jan Cremer liet sindsdien nog geregeld van zich horen. De schrijver verdween meer en meer naar de achtergrond. Als die iets publiceerde betrof het veelal liefdeloos in elkaar geflanste koopwaar, zoals de bundel ‘De Venus van de Montparnasse’, die zich alleen in positieve zin onderscheidde door het oogstrelende naakt op de omslag. In 2005 verscheen de imposante uitgave van zijn correspondentie 1956-1996, waarin de kunstenaar zich meer laat kennen als een rancuneuze misantroop dan als een bevlogen briefschrijver.

Hoewel Cremer is blijven vasthouden aan zijn imago van branieschopper, non-conformist en ongeneeslijke charmeur, liggen zijn hoogtijdagen intussen ver achter hem. Hij is met zijn stoere verhalen bijna een anachronisme geworden. Vandaar dat de aankondiging van zijn uitgever dat hij met ‘Ik Jan Cremer, Derde Boek’ een ‘opzienbarend nieuw deel’ aan zijn romancyclus zal toevoegen, anno 2008 nogal opgeklopt aandoet. Maar van de lepe Jan Cremer verwacht je uiteraard niet anders.

 

April, 2008

UA-37394075-1