Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Don Quichot, een nobele dwaas van alle tijden

‘De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha’ van Cervantes (1547-1616), een van de belangrijkste romans uit de wereldliteratuur, verscheen in 1997 in een prachtige nieuwe Nederlandse vertaling van Barber van de Pol. Een literaire gebeurtenis van jewelste, want de enige andere deugdelijke maar sleetse vertaling dateerde toen alweer van bijna zestig jaar geleden. De fraaie tweedelige uitgave gaat vergezeld van illustraties door de Franse graficus Gustave Doré (1832-1883). Een groter verluchter van ‘Don Quichot’ is nauwelijks denkbaar.

 

Ook al kent lang niet iedereen zijn geestelijke vader Miguel de Cervantes Saavedra, iederéén kent Don Quichot. Evenals zijn dommige en tegelijke nuchtere ezelberijder en slimme schildknaap Sancho Panza, zijn knol Rocinant en zijn onweerstaanbare, schone Dulcinea.

 

Don Quichot, dit monument van verbeelding en vertelkunst, is op de Bijbel na het meest vertaalde en herdrukte boek ter wereld. De spreektaal bewaart diverse namen en gevleugelde uitdrukkingen die aan het werk van de Spanjaard Cervantes zijn ontleend, waarvan ‘ridder van de droevige figuur’ en ‘vechten tegen windmolens’ wel de bekendste zijn.

 

Cervantes’ roman heeft van meet af aan andere kunstenaars geïnspireerd. Grote moderne schrijvers als Flaubert, Dostojevski, Gogol, Multatuli, Borges, Vestdijk, Proust en Nabokov leerden dankzij Cervantes écht schrijven. Boekenkasten vol zijn over Don Quichot geschreven, hij is vanuit alle gezichtshoeken uitbundig bestudeerd, geanalyseerd en beschreven. De tragische figuur is op de hak genomen, geparafraseerd en geparodieerd.

 

Zo verplaatste de Nederlandse schrijver Willem Brakman in zijn roman ‘Een voortreffelijke ridder’ (1995) de wereldvreemde idealist naar het twintigste-eeuwse Den Haag, met Don als toneelengel, Sancho als verteller en Dulcinea als koningin. De ridder van de droevige figuur – volgens vertaalster Barber van de Pol berust de vertaling van deze gevleugelde uitdrukking op een misverstand (‘ridder van de droeve fguur’ moet het zijn) – is liefst meer dan tweehonderd keer bezongen in opera en lied, in pianomuziek en in muziek voor viool en harp, in symfonie en musical, in ballet en toneelmuziek.

 

Zo excelleerde Ramses Shaffy ooit bij het Koninklijk Ballet van Vlaanderen in de musical ‘Man van la Mancha’ in de dubbelrol van Cervantes en Don Quichot. Don Quichot is opgevoerd als romanfiguur, als held, als politiek symbool (voor onder anderen de Argentijnse guerillaleider Che Gueverra), en als pias, scherts- en carnavalsfiguur.

 

Dat het boek na vier eeuwen niet aan zeggingskracht heeft ingeboet, dankt het in de eerste plaats natuurlijk aan het stilistische vernuft van Cervantes die met een fijn geslepen pen de wonderlijkste verhalen schetst die worden bevolkt door de wonderlijkste figuren. Kleurrijke vertellingen over dolende maagden, dappere en hitsige vrouwen, verliefde prinsessen, wonderlijke ontmoetingen, draken, reuzen, dolzinnige duels en veldslagen van de tragische maar dappere ridder, de broodmagere gestalte, geharnast in aftands tenue en omhangen met roestig wapentuig.

 

Het is soms pure slapstick. Het lezen van het boek is een waar feest, en niet zelden een van herkenning. Wat het boek vandaag de dag laat zien is dat we nog immer worden omringd door donquichotterie, door trouwe meelopers en geïdealiseerde vrouwen, door wereldvreemde idealisten als de zachtmoedige arme landjonker uit La Mancha die het als zijn roeping beschouwt het kwaad uit de wereld te helpen, met als een van de meest ridicule, bizarre daden zijn stormloop tegen windmolens.

 

Don Quichot is van alle tijden. De figuur is niet meer weg te denken uit de Europese cultuur. Het personage dat de lezer meesleept in zijn onbeschaamde waanzin en kolder, zoals hij in het boek talloos veel andere figuren, van pastoor, kannunik en student tot barbier, dienstmeid, geitenhoeders en een herbergier en zijn gasten, door zijn fantastische verbeeldingskracht op sleeptouw neemt.

 

Al is het boek niet overal even wervelend. Er zijn passages die flauw, melig of domweg oersaai, barbaars en vulgair zijn, en lang niet meer zo geestig als dat ze enkele eeuwen geleden moeten zijn geweest. Maar die passages zijn veruit in de minderheid. Neem de schitterende sterfscènevan de dierbare Don Quichot:

 

Iedereen schrok en schoot toe om hem te helpen maar in de drie dagen die hij nog leefde na die waarop hij zijn testament had gemaakt, viel hij regelmatig flauw. Het huis was in rep en roer; toch at de nicht, dronk de huishoudster en had Sancho Panza schik, want een erfenis wist of verzacht enigermate de smartelijke herinnering die de dode als het goed is nalaat.’

 

Cervantes, de schepper van al dit schoons, is het zelf in het leven altijd beroerd gegaan. Voor hij als romancier debuteerde werd hij in Italië tot ‘afkapping van zijn rechterhand’ en in Algiers tot duizend stokslagen veroordeeld – beide keren ontsprong hij nipt de dans. Hij raakte gewond aan zijn linkerhand, werd als slaaf gekocht en weer verkocht, werd tweemaal gegijzeld wegens schulden en raakte in opspraak wegens een bruidsschat voor zijn dochter. Welaan, stof te over voor een romancier.

 

Cervantes, die altijd een eenvoudig en nobel mens is gebleven, werd in 1547 geboren in Alcalé de Henares, een klein stadje ten oosten van Madrid. Hij was zoon van een dove heelmeester, die om te voorzien in de behoeften van zijn gezin genoodzaakt was een zwerversbestaan te leiden. Cervantes vergezelde zijn vader, zo wordt aangenomen, want over zijn jeugd weet men niets met zekerheid. Als kind raakte hij wel vertrouwd met het armoedige leven op het platteland en in herbergen dat hij later in verhalen beschreef.

 

Daarna beproefde hij zijn heil in Rome, waar hij kamerdienaar was van kardiaal Giulio Acquaviva. Hij sloot zich in 1570 aan bij de troepen van de paus om tegen de Turken op te trekken, waarbij hij driemaal gewond raakte. Na allerlei beproevingen scheepte Cervantes zich in om naar zijn vaderland terug te keren. Wel had hij toen contacten met de hoogste kringen, waardoor hij hoop op een behoorlijke betrekking koesterde. Die hoop werd weldra de bodem ingeslagen; zijn galei werd door zeerovers overvallen, waardoor hij met zijn broer als slaaf werd verkocht. Vijf jaar bracht hij in Algiers door in wrede slavernij; aanbevelingsbrieven die men op hem had gevonden, waren er de oorzaak van dat men in hem een hoger geplaatst man zag dan hij in werkelijkheid was. Zijn bevrijding was te danken aan een gelukkig toeval. Een missionaris probeerde een edelman met losgeld vrij te kopen. Hij had echter te weinig geld bij zich, het bedrag was echter wel toereikend voor Cervantes. Op deze wonderbaarlijke wijze werd verhinderd dat de latere schrijver van Don Quichot voorgoed naar Konstantinopel werd verbannen en voor zijn land en de wereld verloren ging.

 

Terug in Spanje, waar de econmische situatie belabberd was, vervulde Cervantes de ene na de andere administratieve functie, die de dichterlijke Cervantes slecht vervulde. Herhaaldelijk kwm hij in het gevang terecht. Hij trouwde op 37-jarige leeftijd met een achttien jaar jongere vrouw. Armoede bleef zijn deel, zijn hele leven. Hij stierf in behoeftige omstandigheden, maar hij was een nobel en blijmoedig mens, zo blijkt uit de voorrede die hij vier dagen voor zijn dood schreef in zijn laatste werk, de avonturenroman ‘Trabajos de Persiles y Segismunda, historia septentrional, die een half jaar na zijn dood verscheen.

 

Cervantes heeft herhaaldelijk vergeefs geprobeerd om van zijn pen te leven. Aanvakelijk schreef hij poëzie, later veel toneelstukken maar van de meeste zijn niet meer dan de titels bewaard gebleven. In 1885 verscheen de herdersroman ‘La Galatea’, een genre dat in die tijd populair was. In 1613 verscheen ‘Novelas ejemplares’, een bundel kostelijke verhalen, geschreven in het proza dat hem onsterfelijk maakte. Deze verhalen maakten niet alleen indruk in eigen land, ze hadden grote invloed op buitenlandse schrijvers als Jonathan Swift, Defoe, Walter Scott en Victor Hugo, en in Nederland op Jacob Cats. Ook al zou Cervantes nooit zijn hoofdwerk ‘Don Quichot’ hebben geschreven, hij zou met dit werk een voorname plaats in de Spaanse letteren hebben ingenomen.

 

Maar zijn ‘El ingeniosos hidalgo don Quichoto de la Mancha’, oftewel ‘De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha’, waaraan hij in 1597 in een Sevillaanse cel begon te schrijven, plaatste dit alles verre in de schaduw. Het eerste deel verscheen in 1605 te Madrid, in 1615 volgde het tweede. Ontstaan als satire op de in de zestiende eeuw zo populaire ridderoman, ontsteeg het werk weldra de oorspronkelijke bedoeling. De toenmalige Spaanse maatschappij werd erin weerspiegeld, met de dolende ridder als symbool van de idealistische levensbeschouwing en diens schildknaap Sancho Panza als vertegenwoordiger van de materialistisch ingestelde mens, de idealist versus de realist (maar soms lijkt het net andersom). Beiden zijn inmiddels tot tijdloze figuren uitgegroeid.

 

Voor Cervantes tijdgenoten was het slechts een vermakelijk boek, een opeenstapeling van kolderieke, hilarische, wijze en vaak buitengewoon geestige verhalen, waarin hun samenleving op de hak werd genomen. Gaandeweg werd de universele waarde, de grootsheid van het boek ontdekt, dat even diepzinnig als vermakelijk is, vol ernst en luim en ironie zit, maar tevens melancholie ademt.

 

De kracht van ‘Don Quichot’ is dat ieder er zijn eigen weg in kan vinden. Voor de een zal het niet meer zijn dan een kostelijk boek met fraaie plaatjes om vele aangename uurtjes mee te verpozen. De ander zal zich liever laten verrassen door de stilistische brille en schier onuitputtelijke beelden- en ideeënrijkdom van Cervantes.

 

Don Quichot blijft voor alles een ongrijpbare figuur. En wie goed kijkt kan de nobele dwaas op zijn knol en zijn mollige en kletsgrage knecht op zijn pakezel nog altijd ergens door Spanje zien dolen.

 

Miguel de Cervantes Saavedra: ‘De vernuftige edelman Don Quichot van La Mancha’ (El ingenioso hidalgo Don Quichote de la Mancha). Vertaald door Barber van de Pol, twee delen, gebonden met stofomslag in cassette, 1232 pag., met illustraties van Gustave Doré, uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam.

 

Oktober, 1997

 

UA-37394075-1