Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Een geschiedenis van het lezen

Leesgewoonten hebben zich in de loop van de eeuwen gaandeweg ontwikkeld. Maar de lezer zelf is door de eeuwen heen niet zo heel veel veranderd, zo blijkt uit het prachtige boek ‘Een geschiedenis van het lezen’ van Alberto Manguel.

 

De Nederlandse vertaling van het boek verscheen vrijwel gelijktijdig met twee Nederlandse boeken over lezen: ‘Etalage. Uit het leven een lezer’ van J.J. Oversteegen en ‘Poseren voor de bladspiegel. Lezers in de lijst’ van Kees Fens en Uta Janssens.

 

In zijn liefde voor lezen ging Miguel de Cervantes, de schrijver van ‘Don Quichot’, zelfs zo ver dat hij de snippers papier op straat las.

 

,,Lezen is onze tweede natuur geworden, een routinebezigheid: wij lezen zoals wij ademen,’’ schrijft Kees Fens in ‘Poseren voor de bladspiegel’. ‘We doen het de hele dag door en overal, zelfs op straat lopend.’

 

Lezen kunnen en doen we inderdaad overal, maar een boek lezen we het liefst in een aangename, rustige omgeving, bij de open haard, in de tuin, in een hoekje, in bad, op de wc of in bed. In papieren vorm of op tablet of e-reader. Voordien zou niemand snel op het idee komen om zijn computer mee naar bed of naar het strand te nemen om daar ontspannen de nieuwe Grunberg te gaan liggen lezen, maar sinds tablets en e-readers is ook dat geen probleem meer.

 

Hoe het zij, tijdens het lezen vergeet de lezer gemakkelijk zijn omgeving. Hij is zo verdiept in de andere wereld waarover hij lees, dat hij zijn dagelijkse beslommeringen en zorgen even vergeet en verbaasd opkijkt als iemand hem uit zijn ‘roes’ wekt.

 

Vooral zeventiende-eeuwse gravures en schilderijen kunnen een mooi beeld geven van de lezer, meestal een lezeres, die verdiept is in zijn of haar lectuur. Kees Fens treft daarbij in ‘Poseren voor de bladspiegel’ meteen de roos, misschien nog meer dan Alberto Manguel in zijn magnifieke ‘Geschiedenis van het lezen’: ‘Lezen is een dagelijks wonder.

Het is een mirakel voor wie nog niet kunnen lezen, maar wij die het kunnen – zoals dit ogenblik bewijst – begrijpen toch niet helemaal hoe we het doen, hoeveel theorieën we er ook over ontwikkeld hebben.’

 

Lezen is ook een vorm van leven. Voor menigeen, in navolging van grote schrijvers als Borges en Flaubert en filosofen als Nietzsche en Schopenhauer, was en is lezen een baken om vat te krijgen op de mens en zijn wereld. Lezen is een eenzame en intieme bezigheid.

 

De lezer is geportretteerd in allerhande poses, maar altijd met het boek in de hand. De mens mag eind twintigste eeuw, begin eenentwintigste eeuw dan een slaaf zijn geworden van de technologische vooruitgang, door het aanbidden van het monster dat techniek heeft dat hijzelf gecreëerd heeft, de menselijke geest laat zich toch minder gemakkelijk kneden dan wel gedacht wordt.

 

De ervaringen die Manguel beschrijft, die als puber al te midden van boeken wilde leven, zal de verslaafde lezer herkennen, zo ‘praatte hij nooit met iemand over lezen; de behoefte aan delen met anderen is pas later gekomen’. Hij ontdekte de beslotenheid van de wereld van het lezen. Het boek waarin de lezer was, was een andere wereld, een eiland dat een ander niet kon bereiken:

 

Even was ik als de dood dat hij zou ontdekken wat ik aan het lezen was,’ schrijft Manguel over zijn jeugd toen zijn vader onverwachts de huisbibliotheek betrad waarin hij een scabreuze tekst aan het lezen was, ‘maar vervolgens drong het tot me door dat niemand – zelfs niet mijn vader, die maar een paar stappen verderop zat – kon doordringen in mijn leesruimte, kon nagaan wat mij aan onzedelijks werd verteld door het boek dat ik in mijn handen hield, en dat het uitsluitend aan mijn eigen wil lag of een ander daarachter kwam.’

 

Maar het eenzame en intieme lezen zoals wij dat nu kennen, is niet altijd de regel geweest. Zo keek Alexander de Grote verbijsterd toe hoe de aanvoerder van zijn zegevierende leger een brief van zijn moeder las. Hardop lezen of teksten die werden uitgesproken was ‘in den beginne’ het gebruik. In de Griekse en Romeinse oudheid lazen schrijvers hun werk voor om reacties aan hun publiek te ontlokken.

 

EEN INTIEME BEZIGHEID

 

Pas in de Middeleeuwen, in de loop van de negende eeuw toen de woorden los van elkaar werden geschreven, werd het lezen zoals het op de dag van vandaag is: een intieme bezigheid in de beslotenheid van de eigen geest. Toch bleef lezen lange tijd een privilege voor geleerden, monniken en schrijvers, doodeenvoudig omdat, tot ver in de negentiende eeuw, het overgrote deel van het volk niet kón lezen. Maar behalve analfabetisme zag men in lezen ook een bedreiging. Het zou maar leiden tot zondige dagdromen en zelfstandig denken, en in het godvruchtige Europa was men als de dood voor de duivel en ketterij.

 

In de Middeleeuwen’, schrijft Kees Fens, ‘waren heel weinigen de kunst van het lezen machtig; in de achttiende eeuw, de eeuw van de rede, beschouwde men lezen als een kunst die steeds meer vervolmaakt kon worden, en toen het lezen heel populair werd, beschouwde men het als een rage die onder controle gehouden moest worden. Lezen’ constateert Fens niet zonder ironie, ‘heeft altijd de moralisten geactiveerd.’

 

De angst voor lezers en boeken is van alle tijden en overal aanwezig. En niet alleen totalitaire regimes zijn bang voor boeken. Manguels boek verleidt niet alleen onmiddellijk tot lezen dankzij zijn fraaie uitvoering – gebonden, mooi geïllustreerd, leeslint – maar vooral vanwege zijn prikkelende inhoud:

 

Lezers worden gepest op schoolpleinen en in de kleedkamers, niet minder dan in overheidskantoren en gevangenissen. Vrijwel overal heeft de gemeenschap van lezers een dubbelzinnige reputatie die een gevolg is van haar verworven gezag en bespeurde macht. Iets in de relatie tussen een lezer en een boek wordt erkend als wijs en vruchtbaar, maar lezen wordt daarnaast gezien als hooghartig exclusief en buitensluitend, misschien omdat het beeld van een individu met een boek in een hoek, dat zich zo te zien niets aantrekt van de ongemakken van de wereld, herinnert aan ontoegankelijke privacy en afzonderlijke geheime actie. ‘Ga naar buiten, ga leven!’ zei mijn moeder altijd als ze me zag lezen, alsof mijn zwijgende bezigheid strijdig was met haar idee van wat leven was. De angst onder het volk voor wat een lezer tussen de pagina’s van een boek zou kunnen uithalen, lijkt op de eeuwige vrees die mannen koesteren voor hetgeen vrouwen zouden kunnen doen met de geheime delen van hun lichaam, en voor wat heksen en alchemisten misschien verrichten achter gesloten deuren.’

 

Elke lezer kent die ervaring wel. Zonder al te hoge verwachtingen slaat hij een boek open dat een openbaring blijkt te zijn, dat nieuwe inzichten biedt, dat een wereldbeeld doet verschuiven of kantelen. Het zijn de ontdekkingen die het lezen van een boek zo rijk maken. Of dat nu een boek is waaraan we in onze kindertijd zo verknocht waren (zoals ‘Kees de jongen’ van Theo Thijssen), of een dat op latere leeftijd een verpletterende indruk achterlaat (‘De man zonder eigenschappen’ van Robert Musil).

 

WAT MAAK EEN BOEK GOED?

 

Maar wat maakt een boek goed? Dat we er iets uit kunnen leren? Dat we er wijzer van kunnen worden (zoals wel wordt beweerd van het lezen van Prousts zevendelige romancyclus ‘Á la recherche du temps perdu’)? Dat het feest van herkenning is? Dat er een spannend verhaal wordt verteld? Of een avontuur op verre reizen? Dat we er onze dagelijkse besognes even door kunnen vergeten? Dat het er mooi verzorgd uitziet? Dat het verrukkelijk ruikt?

 

De meeste lezers zullen er niet voortdurend bij stilstaan, maar aan een roman worden onbewust eisen gesteld, waarvan wel de belangrijkste is dat mensen ofwel personages en hun emoties herkenbaar moeten zijn, ook al zijn de opgevoerde karakters totaal niet herkenbaar en is hun wereld de lezer volkomen vreemd. De verstokte lezer, de leesverslaafde, gaat daarin nog een stapje verder, die vindt dat in een goede roman de mens en zijn emoties niet alleen herkenbaar moeten zijn, maar vooral beter moeten zijn beschreven dan hij het zelf ooit zou kunnen. Anders had hij immers net zo goed de pen zelf ter hand kunnen nemen of achter zijn laptop kunnen gaan zitten tikken.

 

Franz Kafka was daarin heel uitgesproken. Voor hem, zo schreef hij in 1904 aan zijn vriend Oskar Pollak, doen alleen boeken ertoe ‘die ons bijten en steken’, geen boeken ‘die ons blij maken’, een boek ‘moet de bijl zijn voor de bevroren binnenzee in ons’.

 

DE MENS IS WAT HIJ GELEZEN HEEFT

 

De mens is wat hij gelezen heeft, wordt wel beweerd. Hoe romantisch het ook velen in de oren moge klinken, maar als het goed is, bouwt elk volgend boek dat men leest verder op alles wat de lezer eerder heeft gelezen, zodat een vooroordeel in de jeugd (Vestdijk is zwaar op de hand, Proust moeilijk en Joyce onbegrijpelijk) dankzij de (lees)ervaring en verrijking door andere boeken met het klimmen der jaren wijkt voor waardering en bewondering, en soms, want dat kan ook, met een bevestiging van dat eerste, strenge oordeel. Maar het raadsel van het lezen blijft.

 

September, 2001

 

DE DRIE BOEKEN OVER LEZEN

 

Een verrukkelijke geschiedenis

 

Alberto Manguel is Argentijn van geboorte, sinds 1985 Canadees staatsburger, die een internationale faam geniet als bloemlezer en essayist. Uitvoerig verhaalt hij in zijn boek ‘Een geschiedenis van het lezen’ over zijn baantje na schooltijd in een boekhandel in Buenos Aires.

 

Hier kwam hij in contact met de nagenoeg blinde klant Jorge Luis Borges, die met Gabriel García Márquez tot de grootste Latijns-Amerikaanse schrijvers van de twintigste eeuw gerekend wordt, om de oude schrijver voor te lezen omdat diens hoogbejaarde moeder daartoe niet meer in staat was. Manguels boek is ook nadrukkelijk zíjn eigen geschiedenis, een andere lezer met een andere boekenkast en een leven tussen de boeken, zou ondanks de vele overlappingen een heel andere geschiedenis bijeengesprokkeld hebben.

 

De accenten zouden anders worden gelegd, maar om veel ‘geschiedenis’ zelf zou men niet heen kunnen om diezelfde geschiedenis geen geweld aan te doen. Manguel besteedt aandacht aan het ontstaan van het schrift, aan de lezer bij de oude Grieken, de Romeinen, de Middeleeuwen, het verboden lezen, de boekdrukkunst, het lezen bij geleerde en bij de gewone burger, het verboden lezen en ten slotte de intrede van de computer.

 

In de meeste geletterde maatschappijen – van de Joodse en christelijke tot die van de islam, oude Maya’s en boeddhisten – vormt lezen het begin van sociaal contact. Lezen is communicatie. De verering van het boek – op kleitablet, perkamenten rollen, papier of beeldscherm – vormt een basis van de geletterde samenleving. Manguel wijst op het belang van het voorlezen, maar ook op de ‘verzwakking’ ervan, aangezien voorgelezen worden ‘een veel minder persoonlijke ervaring is dan zelf een boek vasthouden en de tekst met eigen ogen volgen’.

 

Het is een onoverkomelijk bezwaar, zeker bij de jeugd, dat niet opweegt tegen de waarde en betekenis ervan. Manguels ‘geschiedenisboek’ zou je gemakzuchtig kunnen afdoen als een ‘omgevallen boekenkast’. Hij laat immers een vloed aan grote namen los, met een nadruk op kerkvader Augustinus, Borges en Kafka, al ontbreken op Erasmus en de Portugese Nederlander Spinoza na, Nederlandse namen, die in dit boek uiteraard niet misstaan zouden hebben, onder wie Multatuli, Ter Braak en Vestdijk. Door die namedropping krijg je als vanzelf een idee van ‘compleetheid’, van grote belezenheid en eruditie bij Manguel, zonder dat de auteur evenwel een eigen visie ontvouwt.

 

Maar daarmee zou Manguel tekort worden gedaan. Zijn boek is geen chronologische geschiedschrijving, voor zover die al mogelijk is, vanaf de Babylonische kleitabletten uit het vierde millennium voor Christus tot het digitale boek, maar een persoonlijke reis door de geschiedenis van het boek. Hij heeft het lef om een bijkans onmogelijk en ongrijpbaar fenomeen als het lezen trachten te vangen in een misschien niet feilloos maar wel eigenzinnig boek. Zijn grote verdienste is dat hij met een scherp oog voor details, verhelderende anekdoten en verhalen een sprankelend boek heeft geschreven, en niet verzandt in een vergaarbak van feitjes en weetjes waaraan elke samenhang ontbreekt.

 

Voor het hoofdstuk ‘In den beginne’ reist Manguel in zijn hoofd opnieuw af naar Irak, naar de ruïnes van Babylon, de bakermat van het schrift en de plaats waar de Toren van Babel moet hebben verrezen. Hij schrijft over spijkerschrift en handschriften, over perkamenten rollen, papier en beeldscherm, over de uitvinding van de boekdrukkunst en pockets, leesclubs in de Middeleeuwen, de grote Kamelenbibliotheek van de grootvizier van Perzië (die zijn kamelen had geleerd in alfabetische volgorde te lopen), graaf Libri, de beroemde boekenrover, de verering en de vorm van het boek, en boekverbrandingen in nazi-Duitsland.

Manguel maakt het algemene bijzonder door over zijn eigen herinneringen en ervaringen te schrijven, zodanig dat zijn boek voor de lezer vaak een feest van herkenning is.

 

Het archief van de leeslust ontsloten

 

‘Poseren voor de bladspiegel’ is een bloemlezing uit de beeldende kunst, met een accent op de achttiende eeuw, waarin het ‘archief van leeslust’ wordt geopend. Poëziecriticus en hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde ‘in ruste’ Kees Fens, die in 1990 de P.C. Hooftprijs ontving voor zijn essays, schreef de teksten bij deze portrettengalerij van lezers door de eeuwen heen. Het zijn geen ‘praatjes bij een plaatje’ geworden, maar zoals van Fens verwacht mag worden, fijnzinnige en poëtisch getoonzette schetsen die feilloos aansluiten bij de intieme portretten, tekeningen en schilderijen. Beeld en tekst vormen als het ware elkaars spiegelbeeld, ze vullen elkaar aan.

 

In de Middeleeuwen werden schilders vooral geïnspireerd door vrouwelijke heiligen als Maria Magdalena die lezend werden afgebeeld, met het woord Gods in de hand, en door kerkvader Hieronymus. Ook na de uitvinding van de boekdrukkunst, toen meer mensen in staat werden gesteld kennis van boeken te nemen en te leren lezen en ons de illusie schonk dat alle lezers van ‘Don Quichot’ hetzelfde boek lezen, bleef lezen of studeren nog lang gezien als een welhaast sacrale bezigheid, met een grote eerbied voor het boek.

 

Het is opvallend hoezeer de Nederlandse schilderkunst ‘de bloeiende Hollandse burgercultuur weerspiegelt’ die zoveel inkijkjes geeft op interieurs met boeken en lezers. Op afbeeldingen uit de 18e eeuw, toen lezen ‘de kunst van het genieten’ was geworden, zijn de lezers grotendeels vrouwen, verdiept in een roman.

 

Lezend in de etalage

 

J.J.Oversteegen (1926), hoogleraar in de Nederlandse letterkunde en de theoretische wetenschap, thans ‘in ruste’, verdeelt de lezers in ‘Etalage. Uit het leven van een lezer’ grofweg in twee groepen:

 

De een is er alleen maar op uit zichzelf weerkaatst te zien’, als iemand die in de spiegelruit van een etalageruit naar zichzelf zoekt, ‘de ander zoekt een wereld die juist helemaal niet op de zijne lijkt’, degene die in de etalage – vandaar de titel – zoekt naar iets nieuws. ‘Misschien proberen beiden uiteindelijk toch om zicht te krijgen op zichzelf, maar hun middelen zijn zo verschillend dat de boeken waar ze een voorkeur voor hebben ook niet dezelfde zijn.’

 

Oversteegen zelf, zo maakt zijn zelfportret van een lezer duidelijk, valt onder de laatste categorie, met de kanttekening dat je weinig hebt aan een boek waarin je helemaal niets herkent, waarmee je geen enkele levenservaring deelt. Meer nog dan zijn ervaringen tijdens het lezen, beschrijft Oversteegen zijn herinneringen aan en ontmoetingen met mensen, met schrijvers als T.S.Eliot, critici én belezen lezers, die zijn leven hebben verrijkt. Tegelijk schetst hij een beeld van de leescultuur in Nederland.

 

Oversteegen schrijft over zijn tijd als student. Hij was een studievriend van de schrijfster Frida Vogels en J.J. (Han) Voskuil in wiens roman ‘Bij nader inzien’ uit 1963 hij model stond voor Paul Dehoes, al zal de nieuwsgierigheid van de Voskuiladept door dit boek waarschijnlijk niet echt bevredigend worden. Oversteegen was criticus, hij probeerde Nederlandse literatuur in het buitenland te slijten, was oprichter van het indertijd spraakmakende literaire tijdschrift Merlyn (samen met onder anderen Kees Fens) en schreef een monumentale biografie van de schrijver-staatsman Cola Debrot.

‘Etalage’ is vooral buitenkant, de wereld buiten het boek, want het is jammer dat hij niet dieper ingaat op ‘onbekende’ boeken en schrijvers over wie hij zo enthousiast is. De kracht en verdienste van het boek is dat het lezers een indruk geeft van de leescultuur, die we in de twintigste eeuw in ons land hebben gekend, en vooral een beeld geeft van een man die zonder zijn boeken niet had kunnen zijn die hij geworden is.

 

TENSLOTTE

 

Ontlezing, computers, boekenbergen en tegelijk minder verkochte boeken. Sinds jaar en dag zijn er pessimistische geluiden te over. Toch wordt er niet per se minder gelezen dan vroeger. Aan het eind van de vorige eeuw verloor het boek als ‘allesbeheersend medium’ gaandeweg terrein aan andere, audiovisuele media.

 

 

Velen zijn sceptisch, maar het boek zal blijven bestaan. Al dan niet op papier of in digitale vorm blijft het boek, zoals Kees Fens het uitdrukt, ‘het individueelste – en daardoor ook het menselijkste – dat geen communicatiemiddel in onze westerse wereld kan vervangen’.

 

Alberto Manguel: ‘Een geschiedenis van het lezen’ (‘A history of reading’), vertaald door Tinke Davids, 416 pag, uitgeverij Ambo. Kees Fens & Uta Janssens: ‘Poseren voor de bladspiegel. Lezers in de lijst’, 124 pag, uitgeverij Querido. J.J.Oversteegen: ‘Etalage. Uit het leven van een lezer’, 286 pag., uitgeverij Meulenhoff.

 

September, 2001

UA-37394075-1