Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Een ode aan onze ‘kroonjuwelen’ de Wadden

Wijlen globetrotter Boudewijn Büch reisde voor zijn ‘eilandgevoel’ geregeld af naar de Stille Zuidzee. Hij kon daar al euforisch raken van een knipperende vuurtoren. De Nederlandse waddeneilanden liet hij links liggen, hij heeft er in zijn reisboeken tenminste nooit een letter aan gewijd. Dat is op zijn minst opmerkelijk. Dat vindt ook schrijver en antropoloog Gerrit Jan Zwier (1947), die verknocht is aan de Nederlandse wadden en daarover in zijn boek ’Mijn wadden’ zijn liefde betuigt.

 

Alles wat van ver komt, is lekker. Een geheel verzorgde reis naar Isla Margarita klinkt tenslotte interessanter dan een midweek op Schiermonnikoog. Maar Zwier, schrijver van onder andere (reis)boeken over IJsland en Lapland en de romans ‘De knoop van IJsland’ en ‘De dwaze eilanden’, zwéért bij onze waddeneilanden.

 

Voor hem geen verre vakantietrip naar een tropisch eiland, hem zijn onze kroonjuwelen in de kop van Nederland duizend maal liever. Zwier voelt zich thuis op de wadden, net als indertijd de door hem bewonderde dichter en scheepsarts J.J.Slauerhoff, die liever op Vlieland verbleef dan op de vaste wal (al was hij liefst op zee). Zwier haalt diens beroemde romantische dichtregel ‘Alleen in mijn gedichten kan ik wonen’ welwillend aan, met de aantekening dat het voor een eilandgast die de elementen trotseert geen kwaad kan om een tentje mee te nemen.

 

EILANDGASTEN ALS WOLKERS

Zwiers – literaire – liefdesverklaring klinkt oprecht. Veel schrijvers gingen hem trouwens voor. Zo laat hij talrijke andere eilandgasten aan het woord die met warmte over de wadden hebben geschreven. Zoals Jan Wolkers, een van de beroemdste waddeneilandbewoners, die vele jaren op Texel woonde en werkte. Wolkers kreeg de smaak begin jaren zeventig te pakken toen hij net als zijn collega wijlen Godfried Bomans een week verbleef op Rottumerplaat. Maar waar de een (Bomans) zich dodelijk eenzaam en verloren waande te midden van duistere natuurkrachten, voelde Wolkers zich juist in zijn element, als een Robinson Crusoe op de ’donkere gespen in de Waddengordel van smaragd’.

 

EILANDHOPPEN EN MAGISCHE CIRKELS

Van alles en nog wat passeert in ‘Mijn wadden’. Zwier schrijft uitvoerig over Slauerhoff en diens verblijf op Vlieland, en over de Texelse schrijver en historicus Nico Dros, die zijn eiland tot leven wekt in zijn verhalen en de roman ’Noorderburen’. Al trekt Zwier een wonderlijke vergelijking tussen de boeken van beide schrijvers. Hun thematiek is aan elkaar verwant, dat is waar, de tobberige hoofdpersonen zouden familie kunnen zijn, maar in de uitwerking verschillen ze toch hemelsbreed.

 

BRANDARIS ALS WAARSCHUWENDE VINGER

Zwier schrijft over het eilandje Griend (nog geen vijfhonderd meter in doorsnee), over eilandhoppen en wadlopen, over magische cirkels en heksen op ’het mooiste eilanddorp Hoorn’, over verwilderde katten, vuurtoren de Brandaris die, naarmate je je verder van Terschelling verwijdert, als ’een waarschuwende vinger steeds hoger uit zee oprijst’, over De Vliehors-Express, kapitein Rob, het goudschip De Lutine, zeehonden, rotganzen, en zo verder en zo voorts. Zwier is een eilandhopper die in al zijn geestdrift soms van de hak op de tak springt, waardoor de chronologie wel eens in de verdrukking komt.

 

HET WAD UITGEREKT TOT OUDERWETS PISTOOL

Soms is zijn stijl wat vlak, maar als hij in zijn element is – vooral als hij schrijft over zijn favorieten Vlieland en Terschelling – behoudt hij een aangename lichte toon. Mooi is wat hij over Schiermonnikoog schrijft, een eiland dat al eeuwenlang aan de wandel is, waardoor het is ‘uitgerekt tot een ouderwets pistool, waarvan de loop op Duitsland is gericht’.

 

Enigszins mensenschuw keert Zwier zich tegen de drommen toeristen die jaarlijks de eilanden bezoeken. Toerisme en recreatie vormen voor de eilandbewoners immers de grootste bron van inkomsten. De kritiek op de aantasting van het ongerepte wad is niet nieuw. In het begin van de vorige eeuw werd al geklaagd over de manier waarop natuur werd opgeofferd aan vakantiehuisjes. De eilandgasten van nu betreuren dat vanzelfsprekend óók, om er vervolgens toch met zijn allen, gewapend met rugzakken, op stoere wandelschoenen en kijker op de borst een poosje door te brengen.

 

KLEINE GEMEENSCHAPPEN

Zwier haalt meewarig de woorden aan van Jan van der Vegt uit Heiloo, die de monumentale biografie van Adriaan Roland Holst schreef en publiceerde over de Schotse Hebriden. Volgens Van der Vegt floreert een kleine gemeenschap op een eiland beter dan op het platteland. Van der Vegt is dan blijkbaar nog nooit op Schiermonnikoog geweest, stelt Zwier fijntjes vast, ’het eiland zou gehakt maken’ van zijn opvattingen.

 

Niet alleen op Schiermonnikoog kunnen eilanders elkaar het leven soms zuur maken. Zwier:

 

,,Zo zag een middenstander (op Vlieland) er geen been in om zich een avond lang onder de houten vloer van de strandkeet van ome Rinus te verbergen, om erachter te komen of die nu wel of niet bier verkocht. Ome Rinus had daartoe geen vergunning. Nog diezelfde nacht werd de clandestiene bierschenker van zijn bed gelicht.’’ Kortom: ,,Nu het geld voor het oprapen ligt, zijn velen kennelijk alleen op eigen voordeel uit.’’

 

Het zijn kanttekeningen van Zwier in een boek dat bovenal een ode is aan onze ’kroonjuwelen’. Voor Zwier vormen de wadden een paradijselijk oord, want ’het wad is een idylle en de wal een nachtmerrie’.

Gerrit Jan Zwier: ‘Mijn wadden’. Een literaire liefdesverklaring. Uitgeverij Contact, Amsterdam.

 

Juni, 2004

UA-37394075-1