Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Ella Reitsma in het kunstenaarshuis: gespitst op details die soms monsterlijk zijn

Europa kent veel prachtige oude kunstenaarshuizen vol ‘waardeloze voorwerpen’ waar de tijd lijkt stil te staan. Ella Reitsma, ook bekend als Ella Snoep van het gelijknamige marionettentheater in Abbekerk, bezocht de huizen van West-Europese beeldend kunstenaars en schreef er het boek ‘Het huis van de kunstenaar’ over.

 

In een kunstenaarshuis waar de collectie keurig geordend was en een museale sfeer hing, lichtte Ella Reitsma onmiddellijk haar hielen. Ze was immers op zoek naar kunstenaarshuizen annex atelier waar voorwerpen lukraak waren neergelegd of aan een in allerijl in de muur geslagen spijker hingen. Haar aandacht ging uit naar een beduimeld boekje, versleten penselen, een haastig weggelegd palet, een smoezelige stofjas of een paar doeken lukraak tegen een kast gezet, of een waterpompje om de klei nat te houden.

Als het maar iets zei van de kunstenaar die er gewerkt en geleefd had. Als het huis maar ademde. Als de ziel er nog maar huisde. Alsof de schilder of beeldhouwer elk moment zijn atelier kon betreden om weer aan het werk te gaan.

Kunsthistorica Ella Reitsma, ook bekend als Ella Snoep van het gelijknamige marionettentheater (stichting Illusie) in het West-Friese Abbekerk, reisde langs de ‘restanten’ van de levens van zo’n dertig kunstenaars van wie de meesten niet (meer) tot de grote sterren behoren, zoals beeldhouwer Henri Bouchard, Rosa Bonheur (de beroemdste schilderende vrouw van de vorige eeuw), schilder Antoine Wiertz en schilder George Frederic Watts. In hun tijd eens grote namen, tegenwoordig niet of nauwelijks nog bekend.

Ella Reitsma zette haar bevindingen op papier. En het resultaat mag er zijn: ’Het huis van de kunstenaar’. De dertig essays, waarvan er tien eerder in Vrij Nederland verschenen, het weekblad waaraan ze sinds 1981 als kunstcritica-redactrice is verbonden, zijn verlucht met prachtige foto’s van Hans van den Bogaard, die sinds 1977 als fotograaf voor hetzelfde weekblad werkt.

 

De interesse in de mens achter de kunstenaar past goed in deze tijd. Toen ik studeerde was dat wel anders.’

 

Reitsma schreef haar kunsthistorische vertellingen zodanig op dat ze de moeite waard zijn voor een breed publiek dat geïnteresseerd is in het werk van de kunstenaar en nieuwsgierig naar zijn leven, naar zijn ambities, verlangens en fantasieën. ,,De interesse in de mens achter de kunstenaar is nu eenmaal erg groot. Dat past goed in deze tijd. Toen ik studeerde was dat wel anders. Toen sprak je niet over de kunstenaar als persoon, dat hoorde niet, het ging uitsluitend over het werk’’, zegt ze in háár huis van de kunstenaar, een monumentale boerderij te Abbekerk, waar ze nu zoals elke zomer traditiegetrouw een serie marionettenvoorstellingen speelt.

 

,,Ik ben erg publiekgericht, dat wil zeggen, ik wil de mensen heel graag op dingen wijzen die de moeite waard zijn, die echt heel leuk zijn, en dat zijn deze kunstenaarshuizen zeer zeker. Als je in de buurt bent, of als je geïnteresseerd bent, neem de auto, zou ik zeggen, en rijd er naar toe. Ga naar Parijs, ach, daar heb je zoveel van die idiote en leuke huizen. Je gaat gewoon een dagje heen en weer. Vroeg op, dat wel, of je logeert een nachtje in de buurt, en dan zie je hoeveel bijzonders er is, Bouchard, Moreau, Bourdelles, Bonheur… ik kan ze je allemaal van harte aanbevelen.’’ Daarbij kan ‘Het huis van de kunstenaar’ zowel als kunstboek als reisgids dienen.

 

Dankzij  ‘gewone’ reisgidsjes kwam ze indertijd op het idee. Wijlen hoofdredacteur van Vrij Nederland, Joop van Tijn, kreeg ze indertijd enthousiast voor haar voorstel om het nauwelijks bekende fenomeen kunstenaarshuis uit te lichten. Binnen een straal van duizend kilometer rond Amsterdam bezocht ze het interieur van huizen en ateliers van schilders en beeldhouwers in Engeland (Leighton, Vanessa Bell en Duncan Grant), België (Wiertz, Ensor, De Smet), Frankrijk (Van Gogh, Moreau, Monet), Duitsland (Nolde, de Bossards), Oostenrijk (Kubin), Denemarken (kunstenaarskolonie in Skagen) en Nederland (Betzy Akersloot-Berg, Mesdag).

 

In Brancusi’s atelier heerst kilte en de woning van Magritte is alleen als fenomeen interessant. Je verbaast je over de kleinburgerlijkheid van zo’n groot schilder.’

 

Ella Reitsma gruwt van dat gekunstelde, van kunstenaarshuizen en ateliers die door de nazaten tot in de puntjes zijn gereconstrueerd. Reitsma: ,,Maar nog steeds zijn die gewild. Het lijkt zelfs of ze in de mode raken. Je hebt reconstructies van het atelier van Brancusi in Centre Pompidou in Parijs en van het huis van Magritte in Brussel. Ze voorzien in onze huidige behoefte naar het persoonlijke, het intieme. Hoe is de mens achter de kunstwerken? Maar in Brancusi’s atelier heerst kilte en de woning van Magritte is alleen als fenomeen interessant. Je verbaast je over de kleinburgerlijkheid van zo’n groot schilder.’’

 

Het is misschien een cliché, maar in Frankrijk hebben ze tenminste nog respect voor hun kunstenaars.’

 

Het aantal Nederlandse kunstenaarshuizen is beperkt. Hoe dat komt? ,,Nederland houdt niet zo van bewaren. Neem nu de schilder Kees Verwey. Hij was nog niet koud dood of hup, de boel ging in de container. Er is bij ons geen traditie. Zodra een kunstenaar boven de vijftig is, wordt hij al als oud beschouwd. Telt hij eigenlijk al niet meer mee, wat zoveel anders is in Frankrijk, België en Engeland. In die landen koesteren ze hun kunstenaars nog. Bij ons is de bewondering voor kunstenaars niet zo groot. Het is misschien een cliché, maar in Frankrijk hebben ze tenminste nog respect voor hun kunstenaars.’’

 

Aan welke eisen moest een door haar uitverkoren kunstenaarshuis voldoen? Ella Reitsma: ,,Het moest natuurlijk wel zo authentiek mogelijk zijn. Leefden die lui echt zo? Alsof de kunstenaar elk moment binnen kan komen om in zijn atelier aan het werk te gaan.’’

Enkele details die haar aandacht trokken waren halters naast een bed in de slaapkamer (huis van de Deense zeeschilder Holger Drachmann), een indianenkostuum van Buffalo Bill (huis Rosa Bonheur), een koffergrammofoon bedekt door een kanten kleedje en een stapeltje platen met volksliederen en de Herz-Schmerz-Polka (huis van tekenaar-illustrator Alfred Kubin).

 

Vincent van Gogh

 

Het huis van Van Gogh in Auvers-sur Oise noemt Reitsma een ‘Fremdkörper’. De schilder woonde zes weken in een kamer in de herberg van Ravoux. Toen schoot hij zich in zijn borst. Nog niet zo lang geleden werden herberg en kamer teruggebracht naar de staat van 1890, het jaar van zijn dood.

Reitsma legt in haar essays in ‘Het huis van de kunstenaar’ de ene keer het accent op het werk, de andere keer op de persoon en zijn bijzondere levensverhaal, en dan weer op de familie of trouwe huisgenoot die zijn of haar leven volledig richtte op het bewaken van ‘de schatten’ van de bewonderde kunstenaar. Om inzicht te krijgen in het werk van de kunstenaar, en om de verbeelding van de lezer op gang brengen, stelde Reitsma zich een aantal vragen: waarmee omringde de kunstenaar zich als hij aan het werk was? Wat is het geheim achter het kunstwerk? Door wie en wat liet hij zich inspireren?

Zo trof ze in het huis van beeldhouwster Barbara Hepworth op richels en traptreden door de zee gepolijste kiezels. Anna Ancher (vrouw van de Deense schilder Michael Ancher) bewaarde alle (mooie en matige) doeken die ze cadeau kreeg van schilderende vrienden. Rosa Bonheur omringde zich met opgezette vogels en geprepareerde koppen van zwijnen en paarden.

Schilder Emil Nolde bewaarde etnografica uit Nigeria, Indonesië, Nieuw-Guinea en volkskunst uit Rusland. Moreau kopieerde naar de Venetiaan Carpaccio. Christoffel Bisschop maakte vrije kopieën naar schutters van Frans Hals. En in veel van de kunstenaarshuizen vind je gipsafgietsels van beelden of reliëfs uit de oudheid, gotiek of renaissance.

 

Aan de hand van details die soms monsterlijk zijn, kun je wel een verhaal reconstrueren. En dat vind ik nu juist leuk.’

 

Het is vooral de ’vanzelfsprekende achteloosheid’ die Ella Reitsma mateloos intrigeert. ,,Meestal kijk je eerst naar schilderijen, tekeningen, beelden, maar ga je aan de onooglijkste zaken voorbij. Souvenirs, details die soms monsterlijk zijn, maar aan de hand daarvan kun je wel een verhaal reconstrueren. En dat vind ik nu juist leuk. De onverwachte details, de verrassingen, de ontdekkingen die je doet in het huis van zo’n kunstenaar. Want je huis is toch de ziel. Je eigen huis laat zien waar je van houdt en vooral waar je níet van houdt.’’

,,Het is eigenlijk net als bij het theater, het zijn de kleine dingen waar het om gaat, die net even anders zijn, zodat zo’n huis gaat leven. Ik houd van verhalen, dus zo groot zijn de verschillen tussen mijn werk in de beeldende kunst en het marionettentheater nu ook weer niet.’’

 

Poppentheater en beeldende kunst hebben meer met elkaar gemeen dan je denkt.’

 

Met theater maken, tekenen, schilderen en cabaret is ze ‘eigenlijk altijd bezig geweest’, als kind al, tussen de schuifdeuren. En later op de middelbare school. ,,Vier jaar lang heb ik ook nog aan studentencabaret gedaan.’’ Na de universiteit, toen ze les gaf op de academie van expressie, kwam ze in aanraking met het marionettentheater. ,,Er werd een workshop gegeven. Marionetten maken en spelen. Ik kreeg daar aardigheid in, en dat plezier is tot op de dag van vandaag gebleven.’’

 

In Abbekerk stuitte ze op een prachtige zeventiende-eeuwse stolpboerderij, waarin ze het schrijven over beeldende kunst combineert met het creëren van haar marionettenvoorstellingen. Snoep is de naam van haar ex-man en haar kinderen. ,,Snoep is natuurlijk een verrukkelijke naam als je met marionetten werkt. Reitsma is een gortdroge. Snoep heb ik aangehouden, iedereen kent me zo, alleen mijn directe omgeving kent me als Ella Reitsma. Het werkt goed om mijn werkzaamheden te scheiden.’’

,,Al wekt het ook wel eens verwarring. Neem ik de telefoon op met Snoep, marionettentheater, legt de ander meteen de hoorn erop. Snoep? Poppentheater? Die mot ik niet hebben. Veel mensen vinden het raar, dat je zowel met jeugdtheater bezig bent, en dan nog wel met poppen, én over beeldende kunst schrijft. De link zien ze niet, terwijl er meer overeenkomsten dan verschillen zijn tussen die twee. En tja, er zullen ook altijd wel mensen blijven die – god zal weten waarom – bij poppentheater zeggen, dat mot ik niet.’’

 

Vanwege de drukte rond haar boek presenteert ze dit jaar geen nieuwe theaterproductie. Die van volgend jaar staat reeds in de grondverf. Werktitel: ‘Ik wil niet anders’. Op een zolder begint de voorstelling al geleidelijk aan vorm te krijgen. Een paar knappe poppen, klein, groter, levensgroot. Een paar mooi gekleurde lappen stof. Een vuurtorentje waar haar oog tijdens haar tournee langs de kunstenaarshuizen op viel (‘overal en altijd ben ik bezig met verzinnen, onbewust kijk ik of ik iets kan gebruiken voor een voorstelling’). Een zeilbootje dat deint op de golven van een witblauwe lap stof. Een uitgekiende belichting, passende muziek, een spannend verhaal, een gepassioneerd speelster… en voilà, in een handomdraai is de illusie, de magie geboren en komt alles op de paar vierkante meter tot leven.

 

Ik ben de gastvrouw, ik zit aan de telefoon voor de reserveringen, ik ontvang het publiek, ik zit aan de kassa, en dan, dan ga ik spelen.’

 

De theatermaakster doet vrijwel alles zelf. Ze bedenkt het verhaal, maakt de poppen, het decor en bespeelt de marionetten. Het verschil met pakweg zes jaar geleden is dat nu veel werk uit handen wordt genomen door de computer. Met een aantal vertrouwelingen diept ze de voorstelling verder uit. ,,Daarnaast ben ik gastvrouw, zit ik aan de telefoon voor de reserveringen, ontvang het publiek, zit aan de kassa, en dan, dan ga ik spelen.’’

 

,,Het is een groot verschil of je nu voor de jeugd of volwassenen speelt. Mijn publiek vernieuwt zich steeds weer, kinderen worden ouder. Je kunt niet eenvoudig een vast publiek opbouwen zoals bijvoorbeeld toneelgroep De Appel dat kan. Daar wordt de vaste bezoekerskern met de acteurs oud. Dat heb ik niet. Ik moet altijd weer het konijn uit de hoge hoed toveren. Alert blijven op wat kinderen bezighoudt.’’

,,Wie jeugdtheater maakt, moet zich steeds vernieuwen. Ze zeggen wel dat kinderen zich tegenwoordig niet meer zo goed kunnen concentreren, dat ze alleen maar willen zappen, maar daar geloof ik niets van. Je hebt net zoveel verschillende kinderen als volwassenen.’’

 

Beleefd zijn ze niet, maar als ze het vervelend vinden, zeggen ze dat tenminste.’

 

,,Spelen voor de jeugd vind ik nog steeds leuk. Kinderen zijn spontaan, gaan gemakkelijk op in je verbeelding. Beleefd zijn ze niet, maar als ze het vervelend vinden, zeggen ze dat tenminste. Ze kijken er fris en onbevooroordeeld tegen aan. Ze lijken nog onbevangen. Ze dragen minder ballast mee dan volwassenen voor wie het moet zijn zoals ze vinden dat het moet zijn.’’

 

,,Je kunt natuurlijk niet meer spelen met gordijntje open, gordijntje dicht. Ik merk aan de hand van de videoregistraties die ik van mijn voorstellingen maak, dat ik steeds helderdere voorstellingen ben gaan maken. Je leert uit ervaring steeds meer weg te laten. Dat loopt ook weer parallel met de stukken die ik over beeldende kunst schrijf, je beheerst steeds beter de kunst van het weglaten.’’

 

Je hebt een markt voor een breed publiek en een voor de liefhebbers. Ik ben er voor de liefhebber.’

 

Zorgelijk vindt Ella Reitsma de overdaad aan alles, aan boeken, films, theater, beeldende kunst. ,,Er zit een hoop tinnef tussen, en probeer daar maar een selectie uit te maken. Dat valt niet mee. Daarom zijn veel mensen zo gespitst op hypes. Daarvan weet je tenminste zeker dat het de moeite waard kan zijn. Je hebt tegenwoordig dan ook een markt voor een breed publiek en een voor de liefhebbers. Ik ben er voor de liefhebber.’’

 

Ik kan dat moeilijk, mezelf verkopen.’

 

Theatermaakster Ella Snoep maakte achttien voorstellingen, waarvan één, ’Een odyssee’, voor volwassenen. Een aantal teksten van haar marionettenvoorstellingen verscheen in boekvorm. ,,Ik zeg wel eens, als ik op reis ga, ik ben zes meter breed, vijf diep en drie hoog, dan pas ik in elk cultureel centrum of dorpshuis.’’

Als kunsthistorica publiceerde ze behalve kritieken, reportages en portretten een monografie over Dick Bruna. ,,Jarenlang heb ik die twee disciplines strikt gescheiden gehouden. Nu niet meer, het kan me nu niet meer schelen. Niemand kan me meer schaden. Goed is goed. Al blijf ik het vreselijk vinden om mijn eigen producties aan te prijzen, om een voorstelling te promoten zonder dat iemand die nog heeft gezien. Ik kan dat moeilijk, mezelf verkopen. Daar moet je de mentaliteit voor hebben, al kun je die jezelf wel aanleren. Die moet je trainen. Jonge kunstenaars moeten wel, anders kom je domweg niet aan de bak.’’

 

Het huis van de kunstenaar’, door Ella Reitsma (tekst) en Hans van den Bogaard (foto’s), 200 blz, uitgeverij Amsterdam University Press/Salomé, Amsterdam.

 

Augustus, 2001

UA-37394075-1