Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Erasmus versus Grunberg: De wereld een poppenkast

In 1511 verscheen ‘De lof der zotheid’ van Desiderius Erasmus (1466/1469-1536). Bijna vijf eeuwen later geeft Arnon Grunberg (1971) daar zijn ‘antwoord’ op: ‘De mensheid zij geprezen’. De een (de humanist Erasmus) bespot de dwaze mens, terwijl de ander (de nihilist Grunberg) het opmerkelijk genoeg juist voor hem opneemt.

 

Ironie of ernst? Hoe het zij, het plezier dat Erasmus moet hebben gehad tijdens het schrijven van zijn ’niemendalletje’, spat in de nu verschenen twee nieuwe vertalingen nóg van de bladzijden af. Terwijl wat Grunberg schrijft, vooral somber stemt.

Niet dat wat Grunberg schrijft geen hout snijdt, integendeel, maar de grunbergiaanse snaaksheid moet je in ‘De mensheid zij geprezen’ met een lantaarntje zoeken. In zijn boek is Grunberg zo verbijsterend ernstig dat je soms snakt naar de meligheid waarmee hij in zijn romans niet zelden op het randje balanceert. Hoe kan dit? Heeft Grunberg te hoog gegrepen? Had Grunberg, nadat hij door uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep gevraagd was om dit Erasmusjaar/Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa op te sieren met een ’vervolg’ op ‘De lof der Zotheid’, zíjn loflied misschien niet beter kunnen laten liggen of rijpen, of in een diepe bureaula wegstoppen?

 

De Zotheid schildert een schitterend portret van de 16e-eeuwse maatschappij, van de wereld als schouwtoneel waar niets is wat het lijkt.

 

Grunberg heeft flink op zijn verhaal zitten zwoegen en zweten. Hij heeft zelfs overwogen om de opdracht terug te geven. Erasmus had indertijd minder moeite met zijn ’Moriae encomium’ of ‘Laus stultitiae’, bij ons beter bekend als de ’Lof der Zotheid’. Hij schreef zijn meesterstuk in één week, zo wil het verhaal tenminste. Hij logeerde in het grote huisgezin van zijn goede en jonge(re) vriend Thomas More (1478-1535) die later zijn beroemde ’Utopia’ zou schrijven. Hij had toch niets om handen, bovendien had hij zijn boeken in de buurt. Dus schreef hij, op verzoek van zijn vriend, een ‘tussendoortje’, waarmee – o ironie van het lot – zijn naam nu al vijf eeuwen lang met groot respect is verbonden. Het boek wordt nog wereldwijd gelezen en wie het boek opslaat verbaast zich nóg over de frisheid ervan, terwijl al die andere grote, geleerde werken van de humanist en veelzijdig wetenschapper zijn vergeten of nog zelden worden ingekeken. Dat de ideeën van Erasmus, pleitbezorger van verdraagzaamheid en meningsvrijheid en Europeaan avant la lettre, zich indertijd zo snel konden verspreiden was te danken aan de toen pas uitgevonden boekdrukkunst en zijn contacten met talloze vooraanstaande figuren.

De menselijke dwaasheden

In zijn boek hekelt de Zotheid, voorgesteld als een godin, de menselijke dwaasheden, waarbij Erasmus vooral zijn eigen stand, de geestelijkheid, de oren wast. De Zotheid schildert een schitterend portret van de 16e-eeuwse maatschappij, van de wereld als schouwtoneel waar niets is wat het lijkt. Zij houdt de mens een spiegel voor, vertelt over de ondeugden waarin hooggeplaatste personen als koningen en pausen zich allerminst onbetuigd laten, maakt het volk duidelijk dat het leven zonder haar stierlijk vervelend, ja ondraaglijk zou zijn geweest.

 

Wie Erasmus zegt, zegt ook Rotterdam, waar nu een brug, een universiteit, een gymnasium en naar verluidt een escortservice naar de grote zoon is genoemd.

 

Erasmus’ satire was in zijn tijd spraakmakend – behalve bewondering viel de schrijver veel kritiek (vooral van theologen) ten deel – en is ook nu nog een verrukkelijk boek. Lees, proef zijn taal – Erasmus’ tekst blijft sprankelen. Ook in de twee nu prachtig uit het Latijn overgezette nieuwe Nederlandse vertalingen door Petty Bange en Harm-Jan van Dam, die zijn verschenen ter ere van Rotterdam Culturele Hoofdstad van Europa 2001, want wie Erasmus zegt, zegt ook Rotterdam, de plaats waar Erasmus omstreeks 1469 ter wereld kwam als bastaardzoon van een priester en een zekere Margaretha, en waar nu een brug, een universiteit, een gymnasium en naar verluidt een escortservice naar de grote zoon is genoemd.

 

Natuurlijk is het ook mijn verdienste dat u overal oude mannen van Nestors leeftijd ziet, die al nauwelijks meer op mensen lijken, namelijk stotteraars, dwazen, tandelozen, grijsaards en kaalhoofdigen.’

 

Toch laat Erasmus je met vragen zitten. Hij zet je telkens op het verkeerde been. Is er in zijn boek wel sprake van een lofprijzing? Wordt in deze paradoxale lofzang immers niet geprezen wat helemaal niet zo prijzenswaardig is? Worden wij, lezers, hier niet vreselijk in het ootje genomen? Aanvankelijk is ‘Lof der Zotheid’ vooral amusant en geniet je van passages als deze: ’Natuurlijk is het ook mijn verdienste dat u overal oude mannen van Nestors leeftijd ziet, die al nauwelijks meer op mensen lijken, namelijk stotteraars, dwazen, tandelozen, grijsaards en kaalhoofdigen of, om hen meer met de woorden van Aristophanes te beschrijven: vuil, krom, armzalig, gerimpeld, tandeloos, kaal en impotent. Toch scheppen zij nog zoveel genoegen in het leven en voelen zij zich zo jong, dat de één zijn grijze haren verft, de ander zijn kale hoofd verbergt onder een pruik. Weer een ander gebruikt tanden die hij misschien wel van een varken heeft geleend, nog een ander is hopeloos verliefd op een jong meisje en is met zijn dwaze verliefdheden zelfs een jong ventje nog de baas. Die afgeleefde oude sukkels nemen nog een teer jong meisje tot vrouw, zelfs als zij geen bruidsschat heeft, zodat later nog anderen plezier van haar zullen hebben. Dit gebeurt zo vaak dat het bijna prijzenswaardig wordt.’ Daarna krijgt de bijtende spot de overhand, en tenslotte overheerst de bittere ernst wanneer de christenhumanist Erasmus heimelijk het woord van de Zotheid overneemt. ’Erasmus is een aal’, schreef kerkhervormer Luther over Erasmus. ’Niemand kan hem grijpen dan Christus alleen.’

 

Grunberg, leerling-gezel uit de school van Erasmus.

 

Ongrijpbaar. Dat slaat ook op Arnon Grunberg. Als romancier, dichter en essayistcolumnist is hij een kameleon, onberekenbaar, tegendraads, rebels. Hij schopt tegen alles wat in zijn ogen vals en voos, hypocriet en lelijk is. Soms treft hij doel, soms verplaatst hij alleen maar lucht. Maar wat je ook van Grunberg moge denken, deze schrijver is wél een verademing in de Nederlandse literatuur. Hij heeft lak aan reputaties, ontziet niets en niemand. Grunberg is een aalgladde satiricus, je zou bijna zeggen: een leerling-gezel uit de school van Erasmus.

En uitgerekend deze schrijver neemt het in zijn ’De mensheid zij geprezen’, o ironie, nu op voor de mens, ’de zondebok’, die ’de schuld krijgt van alles wat misgaat op deze wereld’? Moeten we dat serieus nemen? Met de zin ’Geen beest is zo belasterd als de mens,’ zet Grunberg zijn ’De mensheid zij geprezen’ in. Hij ‘leent’ zijn woord aan een sinistere advocaat (van de duivel?), die voor de rechtbank zijn cliënt, de mensheid, verdedigt tegenover de aanklagers die haar van wandaden beschuldigen. Veel stelt hij aan de kaak: liefde, haat, huwelijk, hoop, schuld, oorlog (’oorlog is een massale flirt met dood en vernietiging om de liefde voor het leven te bevestigen’) en zo verder. Maar Grunberg zet alles op zijn kop. Zijn hoofdfiguur draait waarden en normen om, probeert aannemelijk te maken waarom liefde vooral eigenliefde is, wreedheid schoonheid en haat een deugd, en dat de mens weliswaar slecht en wilsonbekwaam is omdat hij nu eenmaal zo geschapen is. Hij probeert nieuwe inzichten te bieden, want niets is hem te dol om zijn cliënt vrij te pleiten. En om zijn pleidooi kracht bij te zetten gaat hij te rade bij beroemde schrijvers en geleerden die ’met hun zelfvoldane gezichten’ in de getuigenbank zitten. Maar geloof ze niet, deze lieden, luidt de waarschuwing, wie de gave van het woord bezit moet je niet blind vertrouwen. Grunberg schetst aldus een inktzwart wereldbeeld zoals we dat kennen uit zijn romans: de wereld een poppenkast, met de mens als marionet, een clown.

 

Iemand moet eens uitleggen wat schuld eigenlijk is.’

 

Bij vlagen is hier de vertrouwde Grunberg aan het woord: schrander en scherp, achteloos met dodelijke precisie: ’Ik zal geen namen noemen, maar zonder twijfel kunnen wij van veel beroemde en gewaardeerde hedendaagse schrijvers zeggen dat het beste wat ze hebben voortgebracht datgene is wat ze niet hebben geschreven.’ En even verder: ’Iemand moet eens uitleggen wat schuld eigenlijk is. De een helpt dertigduizend man om zeep en er wordt een standbeeld voor hem opgericht, de ander raakt verblind door zijn hormonen en wordt levenslang opgesloten.’ Hij verrijkt ons met observaties als: ’Eerder zal men een olifant op een speelgoedtrein vervoeren dan dat men de waarheid zal overbrengen door middel van het woord.’ Maar Grunberg kan ook rare en duur klinkende onzin noteren als ’alleen op de maan kan het leven heilig zijn, want daar is geen leven’ of ’wie een nieuwe zon verwacht, heeft de oude niet meer nodig’. Hij noemt de mens een ’rondzwalkend brok hormonen’ en bedient zich soms van foeilelijke clichés als ’maatschappelijke ladder’.

 

Ach, ik moet niet teveel verklappen, straks wordt de pech nog schaars.’

 

De vraag die bij deze lezer herhaaldelijk opwelde, was: geloofde Grunberg zelf wel in zijn verhaal, in zijn hoofdfiguur? De manier waarop hij consequent wat recht is krom maakt en vice versa, is knap. De wijze waarop hij zich de retorische trucjes van Erasmus heeft eigengemaakt, wekt bewondering. Toch werkt het hier niet. Je krijgt de indruk dat Grunberg voortdurend naar de juiste toon zoekt. Geloofwaardig is zijn hoofdpersoon nauwelijks, overtuigend klinkt hij evenmin, wat mij voor een advocaat dodelijk lijk. Grunbergs raadsman klinkt eerder vermoeid dan energiek: ’Ach, ik moet niet teveel verklappen, straks wordt de pech nog schaars.’

Zoals de Zotheid van Erasmus de wereld de ogen probeert te openen, lijkt deze man die ’de wijsheid wil ontmaskeren’ ons juist te willen verblinden. Bovendien pleit hij voor ’de mens’, een abstractie waardoor er, in elk geval bij deze lezer, geen enkele affiniteit, geen identificatie bestaat, laat staan enig erbarmen voor de noden van die arme mensheid voor wie Grunberg of beter zijn advocaat het zegt op te nemen.

Eindigt de Lof der Zotheid in mineur, ’De mensheid zij geprezen’ is daarin van meet af aan blijven steken. Een somber boek kan evenals deprimerende muziek soms wonderlijk opbeurend en troostrijk zijn. Het proza van Grunberg heeft die uitwerking soms ook. ’De mensheid zij geprezen’ ontbeert die, helaas. En daar word je op den duur moedeloos en mistroostig van, maar dan om heel andere redenen.

 

Desiderius Erasmus: ’Lof der Zotheid’, met de tekeningen van Hans Holbein uit het Baselse exemplaar van 1515, uit het Latijn vertaald, geannoteerd en ingeleid door Petty Bange, 166 pag., uitgeverij Sun, Nijmegen. ’Lof der Zotheid, uit het Latijn vertaald door Harm-Jan van Dam, 144 blz, uitgeverij Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam. Arnon Grunberg: ’De mensheid zij geprezen’. Lof der Zotheid 2001, 144 pag., uitg. Athenaeum – Polak & Van Gennep.

 

April, 2001

UA-37394075-1