Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Esther Jansma: ‘Op een dag ga ik ook weg’

Esther Jansma (1958, Amsterdam) behoort niet alleen tot het puikje van de Nederlandse dichtkunst, inmiddels ze ook een van de meest gelezen en geliefde dichters.

 

De eerste druk van haar bundel ‘Alles is nieuw’ – oplage: tweeduizend exemplaren – was binnen tien dagen uitverkocht. ,,Dat is bizar ja”, zegt de dichteres. ,,Er is nu al een derde druk. Dat succes is niet zozeer te danken aan goede recensies, maar doordat ik in de loop der jaren een eigen lezerspubliek heb opgebouwd.”

Over prijzen en nominaties heeft Esther Jansma evenmin te klagen. Ze ontving de A.Roland Holst Penning 2006. Haar gedichtenbundel ‘Alles is nieuw’ (2005) werd genomineerd voor de VSB Poëzieprijs 2006 en werd bekroond met de Jan Campertprijs. ,,Ik ben zo’n type dat nooit prijzen krijgt. Daar ben ik nu eenmaal een te gewone dichter voor. Dat dacht ik tenminste altijd. Ik dacht ook: ik ga mijn hele leven stug door met schrijven en als ik zeventig ben krijg ik een prijs omdat ik er al decennia lang ben.”

Het kan verkeren. In 1999 begon de ‘zegetocht’ van de dichteres die met haar vierde bundel ‘Hier is de tijd’ (1998) werd bekroond met de VSB-poëzieprijs, de belangrijkste literaire onderscheiding voor een Nederlandstalige dichtbundel. ,,Geen seconde had ik er toen op gerekend dat ik de prijs zou krijgen, echt niet. Het was een geweldige verrassing. Wat dat betreft ben ik totaal niet blasé.”

Meisje

Esther Jansma is een flamboyante verschijning. Een rusteloos meisje van in de veertig, die het tegenovergestelde is van het cliché van de introverte dichter die de hele dag op een dichtregel zit te broeden. ,,De oppas is ziek, dus vlieg ik van hot naar her”, zegt ze buiten adem om de zaken in het huishouden ordelijk te regelen. Ze combineert haar dichtersschap niet alleen met een druk bestaan als moeder van twee kinderen (en een kind van haar partner). Ze heeft ook een drukke baan als archeologe bij de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB) en het door haar opgerichte Nederlands Centrum voor Dendrochronologie dat de ouderdom van hout onderzoekt.

Duurde het daarom zo lang, een jaar of vijf, voordat ‘Alles is nieuw’ verscheen? ,,Ik werk fulltime, ben hoofd van een onderzoeksafdeling en het gezinsleven eist alle tijd en aandacht op. Maar ik had deze keer echt zin om er lang over te doen. Ik heb de gedichten lekker lang laten liggen om te zien wat de tijd met de kwaliteit zou doen”, zegt de dichteres die tijdens het gesprek in haar monumentale woning in de Utrechtse binnenstad soms druk gebaart om haar woorden kracht bij te zetten of achteloos graait in haar weelderige haardos.

Rouwverwerking

In haar eerste bundels – ze debuteerde in 1988 met ‘Stem onder mijn bed’ – wemelde het nog van de autobiografische details (het verlies van een kind bij de geboorte, verdriet, rouwverwerking, woede) en persoonlijke associaties. Gaandeweg verplaatste haar thematiek zich naar een obsessie met de tijd en alles wat daarmee samenhangt (teloorgang, dood en verlies, herinneringen, archeologie) en een fascinatie voor taal. De toon van haar poëzie is de ene keer nuchter en afstandelijk, de andere keer een van kinderlijke verbazing. De vorm is beheerst, de taal aftastend, associatief, suggestief, beeldend. Er zit ook humor in haar poëzie, een aspect dat nogal eens onderbelicht blijft. Haar gedichten zijn muzikaal en hebben het vermogen om in een enkele zin, met een trefzeker beeld, toe te slaan en de lezer verbaasd, ontroerd of verbijsterd achter te laten.

 

,,Als ik een droevig gedicht schrijf wil dat niet zeggen dat ik zelf droevig ben. Je bent een poppenspeler die aan de touwtjes trekt om een zeker effect te bewerkstelligen.”

 

Hoe ernstig ze haar dichterschap ook neemt, een gedicht is óók een vorm van toneel, zegt ze: ,,Als ik een droevig gedicht schrijf wil dat niet zeggen dat ik zelf droevig ben. Je bent een poppenspeler die aan de touwtjes trekt om een zeker effect te bewerkstelligen. De ik in de gedichten valt lang niet altijd samen met ik van de dichter. Bij mij wordt het autobiografische er altijd heel snel bij gehaald. Met soms komieke resultaten. Gedichten die geschreven waren toen er geen sprake was van een dood kind worden dan toch weer in dat licht geïnterpreteerd. Die autobiografische interpretatie is een heel ouderwetse opvatting. Het doet me denken aan Willem Kloos voor wie poëzie de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie moest zijn. Ach, voor Kloos was dat misschien zo. Er waren dichters die door het bos liepen en dan beweerden dat een gedicht ze inviel. Ze schreven dat vervolgens op. Als een soort ontvangstapparaat van het hogere. In hun nalatenschap werden later dan dertig versies gevonden. Met andere woorden: hoe verkoop je de handel. Dat was toen ook al zo. Maar als je opschrijft wat je voelt, zoals in het geval van de meeste amateurdichters, krijg je Candlelight. Mijn opvatting van poëzie is dat een gedicht een constructie is, al moet je om een gedicht te schrijven natuurlijk wel enorm gemotiveerd zijn door het onderwerp.”

 

,,De lol van het dichten is ook de lol van de dichter om iets nieuws te maken.”

 

Ze gelooft niets van dichters die beweren dat ze binnen vijf of tien minuten een gaaf gedicht (kunnen) schrijven. ,,Nee, zo werkt het niet. Dat is alsof je even naar de wc gaat. Daar komt alleen bagger van, geloof me, meer niet. Het is een simplificering van de werkelijkheid. Dichter Rutger Kopland heb ik tijdens een college over poëzie voor studenten eens horen zeggen: ‘Als ik over een begrafenis schrijf, neem ik niet de begrafenis, maar de stoet. Als ik de stoet neem, neem ik het vrouwtje dat voor me loopt. En als ik over dat vrouwtje schrijf, pak ik niet een hoedje dat ik nooit gezien heb, maar het afgezakte sokje links dat ik wél gezien heb.’ Je moet met andere woorden een trigger, een aandachtspunt hebben. Wat niet wil zeggen dat alles honderd procent waarheid moet zijn. De lol van het dichten is ook de lol van de dichter om iets nieuws te maken.”

Kritisch

Ze is extreem kritisch over zichzelf, tegen het perfectionistische aan, waardoor ze soms weerzin koestert tegenover haar eigen werk. ,,Toen ik de gedichten van ‘Alles is nieuw’ af had, heb ik ze in mijn werkkamer op de grond uitgespreid om te onderzoeken wat bij elkaar zou passen. Ik heb toen drie reeksen gemaakt. Ik las ze en vond het totale prut. Ik schaamde me diep. Ik heb ze toen een poosje laten liggen, heb dezelfde gedichten daarna weer op de grond gelegd. Ik kwam uit bij vijf afdelingen en toen was het sterk. Het is, met andere woorden, niet alleen elk balkje dat een huis maakt, het is ook de volgorde waarin ze neergelegd worden. Wat niet wegneemt dat de gedichten ook heel goed op zichzelf kunnen staan.”

 

,,Als een gedicht een bepaalde emotie bij lezers oproept, heb ik wel van: tralala! Het wérkt!”

 

Krijgt ze veel reacties van lezers? ,,Ik ontmoet wel mensen die zeggen: ik heb een gedicht van je gelezen en moest daar om huilen. Als een gedicht een bepaalde emotie bij lezers oproept, heb ik wel van: tralala! Het wérkt! Dat is het grootste compliment dat je als dichter kunt krijgen. Dat iemand gegrepen wordt door jouw poëzie! Dat geeft een heel goed gevoel. Laatst vroeg een jonge vrouw mij schuchter om ‘Picknick op de wenteltrap’ te signeren. Ze ging ermee naar bed. Ze tikte op het boek en zei: Dat ben ik.”

Verwondering

In ‘Picknick op de wenteltrap’ – haar kleine ‘roman’ in schetsen – vragen drie kinderen, drie stemmen, de (gestorven) vader het hemd van het lijf. Hoe lang duurt eeuwig? Hoe lang duurt even? Wat is bewusteloos? Wat is dood? De kinderen kijken met dezelfde fantasierijke verwondering en aardse nuchterheid om zich heen als de dichteres zelf die weigert zich voetstoots bij ‘de werkelijkheid’ neer te leggen: ,,Mijn vader stierf heel vroeg, ik was zes jaar. Toen hij dood ging dacht ik: je kunt niet terug in de tijd. Kon dat maar! Daarover gaat ‘Picknick op de wenteltrap’. Daarin zegt iemand: De dingen kruipen zonder moeite van het ene nu naar het volgende nu. Eerst was er een velletje papier, nu is het een prop. Hoe kan het zo snel veranderen? Hij ligt op tafel alsof ie nooit iets anders is geweest. Mijn dochter beschikt over diezelfde verwondering. Ze heeft nog geen verleden met doden erin, maar zegt wel: ‘Als de wereld ooit begonnen is, moet ie ook ooit stoppen.’ Ze zei tegen mij: ‘Jij gaat dood en dat vind ik heel erg, maar op een dag ga ik ook weg’.”

 

Esther Jansma: ‘Alles is nieuw’. Uitgeverij De Arbeiderspers, 56 blz.

 

April, 2006

 

*

 

De deuren staan open

 

Ook de deur van het kamertje in de smalle gang

waar geen licht komt is opengewaaid. Zo was het, ja.

Zwarte nageltjes, gore geurkaars, kontje

dat nooit meer zou poepen, met een luier aan.

 

Daar gaan we weer, het is de oude koude glijbaan

richting niks en een kistje barstensvol wensen

dat daarop wordt gezet omdat het weg moet en

alweer wordt niemand gek.We hebben het druk.

 

We doen zand op ons kind, bereiden de rot voor.

Regels houden ons recht als soldaten en niemand

niemand weigert de wereld, vreet aarde, valt stuk

wordt grond om te groeien voor zijn vuistjes als bloemen.

 

Esther Jansma

(Uit: ‘Alles is nieuw’)

 

*

 

Dichtertje

 

Zij begint te lopen en ik loop haar achterna

omdat zij verstand heeft van de dingen

loopt ze voorop, ze begrijpt deze trap goed

nu ze zo goed weet waar ze verstand van heeft.

 

Ze heeft verstand van wat ze gaat laten zien

want zij zag het eerder dan ik en zij heeft het

in haar hoofd en ik nog niet, ik heb haar nodig

om met van die lange a’s verbaasd te raken.

 

Het grote nieuwe in de wereld moet nu even

bekend en van haar zijn als het meisje dat zij is

met haar precies goede beentjes, ze voelt zichzelf

 

lopen, een soort de baas, met mij achter haar zeker

is zij zichzelf en mij en ook de nieuwe kast

waarin zij helemaal past. Zij is de latenzienmaker.

 

Esther Jansma

(Uit: ‘Alles is nieuw’)

 

UA-37394075-1