Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

F. Springer 1932-2011 Een kosmopoliet die overal de grap van inzag

De schrijver-diplomaat Carel Jan Schneider alias F.Springer was een kosmopoliet. Als diplomaat in dienst van het Koninkrijk reisde hij de hele wereld af.

 

Zijn standplaatsen, of die nu Nieuw-Guinea, Teheran, New York, Bandung of Berlijn was, inspireerden hem tot verhalen en romans waarin de hoofdpersonen op het snijvlak van twee culturen leven.

Veel van Springers personages zijn bestuursambtenaar of diplomaat, net als de schrijver zelf was, en hebben dan ook sterke trekjes van hun schepper meegekregen. Ze zijn afstandelijk, goed in relativeren en observeren, en wapenen zich tegen verblinde idealisten en machtsbeluste types. Springer was een bescheiden, gereserveerde man die zich nergens helemaal thuis voelde en zich met een lichte spot wapende tegen de buitenwereld. Daarom koos Carel Schneider ook een pseudoniem voor zijn schrijvende alter-ego – om afstand te bewaren.

F. Springer werd op 15 januari 1932 als Carel Jan Schneider geboren in Batavia, het huidige Djakarta. Hij was een oudere broer van de acteur en regisseur Eric Schneider. Hun vader was leraar en later hoogleraar Duitse letterkunde aan de Vrije Universiteit te Amsterdam. Zijn kindertijd in Nederlands-Indië was gelukkig. ,,Die eerste tien jaar in Indië was ik altijd buiten, dichtbij de natuur. Ik speelde met allerlei soorten vriendjes, Indisch, Indonesisch, Chinees, Hollands. De hele sfeer van een exotische omgeving is mij altijd bijgebleven.’’

Aan de tempo doeloe (de goeie ouwe tijd) kwam een einde door de Japanse bezetting in 1941. Springer verbleef als elfjarige jongen sinds december 1942 met zijn moeder en broertjes in het vrouwenkamp Tjihapit in Bandoeng. Zijn vader werd te werk gesteld aan de Birmaspoorlijn. Het was een periode die diepe sporen bij Springer naliet. ,,Vooral in het laatste jaar van die kampperiode heb ik geleerd om als jongetje voor mezelf op te komen, geleerd om te overleven, proberen niet al te ziek te worden en je niet te laten overmeesteren door heimwee.’’

In het verhaal ‘Portret van een likker’ uit 1958 komen voor het eerst in Springers werk een karakter met een Indische achtergrond en de Japanse kamptijd samen. Die elementen zouden daarna voortdurend terugkeren in zijn proza. In de novelle ‘Bandoeng-Bandung’ (1993) beschrijft hij hoezeer de kamptijd hem vormde. ,,Zo’n ‘broeder Laurens’, die daarin voorkomt’’, zei hij, ,,zíe ik in de halfduistere barak nog naar de lamp bij de tafel lopen waar hij nachtzuster speelde. En dan liep hij tussen de britsen door en de enige bij wie hij even stilstond en die hij over het hoofd aaide, dat was ik. Die man was een soort houvast toen ik daar in de dysenteriebarak lag.’’

In 1946 keerde Springer met zijn familie terug naar Nederland. Hij doorliep het gymnasium en ging in Leiden rechten studeren. Als achttienjarige was hij in de ban van ‘The great Gatsby’ van F.Scott Fitzgerald, die met Guy de Maupassant en Arthur Schnitzler zijn leermeesters werden. Springer ‘erfde’ van hen dezelfde soort afstandelijke beschrijving, kijk op de wereld en het menselijk gedrag. Met schrijven begon hij in zijn studententijd. ,,Schriften vol. Maar het meeste was niks,’’ zei hij. ,,Ik heb wel probeersels gestuurd naar een tijdschrift, maar die kreeg ik altijd terug.’’ Het eerste verhaal dat aangenomen werd, was ‘Een Eskimo op het dak’ (1956), over ontluikende, broeierige erotiek en de schijnbare onschuld van pubers.

In die periode nam hij het pseudoniem F. Springer aan. Dat was geïnspireerd op een cartoon van de Zwitser Chaval: een mannetje dat zich springend voor een te hoog hangende spiegel probeert te scheren. Hij zag de tekening als een metafoor voor de schrijver die het onbereikbare nastreeft.

Van 1958 tot 1962 werkte hij als bestuursambtenaar op Nieuw-Guinea. Als controleur was het zijn taak de rust en vrede te bevorderen tussen verschillende Papoeastammen in de Baliemvallei. Hij schreef in die tijd verhalen die in 1962 werden gebundeld in ‘Bericht uit Hollandia’. Nieuw-Guinea was ook het decor in de boeken die volgden: de novelle ‘Schimmen rond de Parula’ (1966) en de satirische roman ‘De gladde paal van macht’ (1969) over de machtsstrijd in een ontwikkelingsland.

Na 1963 kwam hij terecht op de Nederlandse consulaten en ambassades in New York, Bangkok, Brussel en Dacca. Na een tussenstop op Buitenlandse Zaken in Den Haag was hij tot de komst van Khomeini’s bewind in 1979 gestationeerd in Teheran. Daarna werd hij de ambassadeur in Angola. In die periode verscheen onder meer de roman ‘Bougainville’ (1981). In dit technisch knappe ‘gedenkschrift’ slaagt de maatschappelijk geslaagde hoofdfiguur er niet in om van het leven te genieten. Het is een typisch Springer karakter: de wereld ligt aan zijn voeten, toch eindigt hij met lege handen.

In 1983 werd hij ambassadeur in het voormalig Oost-Duitsland, zijn laatste standplaats. In Honeckers DDR trof hij dezelfde wezenloze, bizarre sfeer van vervreemding aan als in zijn eerdere werkplekken. Bij zijn afscheid in 1989 had hij, heel ondiplomatiek voor zijn doen, voorspeld dat De Muur binnen enkele jaren zou vallen. Niemand wilde er aan, maar een paar maanden later was het zover.

Opvallend is dat hij zich in de boeken die hij daarna schreef, waaronder ‘Bandoeng-Bandung’ (1993) en ‘Kandy’ (1998), kwetsbaarder opstelt dan in zijn eerdere werk. De relativerende, ironische toon is minder nadrukkelijk, maar de lichte toets blijft. In 1995 ontving de schrijver de Constant Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre.

In ‘Bangkok, een elegie’ (2002) keert de schrijver-diplomaat voor een lezing terug naar de Thaise hoofdstad waar hij midden jaren zestig woonde met vrouw en kinderen. Het is een aangrijpende hommage aan ‘het beginsel van de eeuwige liefde’ en een eerbetoon van de schrijver aan zijn vrouw met wie hij daar gelukkige tropenjaren had beleefd. Hij begon daarna aan een boek over zijn jaren in Oost-Berlijn, maar een ernstige ziekte weerhield hem van het schrijven. Hij herstelde en slaagde erin de roman in 2010 te voltooien: ‘Quadriga. Een eindspel’, genoemd naar het vierspan bovenop de Brandenburger Tor. Het nostalgische verhaal in helder proza over de DDR is een van de weinige boeken over de Wende uit de Nederlandse literatuur, en tegelijk een fraai slotakkoord van een rijk oeuvre. Of Springer nu schreef over diplomatie, zijn jeugd, vriendschap of liefde, hij bleef tot op het laatst trouw aan zichzelf in de hem zo typerende laconieke, veelal droogkomische stijl. ,,Ik heb altijd geprobeerd er de grap van in te zien,” zei hij over zijn (diplomaten)leven. ,,Niet cynisch worden, erom lachen. Relativeren. Humor en ironie heb je nodig.’’

 

November, 2011

UA-37394075-1