Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Frans Pointl: ‘Mensen irriteren me zo gauw’

De schrijver is een kattenman. Een gemoedelijke kater die onverwachts genadeloos kan uithalen. Met mensen heeft Frans Pointl meer moeite, vooral met vrouwen. ,,Als ik er vroeger niet een paar aan de dijk had gezet, was ik allang overleden.’’

 

Ter ere van zijn 75ste verjaardag verscheen de feestbundel ‘Poelie de Verschrikkelijke’ over zijn geliefde dieren. Gesprek in de zomer van 2008 met een minzame, praatgrage misantroop wiens leven door katten is verrijkt.

 

,,Hoe het is om 75 te zijn? Tja’’, zegt de jubilaris, die 1988 in één klap zijn naam vestigde met de prachtbundel ‘De kip die over de soep vloog’. ,,Moeilijke vraag. De ene dag redelijk, de andere dag k.u.t.’’

Frans Pointl (Amsterdam, 1 augustus 1933), enig kind van een schilder en een Joodse pianiste, slaakt een korte, diepe zucht. Opgelucht, dat de tocht van zijn sobere vrijgezellenwoninkje in hartje Amsterdam naar het statige grachtenpand van zijn uitgeverij is volbracht. ,,Ik moet af en toe rusten. Ik moet alles in een rustig tempo doen, anders red ik het niet. Het komt door al die kwaaltjes en al die smerige medicijnen.’’

Hij moet er elf per dag slikken. ,,Geen Viagra, hoor. Dat overleef ik niet. Het is voor mijn hart en voor mijn hoofd. Arteritis temporalis. Een ontsteking aan een ader in mijn hoofd, die hebben er ze eruit gehaald, en nou ben ik aan de Prednison. Vandaar dat ik zo’n dikke kop heb. Ik heb er zelfs een tegen medicijnvergiftiging. Eenmaal per week moet ik die innemen.’’

Maar moe of niet, hij steekt meteen van wal. ,,Ik was bij mijn vriendin in (de Rotterdamse wijk) Overschie. Liepen we over straat. Zij is 75, maar heeft vreselijk veel energie. Zegt ze, loop nou door! Ik zeg: ik kan niet verder. Daar moet je doorheen lopen, zegt ze. Ja, hoor eens, het gaat echt niet, zeg ik. Ach, als een ander iets heeft, is het altijd aanstellerij. Maar als zij iets heeft hoor ik een uur lang door de telefoon een jeremiade.’’

 

‘Vrouwen zijn moeilijk hoor. De meesten dan hè.’

 

Pointl heeft met vrouwen een soort haat-liefdeverhouding, altijd gehad. Zijn moeder voorop, met wie hij na de oorlog op een kamer aan de Stalinlaan (nu Vrijheidslaan) in de hoofdstad woonde. Zij was door de oorlog zwaar getraumatiseerd. Ze vormde niet alleen de rode draad in zijn leven, ook in veel van zijn verhalen.

,,Vrouwen zijn moeilijk hoor’’, verzucht Frans Pointl. ,,De meesten dan hè. Als je ruzie met ze hebt halen ze oude koeien uit de sloot’’, foetert hij. ,,Beginnen ze over toen en toen, toen je in 1998 dit en dat deed of zei. Gaan ze allerlei zijwegen bewandelen. Denk ik: waar ging die ruzie nou eigenlijk over? Daar word ik wel moe van, hoor. Vrouwen zijn heel onlogische wezens, maar ja, je hebt ze nodig, af en toe.’’

,,Toen mijn lapjeskat moeilijk liep en we hier in Amsterdam koffie zaten te drinken, vroeg mijn vriendin wat ik erger zou vinden, dat Vlek dood zou gaan of zij. Waarop ik uit de grond van mijn hart zei: Vlek natuurlijk! Had ik meteen slaande ruzie. Zij wilde uiteraard horen dat ik haar boven die kat stelde. Het leverde een enorme zeurpartij op, want daar hebben ze het patent op, hè.’’

Frans Pointl heeft iets van een gemoedelijke kater. Maar pas op, net als zijn favoriete dier kan hij, zodra deze zich bedreigd of aangevallen voelt, genadeloos uithalen. ,,Ja, ik ben zelf ook een beetje zo. In het complex waar ik woon viel ik eens zo uit dat de betrokkene zei: Zo, dat had ik niet van jou gedacht. Je komt toch over als een timide mannetje. Ja, denk ik dan, kijk maar uit, je moet wel weten hoe ver je kunt gaan.’’

 

‘Ik word altijd op die kip vastgepind.’

 

Frans Pointl werd in 1989 in één klap ‘beroemd’ met ‘De kip die over de soep vloog’, vele malen herdrukt en later nog eens aangevuld met andere verhalen tot ‘De dikke kip’. ,,Ik word altijd op die kip vastgepind. Zoals Rita Corita altijd werd vastgepind op ‘Koffie! (Lekker bakkie koffie)’. Alsof dat mens daarna nooit meer iets heeft gepresteerd. Raar is dat hè. Het was een hype. Eerst een interview in de krant, toen op tv bij Van Dis, toen een AKO-nominatie. En dan wijzen alle pijlen dezelfde richting op. Daarna heb ik nooit meer een bestseller gehad. Dat succes was moeilijk hoor, ik had het gevoel alsof ik en plein public een kattenbak stond schoon te maken.’’

Maar over bekendheid gesproken. Een week geleden kwam hij bij de Slegte in de Kalverstraat een vriendelijk ouder echtpaar tegen, dat hem aansprak. ‘Bent u meneer Pointl’, vroeg de vrouw. ‘Ja’, zei de schrijver. ‘Mijn man noemt u altijd de Joodse Carmiggelt’, zei ze. ‘Nou’, zei de schrijver, ‘ik schrijf toch geen korte verhaaltjes of cursiefjes?’ ‘Toch’, zei ze, ‘moeten we daar altijd aan denken als we u lezen, vanwege de humor en het cynisme.’ Een glimlach plooit om zijn lippen als hij eraan terugdenkt. ,,‘De Joodse Carmiggelt’. Hoe komen ze erbij hè? Maar ik vond het toch een compliment.’’

Pointls stiel vormen zijn autobiografische verhalen over het menselijk tekort die zonder opsmuk in sober, trefzeker proza zijn opgetekend en zich onderscheiden door zwarte humor en (zelf)spot. ,,Over alles wat je meemaakt kun je een verhaal schrijven. Als iemand me echt de dampen aandoet, kan ik op papier nog een trap nageven. Dat is een beetje gemeen, maar ik denk dat elke schrijver dat wel doet.’’

 

‘Ik identificeer me altijd met een dier

dat niet voor zichzelf kan opkomen. ‘

 

Zijn feestbundel ‘Poelie de Verschrikkelijke’ staat in het teken van katten. Niet zo vreemd voor een kattenliefhebber, die bovendien veel over zijn geliefde dieren heeft geschreven. ,,Ik identificeer me altijd met een dier dat niet voor zichzelf kan opkomen. Die wil ik redden, daarvoor wil ik dan zorgen. En dat zijn altijd katten. Ik heb trouwens nog nooit een kat uit een nest gehad. Er werd bij me aangebeld of ik vond er een op straat. Ik heb ze daarna allemaal aangemeld, maar er is nooit iemand een kat bij me komen halen.’’

Nooit? ,,Nou ja, één keer, dat was in die afschuwelijke Baliestraat. Toen had ik een zieke lapjeskat, die dankzij een hoer in mijn leven was gekomen. Die vrouw klaagde dat de poes steeds met vieze poten haar huis binnenliep. Na bijna een jaar kwamen een moeder en dochter langs. Een heel ordinair stel, dat zei dat het hun weggelopen lapjeskat was. Ik zei: Het zou kunnen. Die kat was inmiddels prachtig geworden, helemaal opgeknapt. Toen ik de rekening van de dierenarts liet zien stapten ze meteen op. Want het mag geen geld kosten hè?’’

Hij heeft altijd zwerfkatten gehad, uiteraard, geen raskatten. Die horen, vindt hij, bij dure, ordinaire mensen. ,,Een raskat zwerft niet, die is veel te duur, mensen moeten dan een stamboom van zo’n beest hebben. Flauwekul allemaal. Bij mijn katten had je alleen een stamtafel of -stoel, die maken ze dan kapot. Maar dat vind ik helemaal niet erg, ik heb toch ouwe rotzooi. Ik zal een kat nooit iets beletten, van mij mag ie op tafel springen. In de natuur kunnen ze hun nagels ook overal scherpen.’’

 

‘Lieve Heer, als er een mensenhemel is, laat me er niet

inkomen. Maar als er een kattenhemel bestaat, dan graag.’

 

De passie voor katten heeft hij van kindsbeen af. Wat is er zo bijzonder aan katten? ,,Als ze zwerven hebben ze een heel sterke overlevingsdrang. Zelfredzaamheid. Een kat is een einzelgänger, ondoorgrondelijk, niet slaafs. Een kat heeft ook niet graag een medekat in haar territorium. Het zijn eigenschappen die ik ook in mezelf terugvind. En ik vind ze erg lief, vooral als ze op de leuning van mijn stoel komen zitten of naast de typemachine. Ze storen je niet en maken ook niet zo’n afschuwelijk hard geluid als een keffende hond.’’

Katten hebben zijn leven verrijkt. ,,Hoe raar dat voor sommigen mag klinken. Ik vind het toch een vorm van vervulling. Nou geloof ik niet aan een hemel, maar ik heb in een gedicht geschreven: lieve heer, als er een mensenhemel is, laat me er niet inkomen. Maar als er een kattenhemel bestaat, dan graag!’’

Nee, een gezelschapsmens is hij nooit geweest. ,,Ik kan ook niet tegen woorden als samen en gezellig en delen, dat calvinistische Balkenendegedoe. Vreselijk. Ik weet zelf dat ik niet een van de gemakkelijkste ben, maar mensen irriteren me zo gauw, ik weet niet wat het is. Ik kan een man of vrouw niet te lang om me heen hebben. Ik ben geen visitemens. En er komt ook nooit iemand langs. Als er iemand op visite komt, voelt dat als een inbreuk op dat kleine wereldje dat ik zelf heb gecreëerd. Ik heb een heel klein bestaan. Dat schrijf ik ook in mijn gedichten, dat ik gelukkig ben in mijn eigen kleine universum. In alle voor- en tegenspoed. Ik ben altijd zo dom geweest om de nare dingen voor me uit te schuiven, om te proberen het te ontlopen, ook uit een soort lafheid. Ik ben iemand die pas in actie komt als ik met de rug tegen de muur sta.’’

Zijn beste kattenverhaal, dat vindt Pointl zelf ook, is ‘Poelie de Verschrikkelijke’, over een kat in wie, zo wordt gesuggereerd, Adolf Hitler is gereïncarneerd. ,,Vic van de Reijt (zijn uitgever, red.) zei: het einde vind ik het mooiste, met die zin ‘Ik ben de enige Jood die heeft gehuild om Hitlers dood’.’’

,,Het was een enorm beest, enorm agressief. Hij sprong tegen de muren op, vernielde alles, beet in alles, hij heeft mij ook vreselijk gebeten. In het verhaal moest ie dood. Als schrijver moet je wel eens wreed zijn. Later, toen ik ‘m al wat jaren had, was ie zo verschrikkelijk lief, was ie niet bij me weg te slaan.’’

 

‘Je kan iemand er niet zo gemakkelijk uit kanjeren.’

 

Een ander opvallend verhaal in de bundel is ‘Een bijrol in een b-film’. Hierin beschrijft hij de onverkwikkelijke affaire met zijn huisgenoot. ,,Die verhouding was meer platonisch, meer een experiment, een zoektocht. Ik had er al gauw spijt van. Maar je kan iemand er niet zo gemakkelijk uit kanjeren. Hij heeft mij eruit gekanjerd. Met behulp van een andere man. Ja, dat was een fatale vergissing, hou op, alsjeblieft. Zijn vriend was een psychopaat, een heel gevaarlijke man. Die heeft later ook last met de politie gehad. Ik heb later nog wel eens geïnformeerd hoe het is afgelopen met die twee, maar het is verschrikkelijk geweest, een tragedie. Die kerel heeft de ander, de huisgenoot, toen zo verschrikkelijk mishandeld, die is in coma geraakt en heeft een half jaar in het ziekenhuis gelegen. Hij had een hond, een tekkeltje, en toen ze ruzie hadden heeft ie waar de ander bij was dat hondje opgehangen.’’

Behalve kattenverhalen bevat ‘Poelie de Verschrikkelijke’ een royaal aantal gedichten. Pointl denkt dat hij in totaal zo’n honderd gedichten heeft geschreven. Al zou hij zijn jeugdwerk, ooit gebundeld in ‘Afscheid van laatste lente’, liefst doodzwijgen. ,,Er staat één goed gedicht in, de rest is echt verschrikkelijk. Liefst zou ik ze uitgummen. Ik vind ze zo huilerig. Ik schaam me er een beetje voor. Raar is dat hè?’’

De kattengedichten aan het eind van feestbundel heeft hij uit zijn dagboeken gevist. ,,Daar sta ik wel volledig achter. Vergeleken met die van vroeger zijn ze veel koeler en kritischer, niet zoetig.’’

Aan het eind van het gesprek oogt hij wat vermoeid. Hij neemt een slokje water en kijkt de verslaggever verwachtingsvol aan. ,,Ik hoop dat je genoeg stof hebt voor je verhaal.’’ Dat roept meteen een nieuwe associatie op die hem een kwajongensachtig gegrinnik ontlokt. ,,Om de dag bel ik mijn vriendin. Zegt ze: En, ben je nog aan het schrijven? Zeg ik: nou ik heb momenteel meer stof in huis dan stof om te schrijven.’’

 

Frans Pointl: ‘Poelie de Verschrikkelijke’, kattenverhalen en -gedichten. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 108 blz.

 

Juli, 2008

UA-37394075-1