Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Geert van Oorschot versus Willem Frederik Hermans

De legendarische uitgever Geert van Oorschot (1909-1987) was niet het type van de gewiekste zakenman. Hij was een wat onhandige brombeer die in een walm van sigarenrook en jenever niet eerder een boekhandel verliet dan nadat hij enkele van zijn boeken had afgezet.

 

Of dat nu de werken waren van Multatuli, de Grote Russen uit zijn vermaarde Russische Bibliotheek of de boeken van de nieuwe grote talenten Gerard Reve en Willem Frederik Hermans. Maar klopt dat beeld wel? Was Van Oorschot wel zo’n onhandige bullebak?

 

‘Een laffe man, maar een eclatant schrijver’

 

De uitgave van zijn correspondentie – hij schreef naar men aanneemt tegen de 20.000 brieven, deels van literair-historisch belang – beoogt een scherper beeld te geven van het leven en werk van Geert van Oorschot. Het eerste boek in een lange reeks is nu verschenen: ’Hierbij de hele God in proef’.

Het bevat alle 240 brieven die Van Oorschot tussen 1946 en 1978 schreef aan Willem Frederik Hermans, een van onze grootste naoorlogse schrijvers, met wie Van Oorschot eerst bevriend was en later nog net geen slaande ruzie kreeg. Twee geestverwanten die van vrienden vijanden werden. Oorzaak: geld, geld, geld. Want ze waren in krenterigheid aan elkaar gewaagd. ’’t Is en blijft een verdomde affaire: geld, maar ja, ’t hele leven is een rotzooi’, schreef Van Oorschot op 20 mei 1949 aan de dan nog jonge schrijver.

Helaas zijn in dit boek niet de brieven opgenomen die Hermans aan zijn uitgever schreef. De erven Hermans gaven hiervoor geen toestemming. Zij ’bewaren’ – ongetwijfeld in de geest van de schrijver – Hermans’ brieven liever voor het verzameld werk, dat te zijner tijd zal verschijnen bij De Bezige Bij, de uitgeverij waar Hermans na de breuk met Van Oorschot zijn heil beproefde. De bezorger van Van Oorschots brieven, literatuurhistoricus Top Maas, mocht Hermans’ brieven wél inzien, zodat hij toch (uitvoerig) commentaar kon geven en de antwoorden van de schrijver al parafraserend weergeven. ’Hierbij de hele God in proef’ is, uiteraard, verschenen bij Van Oorschots eigen uitgeverij, die sinds de dood van de oprichter door zijn zoon Wouter wordt gedreven.

Geert van Oorschot, die zijn uitgeverij in 1945 oprichtte, gaf in ruim tien jaar tijd negen afzonderlijke werken van Hermans uit, van ’Fenomenologie van de pin-up girl’ (1948) tot en met ‘De donkere kamer van Damokles’ (1958). Van Oorschot was de ‘ontdekker’ van Hermans en hielp Gerard Reve groot maken. Terwijl boekverkopers hun boeken aan de uitgever retourneerden omdat ze ’stonken’ en ‘vol vuiligheid’ stonden, bleef Van Oorschot zijn controversiële schrijvers door dik en dun steunen.

Hermans was in die tijd een moeilijk verkoopbare schrijver. Dat gold voor zijn omstreden romans ‘De tranen der acacia’s’ en ‘Ik heb altijd gelijk’, maar helemaal voor ‘De God denkbaar, denkbaar de God’, een roman met een surrealistische inslag waarnaar de titel van het brievenboek verwijst: ,,De onverkoopbare ’God’ heeft de mensen aan het schrikken gemaakt”, schreef Van Oorschot aan zijn auteur. Hij was er evenwel van overtuigd dat ‘De donkere kamer van Damokles’ iedereen over die schrik heen zou helpen én ‘een nieuwe schrik zal bezorgen’.

Aanvankelijk is er nog sprake van geestverwantschap en een zekere vriendschap tussen beide heren. Maar gaandeweg worden de meningsverschillen groter, nemen de verdachtmakingen en onbeleefdheden toe. Dat Hermans geen gemakkelijk mens was, is genoegzaam bekend. Bij iedere nieuwe druk wilde hij een hele rits correcties aanbrengen, wat zowel de uitgever als de zetter soms tot wanhoop dreef. Hij stelde, in de ogen van Van Oorschot, soms ’onmogelijke en onredelijke eisen’.

Steeds vaker sluipt er dan ook een korzelige toon in Van Oorschots brieven. Toen Hermans in 1958 het manuscript van zijn langverbeide roman ’De donkere kamer van Damokles’, een van de grote klassieke romans uit onze naoorlogse literatuur, eindelijk had ingeleverd, schreef hij: ’Ik heb je het manuscript niet vanwege de verregaande slordigheid willen retourneren omdat ik begrijp hoezeer het overtikken van zo’n omvangrijk geschrift zenuwslopend is, maar de zetter heeft er extra lang werk mee want hij tikt natuurlijk veel minder snel dan vanaf een manuscript hetwelk brandschoon is.’

Het valt voor een buitenstaander moeilijk uit te maken wie van de twee nu gelijk had. Maar je blijft je verbazen over het gekissebis over correcties, royalty’s en vertalingen, en over het gezanik over het al dan niet versturen van gratis presentexemplaren. Als de ster van Hermans dankzij ’De donkere kamer van Damokles’ snel begint te stijgen, breekt hij met Van Oorschot. De juridische conflicten worden voor de rechtbank uitgevochten. Het eerste wordt gewonnen door Van Oorschot, de volgende twee door Hermans.

De brieven van Van Oorschot zijn zakelijk, meestal helder van toon. Soms veroorlooft hij zich een kwinkslag, maar zelden windt hij zich op, ook niet in de brieven waarin hij reageert op Hermans grieven, hoe futiel of vergezocht die soms ook zijn. Hij laat zich niet uit de tent lokken of tot krasse uitspraken verleiden. Over andere kwesties laat Van Oorschot zich in deze correspondentie niet of nauwelijks uit. Niets over elkaars werk of over de literatuur, noch over de actualiteit. De heren corresponderen vrijwel uitsluitend over geld. Alleen in 1960 laat Van Oorschot iets los over de problemen met zijn zoon Guido die drie auto’s ’in puin had gereden’. Deze zoon zou later zelfmoord plegen. Van Oorschot leed daar zeer onder. En zijn drankgebruik werd nóg onmatiger.

Hermans bleef niet alleen verbaal, ook in geschrifte lang na de breuk op Van Oorschot inhakken. Zo zou het boekenbal van 1962 worden geopend met Hermans satirische eenakter ’Uitgever Oorwurm’, met een nogal opzichtige toespeling op de naam: Oorschot-Oorwurm. Ko van Dijk zou de hoofdrol spelen. Wim Sonneveld was zo enthousiast dat hij het stuk wilde bewerken tot een musical. Ten langen leste gingen beide uitvoeringen niet door. Volgens Hermans omdat ’de arme Van Oorschot’ in bescherming moest worden genomen. Sonneveld zag er vanaf omdat er bij nader inzien toch te weinig actie en ’dramatische’ ontwikkeling in het stuk zat.

Na 1970 hadden de heren nauwelijks nog (schriftelijk) contact. De mens Hermans had Van Oorschot zwaar teleurgesteld, de schrijver bleef hij hoogachten. Waar Hermans rancuneus was, was Van Oorschot vooral ontgoocheld: ,,Hij is een bange, laffe man. Máár een eclatant schrijver.’’ In interviews zei Hermans op zijn beurt dat Van Oorschot ‘een groot slachter was van kippen die gouden eieren leggen’: ,,Dat een schrijver de mentaliteit van een hoer moet bezitten, zou ik niet durven zeggen. Maar dat de uitgever een pooier is, weet ik zéker.’’

Fascinerende lectuur, zeker, maar Hermans’ schimpscheuten getuigen soms van een ongehoorde kleingeestigheid. De grote schrijver doet dan denken aan een verwend kind dat begint te krijsen zodra een ander kind even met zijn blokken speelt. Dat is niet de man die in een recent boek van Freddy de Vree nog ‘de aardigste man ter wereld’ wordt genoemd.

Van Oorschot is daarentegen vaak afgeschilderd als een bullebak. Maar uit deze brieven doemt eerder het beeld op van een nuchtere, zakelijk ingestelde man, een wat nurkse figuur, al is op grond van deze brieven een afgewogen oordeel over deze bevlogen uitgever niet mogelijk. Hij was in elk geval zuinig, tegen het krenterige aan, maar hij respecteerde de schrijver en kwam hem soms verregaand tegemoet.

Van Oorschot bleef de vaderlijke rust zelve. Al kon hij ook uit zijn slof schieten: ,,Een eerlijk gevecht zal ik nooit uit de weg gaan”, zei hij over een schotschrift van Hermans, ,,maar dit stuk van W.F.Hermans is zo’n perfide aaneenschakeling van laster, leugens en verdraaiingen, dat mij de lust ontbreekt mij met deze vuiligheid in te laten.’

Over zijn twee ’literaire zonen’, die allebei bij de uitgever hadden ingewoond, zei Van Oorschot eens: ’Hermans en Van het Reve zijn twee schrijvers van wie ik ongelezen alles zou willen uitgeven.’ De ‘streek’ die Hermans zijn uitgever had geleverd, is een mooi voorbeeld van een ’klassieke vadermoord’. Desondanks hield Van Oorschot jegens Hermans ‘nog wel vaderlijke gevoelens, ook al klinkt dat misschien gek na zoveel jaren’. Want ‘nee, de pest heb ik nooit aan Willem Frederik gehad’.

 

Geert van Oorschot: ’Hierbij de hele God in proef. Brieven aan Willem Frederik Hermans’. Bezorgd door Nop Maas . Uitgeverij G.A. van Oorschot, 378 blz.

 

November, 2003

UA-37394075-1