Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Ger Thijs: ‘Het toneel verovert publiek terug’

Na een roemloze aftocht in Den Haag werd hij vrijwel afgeschreven. Nu verrast hij sinds jaar en dag vriend en vijand met stukken die door een breed toneelpubliek én de kritiek hogelijk worden gewaardeerd. Ger Thijs (1948), toneel- en romanschrijver, regisseur en toneelbewerker: ,,Ik moest eerst midden vijftig worden voordat ik mijn draai had gevonden.’’

 

Wie de wapenfeiten op een rijtje zet komt tot conclusie dat Ger Thijs momenteel een van de creatiefste en productiefste toneelmakers is. In de theaters boeken zijn eigen stukken en zijn toneelbewerkingen van de klassieke film ‘Una giornata particolare’ tot en met Couperus’ ‘De kleine zielen’ veel succes. Zelf bagatelliseert hij die explosie van creativiteit: ,,Als mensen zeggen: wat ben jij productief, denk ik, ach, één stuk per jaar. Zo’n stuk telt vijftien à twintigduizend woorden, en je moet snel werken om te proberen de spanningsboog van de voorstelling te bewaren. Dus het valt wel mee.’’

,,Alle facetten van het vak – ik ben begonnen als acteur – heb ik gedaan en zal ik blijven doen. Het duurt alleen even voordat je weet waar je kracht ligt. Dat je kunt zeggen: dit wil ik doen, zo ben ik het gelukkigst. Daarvoor moest ik eerst door de vervuilende werking van ambitie en misverstanden heen.’’

Thijs vertrok jaren geleden met veel trammelant uit Den Haag waar hij artistiek leider was van Het Nationale Toneel. ,,Ik voelde me in Den Haag hartstikke goed. De stad heeft een groot toneelverleden. De Koninklijke Schouwburg was voor de verbouwing de prettigste zaal van Nederland. Ik maakte de ene succesvolle voorstelling na de andere, ‘Kleine zielen’, ‘Hebriana’. Het ging allemaal fantastisch. Totdat de schouwburg dichtging vanwege de verbouwing. Je raakt je plek kwijt, er komt iets gespannens over je. Wat het ook was, de betovering raakte verbroken, de succesreeks onderbroken.’’

,,Ach, directeur van een toneelgezelschap word je eigenlijk voor je ouders. Will van Kralingen zei bij het in ontvangst nemen van de Theo d’Or (toneelprijs voor de beste actrice, red.): ‘Hartelijk dank, mijn moeder is dood en mijn vader heeft Alzheimer.’ Daarmee wilde ze niet alleen zeggen dat ze de prijs eerder had moeten krijgen, maar ook duidelijk maken dat je het eigenlijk allemaal voor je ouders doet. Dat je thuis kunt vertellen: zie je wel, je hoeft als kunstenaar niet meteen aan de bedelstaf te geraken. Maar de directeursbaan die ik had was geen creatief werk, ook al regisseerde ik twee stukken per jaar.’’

Zijn vertrek voelde, zegt hij nu, als ‘een bevrijding’. ,,Ik had al die jaren niet geschreven omdat er geen tijd voor was. Ineens ontstond de opening om puur met het werk bezig te zijn.’’

Sindsdien rijgt hij het ene succes aan het andere. Veel bijval oogst nu zijn jongste stuk ‘Ik ben weg’, een tragikomedie over vriendschap, liefde en mislukking, waarin Mark Rietman en Peter Blok schitteren. Rietman is de getergde charmeur en kunstenaar met een ‘painter’s block’. Blok, een morsige kunstenaar die in de provincie is blijven aanmodderen. De haat-liefdeverhouding tussen beide vrienden zit vol misverstanden, afgunst en wantrouwen. Acteur Mark Rietman, dagelijks te horen als Ollie B.Bommel in het gelijknamige hoorspel, is een vertrouwd gezicht in de stukken van Thijs. Niet verwonderlijk, de auteur beschouwt hem als de ideale vertolker van zijn hoofdpersonage(s). In 2008 zal hij, met Carina Crutzen, ook weer van de partij zijn in Thijs’ nieuwe stuk ‘De grote liefde’. ,,Mark is een soort alter ego aan het worden. Hij is een fantastische acteur. Een Hamletachtige man. Volgend jaar gaat hij de ‘Hamlet’ ook echt doen trouwens. Mark is intuïtief, rommelt, zoekt en heeft het dan. Peter Blok is veel systematischer, gebruikt de repetities om zijn rol bij elkaar te sprokkelen, om de goede momenten te vinden. Leuk om te zien hoe die verschillende temperamenten op elkaar reageren.’’

Is het niet riskant om je eigen stukken te regisseren? ,,Producenten zeiden me dat ze slechte ervaringen hebben met schrijvers die dat doen. Daarom werd mijn bewerking van ‘Max Havelaar’ geregisseerd door Ignace Cornelissen en mijn stuk ‘Het licht in de ogen’ door Gijs de Lange. Mijn stuk ‘Beneden de rivieren’ is eigenlijk zonder regisseur gedaan. Op een bepaald moment dacht ik: laat ik het zelf maar doen. En zo is het gegaan omdat de angst dat ik er niet in zou slagen om mijn stukken te objectiveren nu blijkbaar is verdwenen. Omdat het wel kan. Het heeft beslist een gevaarlijke kant omdat je als auteur extra gevoelig bent. Maar ik ben in staat om zelf te zien waar een zak in een stuk zit. Ik ben zelfs eerder geneigd te schrappen dan er heilig over te doen.’’

Thijs put voor zijn werk (toneelstukken, romans) royaal uit zijn verleden, uit zijn jeugd in Limburg en zijn carrière in de kunst. ,,Zoals ‘Raak me aan’ over familie gaat, over mijn zus en ik, gaat ‘Ik ben weg’ over vriendschap en kunst. Het is natuurlijk altijd een beetje link als je je inspireert op mensen uit de werkelijkheid. Maar ja, waar moet je het anders vandaan halen? Mijn zus reageerde na ‘Raak me aan’ met: kan dat niet ophouden, dat gebruik van de familie? Daar ben ik nu mee klaar. Dus kan ze opgelucht ademhalen. Het stuk dat ik volgend jaar doe, ‘De grote liefde’, gaat over een liefdesaffaire van de hoofdpersoon met een Antilliaanse vrouw. Dat gebeurde toen ik midden twintig was. Ik ben van 1948. Zo verwerk ik in mijn stukken met tussenpozen van dertig à veertig jaar mijn leven, al doe ik dat wel zodanig dat het zich verzelfstandigt.’’

,,Toneel dwingt tot objectiviteit. Ik kan teksten maken voor bepaalde acteurs of een bepaalde gelegenheid, maar ik wil tegelijk wél dat mijn teksten in een boekje kunnen en door andere mensen kunnen worden gespeeld. Zoals nu ook gebeurt. ‘Raak me aan’ is door een amateurgroep op het repertoire genomen. ‘Het licht in mijn ogen’ is in België gespeeld.’’

In 2008 regisseert hij zijn bewerking van Couperus’ roman ‘Van oude mensen, de dingen die voorbijgaan’, ,,een staalkaart van ouderdom’’. ,,Er is een jong iemand die zich oud voelt, een oud iemand die zich jong voelt, mensen die vroeg oud zijn. Er is alom angst voor ouderdom.’’ Thijs heeft een zwak voor Couperus wiens beste boeken min of meer toneeldrama’s in romanvorm zijn. ,,Couperus is uniek in de Nederlandse literatuur, zeker in die tijd, waarbij je je toch door de beschrijvingen heen moet worstelen. Neem ‘De boeken der kleine zielen’, dat is een absoluut meesterlijk boek. Het is bewonderenswaardig zoals hij de figuren van een hele familie met een paar woorden kan kenschetsen. Het is tegelijk effectief, een beetje soapopera. En als hij niet meer weet hoe hij verder moet laat hij iemand doodgaan, zoals Dickens dat deed. Het is niet voor niets dat musicals hun gegevens vaak halen uit negentiende-eeuwse boeken.’’

Naar aanleiding van zijn successtukken en dankzij het extra geld dat cultuurminister Plasterk voor hoogwaardig tv-drama wil uittrekken is Thijs benaderd door film en tv. ,,Ja, zo gaat dat. Als je succesvolle voorstellingen maakt, belt er weer een filmproducent of iemand van tv, die vraagt: moeten we niet eens praten? Maar ik moet het allemaal nog zien. Ik heb indertijd de film ‘Havinck’ gemaakt, met Frans Weisz. Dat ging prima, dat was in een half jaar bekeken. Daarna ‘De vrouw van het noorden’, een Couperusbewerking. Ik heb daar zeven versies van geschreven. Na dertien jaar komt hij eindelijk in de bioscoop en wordt neergesabeld. Hij heeft niet eens een week in de bioscoop gestaan. Het gaat zo moeizaam de laatste jaren. De Nederlandse film haalt dan ook opgelucht adem met ‘Alles is liefde’. Als dat geen succes was geweest, hadden ze meteen kunnen stoppen.’’

,,Het voordeel van toneel is dat je niet op de huid gezeten wordt. Zo gauw is besloten een stuk op te voeren, ga je de repetitiezaal in. Daar blijf je zes weken zitten en je wordt niet lastig gevallen. Je kunt lange uren maken, zoeken, dingen uitproberen, dat is fantastisch. Bij een film kost elk minuut zoveel duizend euro. Daarom is toneel een prettige kunst om mee bezig te zijn.’’

Toneel trekt, ondanks prachtige voorstellingen en acteurs van internationale allure, betrekkelijk weinig publiek, zeker vergeleken met cabaret en musicals. ,,Wat bij toneel steeds belangrijker wordt zijn bekende mensen. Nederland kickt op beroemde namen. De gesprekken die ik daarover voer met producenten – je gelooft je oren soms niet – is een soort koehandel. Ik ben voor mijn volgende stuk verplicht om een naam van hen te accepteren. Je moet bij het casten daardoor proberen een soort mix te vinden tussen bekende namen en kwaliteiten.’’

Het toneel heeft dat deels aan zichzelf te wijten, meent Thijs. ,,Toneel heeft zich enigszins tot een onbetrouwbare partner gemaakt bij het grote publiek. Dat wist op zeker moment niet meer wat het moest verwachten. De ene keer kreeg je een goed stuk en prachtige acteurs. De andere keer kreeg je bij hetzelfde gezelschap iets wat je niet kon volgen of wat je voor het hoofd stootte met misplaatst bloot. Het repertoiretoneel kreeg daardoor een negatief etiket opgeplakt. Toneel kreeg een positief etiket als er Joop van den Ende opstond of als het een vrije productie betrof. Godzijdank is dat een beetje over. Maar het publiek is nog niet echt teruggewonnen. Het kijkt de kat nog een beetje uit de boom. Daarbij is er overaanbod. Er wordt te veel gemaakt voor een te kleine markt.’’

,,Toen ik bij het toneel begon, bij Toneelgroep Theater in 1970, reisde je door het land. Tachtig procent van de theateragenda was gevuld met toneel, er was weinig cabaret en het ballet reisde niet. Dat is totaal veranderd. Nu zijn er twee of drie toneelproducties per maand en daar stort iedereen zich dan op.’’

Toch merkt hij dat het toneel weer wat opener wordt. ,,Het raakt wat van zijn isolement af. De grote beweging naar het publiek is terug, godzijdank. Voor mij is de grote zaal eredivisie. De kleine zaal is daar een voorbereiding op. Sommige groepen blijven liever in kleine zalen. Er worden daar leuke dingen gedaan, maar je bent je leven lang afhankelijk van instanties die naar je komen kijken. Dan denk ik: kom op zeg, groei op! Ga naar de grote zaal toe! Het zal wel met mijn eenvoudige afkomst te maken hebben. Ik ben trots op het feit dat ik verdien aan mijn stukken. Ik krijg een percentage van elk verkocht kaartje. Dat doet me goed. Dat is ander geld dan subsidiegeld.’’

 

November, 2007

UA-37394075-1