Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Gerard Reve 1923-2006 De wanhoop van een gekwelde romanticus

Gerard Reve was niet alleen een van ’s lands grootste naoorlogse schrijvers, hij was ook een van de kleurrijkste figuren uit de Nederlandse literatuur.

Controversieel was hij bij het verschijnen in 1947 van zijn romandebuut ’De avonden’. Omstreden is de zelfbenoemde Volksschrijver tot op hoge leeftijd gebleven.

Wat Reve ook schreef, waar hij ook verscheen, er was altijd wel rumoer en opwinding. Reve was de vleesgeworden ironie, die er telkens in slaagde verwarring te stichten: ,,Ik ben een acteur, ik ben een komediant, ik ben een charlatan en een clown, maar het krankzinnige is dat de rol die ik speel dat ik dat ben.’’

,,Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.’’ Zo begint ’De avonden’, de autobiografische roman over een weifelmoedige pestkop in het Amsterdam van net na de Tweede Wereldoorlog. Het is een van de beroemdste beginzinnen uit een van de beroemdste romans uit de Nederlandse literatuur. Niet dat het boek zo spannend of spectaculair zou zijn, integendeel. Er gebeurt niets bijzonders in het boek, dat speelt in de laatste tien dagen van 1946. Frits van Egters vult zijn dagen met zich vervelen, met dromen, vrienden bezoeken en vooral met zich ergeren aan zowel zijn vrienden als zijn ouders. Het boek roept in absurde en hilarische dialogen, innerlijke monologen en glasheldere beschrijvingen een beklemmend tijdsbeeld op van de naoorlogse jaren. Indertijd doorbrak het boek een taboe, nu is het vooral ontroerend en ongrijpbaar geestig.

Gerard Reve (toen nog Simon van het Reve) debuteerde met ’De avonden’ op 23-jarige leeftijd. Hij schreef het op verzoek van zijn psychiater om zijn krankzinnigheid te bezweren. Het boek werd geprezen en verguisd. Zo sprak Godfried Bomans van een ’naargeestig, zo zeer van iedere positiviteit verstoken, zo grauw, cynisch en volstrekt negatief’ werk. Zelf zei Reve later: ,,Ik heb ’De avonden’ erg onbewust geschreven. Ik wilde schrijver worden. Vanaf de vroegste tijden was ik niet bepaald het zonnetje in huis, had ik geen frivool wereldbeeld. Ik was bezeten aan het werk, maar zou het met een half woord van afkeuring hebben laten vallen. Er was maar heel weinig voor nodig geweest om mij dat manuscript te laten weggooien of verbranden. Het verschijnen van dat boek was een groot toeval, voor zover je daar in de schepping van kunt spreken.’’

Gerard (Kornelis van het) Reve werd op 14 december 1923 geboren in Amsterdam. Gerard en zijn ’Geleerde Broer’ Karel, de schrijver en hoogleraar Slavische letteren die in 1999 stierf, groeiden op in Betondorp, in een communistisch nest. Reves vader was journalist en schrijver en jarenlang vooraanstaand lid van de Communistische Partij. Reve verfoeide het marxisme, het was in zijn ogen een ’onjuist, vals wereldbeeld, helemaal niet zo gezond voor een kind’. Na het voortijdig verlaten van het Vossiusgymnasium had hij tot 1947 verschillende baantjes, waaronder rechtbankverslaggever voor Het Parool. Kort na ’De avonden’ verschenen de schitterende novellen ’Werther Nieland’ (1949) en ’De ondergang van de familie Boslowits’ (1950), waarin Reve terugkijkt op zijn jeugd (’Werther’) en de oorlog (’Ondergang’). Over ’Werther Nieland’ zei Reve: ,,Ik had er geen hoge dunk van. Nu beschouw ik het als een hoogtepunt in mijn werk.’’

Midden jaren vijftig was hij op. Leeg geschreven. Hij scheidde van dichteres Hanny Michaelis – met wie hij tot op hoge leeftijd nog wel eens arm in arm schuifelend door Amsterdam kon worden gesignaleerd – en verhuisde naar Engeland. Eenzaam en onbegrepen nam hij zich voor alleen nog in het Engels te publiceren. Daar schreef hij het geflopte ’The acrobat and other stories’ (1956, ’Vier wintervertellingen’). Ontgoocheld keerde hij ’huiswaarts’.

De jaren zestig waren Reves hoogtijjaren. Hij was stilistisch in topvorm, ook al ging het hem privé beroerd. Hij schreef ’Op weg naar het einde’ en ’Nader tot U’, die het hart van Reves oeuvre vormen. Hij vond zijn onmiskenbare toon en beoefende als modernist een nieuw literair genre: een mengeling van briefroman, reisverslag, jeugdherinnering, polemiek en verhalen die telkens een onverwachte draai krijgen doordat een Zinloos Feit de boel weer komt versjteren. De reviaanse thema’s draaien om het geloof in de eenzame en weerloze God, in wie de schrijver zich als schepper en troosteloze drinkebroer spiegelt, om de Mededogenloze Jongen, de Moederkerk, de Wanhoop van de gekwelde, romantisch-decadente schrijver en de Dood: ’De Dood is het mooiste onderwerp dat er bestaat, want hij laat de mens nooit in de steek, je kunt altijd op hem blijven rekenen.’

Hoe vertrouwd het nu allemaal ook moge klinken, indertijd veroorzaakte de openhartige wijze waarop hij over (zijn) homoseksualiteit schreef een schok in het nog puriteinse Nederland. Reve werd de held van homoseksuelen, heel hip en progressief Nederland droeg hem op handen. Trots was hij daar niet op. Reve, die zich in 1966 tot katholiek liet dopen, biechtte op dat hij liever een ’oppassend burger’ was dan de ’blasfemisch met de godsdienst spelende libertijn’. Zo schreef hij in ’Moeder en zoon’ (1980) over zijn twijfels om zich aan te sluiten bij een (rooms-katholieke) leer die weliswaar ’gebrekkig, infantiel en verkitscht’ was, maar hem niettemin voorkwam als het Ware Geloof. Reve heeft het katholicisme omhelsd en er tegelijkertijd een parodie van gemaakt, zoals hij zichzelf altijd schaamteloos heeft herhaald en geparodieerd.

Reve was een controversiële figuur. Hij werd bewonderd en verguisd. Er was altijd wel trammelant rond zijn persoon. Zo weigerde minister Cals hem in 1951 een reisbeurs op grond van zijn verhaal ’Melancholia’ omdat het in strijd zou zijn met ’de openbare orde en goede zeden’. In 1963 stelde AR-senator Algra in de Tweede Kamer vragen over de ’aanstootgevende’ inhoud van ’Op weg naar het einde’. Drie jaar later klaagde SGP’er C.van Dis de toen 42-jarige schrijver aan wegens ’smalende godslastering’ omdat de ikfiguur in ’Nader tot U’ gemeenschap had met een als ezel geïncarneerde God. Het veroorzaakte een ongekende rel, die de Nederlandse literatuurgeschiedenis is ingegaan als het Ezelsproces. Reve werd vrijgesproken. De kunst zegevierde, hoewel de schrijver het wel chic had gevonden als men hem als een vervolgde schrijver, als een moderne Sade, in het gevang had gegooid.

Reve baarde in 1969 opzien toen hij bij de uitreiking van de hem toegekende P.C. Hooft-prijs minister Marga Klompé kuste, wat in die tijd hoogst ongebruikelijk was. In de jaren tachtig volgde er nog een rel met de CPNB (de organisator van de Boekenweek) die het door Reve geschreven boekenweekgeschenk, dat later verscheen als ’De vierde man’, afwees omdat het voor een groot lezerspubliek niet geschikt zou zijn. Toch heeft het hem nooit aan (officiële) erkenning ontbroken. Alle literaire prijzen die ertoe doen, ontving hij, hoewel hem véél te laat, pas in 2001, de Prijs der Nederlandse Letteren werd toegekend. De schrijver kwakkelde toen met zijn gezondheid. Opnieuw ging deze toekenning met veel tumult gepaard; de koning der Belgen, Albert, wenste de prijs niet uit te reiken omdat Reves levensgezel Joop Schafthuizen was beschuldigd van ontucht met een minderjarige jongen.

Zijn laatste romans – ’Bezorgde ouders’ (1988), ’Het boek van violet en dood’ (1996, dat alle andere boeken, behalve de bijbel en het telefoonboek, overbodig zou maken’) en ’Het hijgend hert’ (1998) – staan vol orakelend ’geoudehoer waarop Gods zegen rust’. Dat het werk toch zo boeit, heeft vooral te maken met de stilistische brille. In zijn domein van erotiek en religie, van paradoxen en ironie snijdt Reve universele thema’s aan, waarmee hij een grote diepgang bereikt. Zouteloze clichés krijgen een opwindende draai, kitsch verandert in kunst. In weinig proza wordt zo schaamteloos gezwetst en wordt desondanks zo scherp de essentie van het bestaan gevangen.

Het dichterlijk oeuvre van Gerard Reve is bescheiden. Maar hoe onderbelicht ook, het behoort tot het oorspronkelijkste uit de naoorlogse Nederlandse literatuur. Het is even hooggestemd als banaal. Het mystieke en het boertige, ernst en luim lopen vloeiend in elkaar over. Neem ’Droom’ (1962): ’Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,/ eindelijk eens goed gekleed:/ boven het woud waarin zij met de Dood Wandelde/ verhief zich een sprakeloze stilte./ Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was/ en uitgerust./ Ze had kralen om die goed pasten bij haar jurk.’

In de jaren tachtig bleek hoe bezeten Reve zijn leven lang brieven was blijven schrijven. Niets liet hij daarin onvermeld, hij schreef aan minnaars, vrienden, zijn psychiater en kunstbroeders (onder wie Carmiggelt) uitvoerig over zijn liefdesleven, worstelingen met het geloof, strubbelingen met uitgevers, het thema van zijn werk en tal van andere meer en minder particuliere overwegingen.

De rol van (zelfbenoemde) Volksschrijver was hem op het lijf geschreven. Hij speelde zijn rol als literaire pias en schertsfiguur die ’warme mensenboeken’ maakt voor ’huisvrouwen’ voorbeeldig. Al liet hij zich ook soms al te achteloos verleiden tot twijfelachtige en bedenkelijke uitspraken. Maar Reve zei ’nooit iets gewoon’, het ging altijd vergezeld van een omkering of verrassende wending, waarmee hij zich wapende tegen de buitenwereld, want ’ik ben gewoon nog een bange elf-, twaalfjarige jongen. Ik ben niet volwassen, niet toegerust voor dit bestaan’. Reve kon, toen hij eenmaal algemeen geaccepteerd was, wel een potje breken. Men zag veel van zijn politiek incorrecte opmerkingen, waarmee hij zijn tijd ver vooruit was, door de vingers, niet zozeer om wát hij zei maar om hóe hij het zei. Nooit zat hij verlegen om een scherpzinnige opmerking of om een bon-mot, waar hij ook was, hij schudde ze uit zijn mouw als een goochelaar kaarten: ’De wereld verbeteren? Alsjeblieft niet, want het is al erg genoeg zo’.

De laatste jaren woonde Reve teruggetrokken in het Belgische Machelen. Na een hartoperatie takelde de schrijver geestelijk langzaam af, en was hij in vrijwel alles overgeleverd aan de zorgen én de nukken en grillen van zijn levenspartner Joop Schafthuizen.

Of Reve door toekomstige generaties nog gelezen zal worden, is de vraag. De grootheid van zijn schrijverschap is evenwel onbetwist. Zelf maakte hij zich daarover weinig illusies: ,,Het gekke is, dat je roem en welstand verwerft op een moment dat het je niet zo ver-schrik-ke-lijk veel meer kan schelen. Je kan dan wel de grootste schrijver van Nederland zijn, zoals sommigen beweren, maar wat dan nog! Dat is net zoiets als De Koning van de Kalverstraat. Wat blijft er uiteindelijk van over? Na mijn dood word ik op de scholen tien jaar vrijwillig gelezen en daarna nog eens tien jaar verplicht. Dan noemen ze een straat naar me. En dan ben ik helemaal vergeten. Niemand weet toch meer wie Tweede van der Helst was?’’

Met W.F.Hermans en Harry Mulisch werd Reve tot de Grote Drie gerekend, tot onze drie grootste naoorlogse schrijvers. Hermans mocht Reve dan wel een clown noemen, Reve zelf verklaarde bij de dood van Hermans in 1995 grootmoedig dat hij diens werk zeer bewonderde. Daarop volgde dan onmiddellijk vilein: ’Maar hij was paranoïde; hij viel je altijd aan, met die kop met puilogen.’ Van het werk van Mulisch had Reve geen hoge pet op. Mulisch (’Hij is zo dom, je zou hem er bijna om benijden’) is ’vullis’, zo rijmde hij flauw. Als we de Grote Drie (later met Wolkers uitgebreid tot de Grote Vier) serieus tegen het licht houden, is van deze trojka Harry Mulisch de mythomaan, W.F.Hermans de meeste complete schrijver, en Reve met afstand de kleurrijkste auteur en de grootste stilist.

Reve maakte er geen geheim van dat hij schatplichtig was aan de Grote Russen uit de negentiende eeuw – Tolstoj, Toergenjev, Gogol, Tsjechov. Het weergaloze slot van ’De avonden’, duidelijk geïnspireerd op het einde van Tolstojs novelle ’De dood van Ivan Iljitsj’, kan dan ook worden opgevat als een eerbetoon aan zijn voorbeelden. Het is tegelijkertijd een passend eresaluut aan Reve zelf: ,,’Het is gezien,’ mompelde hij, ’het is niet onopgemerkt gebleven.’ Hij strekte zich uit en viel in een diepe slaap.’’

April, 2006

UA-37394075-1