Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Gerard Walschap: ‘Ninette houdt veel van mij omdat ik een wild dier ben’

Gerard Walschap (1898-1989), de ‘vader van de moderne Vlaamse roman’, was een groot briefschrijver. In ‘Brieven’, deel 1, zijn ruim tweeduizend brieven bijeengebracht van de Vlaamse schrijver. En dan nog vertellen de bezorgers van de correspondentie, dochter Carla en zoon Bruno Walschap, dat er veel brieven niet zijn opgenomen of verloren zijn gegaan.

 

De correspondentie van Gerard Walschap begint in het Frans: met een brief, gedateerd 26 september 1921, aan paus Benedictus XV, waarin hij de heilige vader verzoekt hem van zijn ‘eeuwige geloften’ te ontslaan. Van de kloosterling en priester-in-opleiding Walschap is dit het begin van de definitieve breuk met de rooms-katholieke kerk, maar, zoals blijkt uit zijn correspondentie, echt los van het geloof is hij nooit gekomen. Bij Walschap gold zoals voor zoveel katholieken het adagium: eens een katholiek altijd een katholiek.

 

Waarom Walschap, wiens ambitie het al op jonge leeftijd was om missionaris te worden, zijn priesterstudie had moeten opgeven, is nooit helemaal opgehelderd. Het had waarschijnlijk te maken met het celibaat – in 1934 publiceerde hij een roman met die titel. Walschap vond het vooruitzicht van een seksloos bestaan onverdraaglijk. Uiteindelijk keerde Walschap het rooms-katholicisme in 1940 openlijk – in de brochure ‘Vaarwel dan’ – rug toe en koos hij voor het ‘vrije denken’. Zijn vrouw bleef de kerk haar leven lang trouw. Hun kinderen werden wel katholiek opgevoed maar verkozen later allen de vrijzinnigheid.

 

Walschap gaf de Vlaamse en vooral katholieke romankunst in de eerste helft van de twintigste eeuw nieuw elan.

 

Jacob Lodewijk Gerard baron Walschap – de adellijke titel ontving hij in 1979 van koning Boudewijn – gaf de Vlaamse en vooral katholieke romankunst in de eerste helft van de twintigste eeuw nieuw elan. Dat bezorgde hem niet alleen bewonderaars, maar vooral veel vijanden. Walschap, zoon van een herbergier en een winkelierster, zette zich in zijn werk van meet af aan af tegen het provincialisme en folklorisme die toentertijd hoogtij vierden in de Zuid-Nederlandse letteren. Zijn werk, geschreven in een beknopte, krachtige, onopgesmukte taal waarin elk overtollig woord is geweerd en die hier en daar wel wat doet denken aan Louis Paul Boon, stond haaks op de al te rooskleurige en romantische verbeelding van de werkelijkheid door collega-schrijvers. De belangrijkste thematiek van zijn werk – het individu versus het collectief – is allerminst achterhaald, ook al lijkt de onderwerpkeuze op het eerste gezicht gedateerd.

 

Walschap viel veel, zware en ongezouten kritiek ten deel. Zijn stem werd verkeerd verstaan, waardoor hij, ‘een ongelovige maar een katholieke ongelovige’, zoals Menno ter Braak hem omschreef, herhaaldelijk in de clinch lag met de literaire kritiek, de clerus en andere kerkelijke gezagsdragers. Wat die Walschap schreef, was ‘geen gezonde lectuur’. Vooral het eerste deel van de trilogie ‘De familie Roothooft’, ‘Adelaïde’, waarin Walschap zeker voor die tijd tamelijk vrijuit over seksualiteit schrijft en de geestelijke (ver)wording van een door haar afkomst gekwelde vrouw schildert, moest het ontgelden.

Een pater zei onbarmhartig:

Naar onze mening is Walschap geen groot schrijver en verknoeit hij bovendien zijn talent, verscheidene zijner werken beschouwen wij als misdadig en zedenloos.’

 

Na het verschijnen van ‘Adelaïde’, in 1929, stak een storm van protest op uit de rooms-katholiek hoek. In kranten verschenen zelfs petities tegen dit boek, van liefst 20.000 huisvrouwen en 75.000 kajotters (katholieke jongeren).

 

Ik zal hun (zijn kinderen) zeggen: al het kwaad dat in mijn boek staat, heb ik geleerd toen ik bij de priesters en paters was en ’t zelf wilde worden,’ schreef Walschap op 10 februari 1930 in de reactie op een brief aan pater Jan Hannenecker. Deze had geschreven dat zijn kinderen hem later stellig ‘nondedju ne smeerlap’ zouden noemen. ‘Uw boek ‘Adelaïde’ hoor Gerard, het ligt in mijn kachel te branden.’

 

Maar hoe onomwonden en laconiek Walschap ogenschijnlijk ook op deze onfrisse schrijfsels reageerde, tegelijk bekent hij dat hij ‘van binnen bloedt en loopt te schreien over straat’. In die jaren wordt Walschap nog het hardnekkigst achtervolgd door ene Emiel Valvekens, een hoogst schijnheilig sujet, priester en mederedacteur van het tijdschrift Hooger Leven, die de schrijver met vuige laster en beschuldigingen bestookte, maar er wel zelf een liefje op nahield.

 

Tegenover zijn felle opponenten stond een schare bewonderaars die het voor de Vlaamse schrijver opnamen, veelal Nederlanders als Ter Braak, toch geen criticus die scheutig was met complimenten, Victor E. van Vriesland en Simon Vestdijk, met wie Walschap in de jaren zestig vruchteloos kandidaat was gesteld voor de Nobelprijs voor de Literatuur. In Vlaanderen vond Walschap vooral steun bij zijn vriend en geestverwant, de schrijver Marnix Gijsen, die de essentie van Walschaps werk misschien nog het treffendst heeft verwoord:

 

Zijn werk is een steen des aanstoots geworden omdat hij, indirect, kritiek uitbracht op zekere toestanden in opvoeding, onderwijs en moraal en omdat hij idyllische Vlaamse dorpen en provinciestadjes bevolkte met erfelijk belaste, op de rand van waanzin en rede levende, bedreigde normalen en onmiskenbare abnormalen.’

 

Walschap liet zich, hoezeer hij ook leed onder de zware kritiek, niet ringeloren en muilkorven. Hij was een koppige, trotse man die stond voor zijn principes. Dat blijkt uit zijn omvangrijke oeuvre – hij schreef meer dan zestig boeken, met als beroemdste romans ‘Een mens van goede wil’ (1936) en ‘Houtekiet’ (1939), een ode aan de vrijheid, zelfbeschikking en de levensdrift die niet wordt beteugeld door het geloof. En koppige trots blijkt ook uit zijn ‘Brieven’.

 Het eerste deel van Walschaps correspondentie, ‘Brieven 1921-1950′, telt 966 brieven en beslaat bijna vijftienhonderd pagina’s dundruk, inclusief noten en commentaar. Voor hun voorbeeldig bezorgde uitgave hebben Carla en Bruno Walschap geput uit het familiearchief, uit archieven van hun vaders tijdgenoten en hun nazaten en de collecties van het AMVC in Antwerpen en het Letterkundig Museum in Den Haag.

 

Ze hebben niet alle brieven afgedrukt. Zo is de zakelijke correspondentie met uitgevers niet opgenomen, en van de 450 liefdesbrieven die Gerard Walschap tussen 1923 en 1925 aan zijn latere vrouw schreef, de twee jaren waarin ze ‘voornamelijk schriftelijk vrijden’, kwamen op grond van gebrek aan kwaliteit en omdat ze moeilijk waren te dateren niet meer dan negen (en een briefkaart) door de selectie.

 

De Walschaps schrijven:

 

Walschap had toen zijn tornadostijl nog niet gevonden en nam in zijn brieven hoge, lyrische vluchten die heden ten dage zelfs de meest verliefde vrouw aan het geeuwen zouden maken. We hadden de saaiste brokken eruit moeten weglaten, waarna de lezer zich natuurlijk had afgevraagd welk pikant fragment hem was onthouden. Daarop zijn we ontmoedigd stilgevallen.’

 

De brieven schilderen een portret van Walschap, van de echtgenoot, de broer, de vader van een groot gezin, en van de schrijver wiens ontwikkeling van nabij kan worden gevolgd. In de Brieven zijn de sporen te vinden van de geloofscrisis van Walschap en zijn jarenlange moeizame relatie met rk kerk de hem verketterde maar die hij zelf de hele jaren dertig toch trouw bleef.

 

Aan zijn financiële problemen kwam in 1940 een einde door zijn benoeming tot inspecteur van de openbare bibliotheek. De Tweede Wereldoorlog, maar vooral de nasleep ervan, vormen een ander breekpunt in zijn leven. De geschiedenis herhaalt zich, hij wordt opnieuw verstoten, nu politiek, wanneer hij ten onrechte van collaboratie met de bezetter wordt verdacht, omdat hij een toespraak hield ter ere van een Duitse gast, een dichter, en omdat hij, tegen zijn zin, een lezing in Berlijn had gehouden. Zijn huis in Antwerpen werd met hakenkruisen bezoedeld. Maar de moedige en strijdlustige Walschap kregen ze opnieuw niet klein. Hij wist de verdachtmakingen met verve te ontkrachten.

 

Walschap wilde nergens bijhoren maar vreesde tegelijk het lot van de verstotene.

 

Maar de persoonlijke crises in zijn leven maken wel duidelijk dat Walschap op twee gedachten hinkte; enerzijds wilde hij volmaakt onafhankelijk zijn, een ‘vrije denker’, anderzijds was er ook, veelal om pragmatische redenen (sociale zekerheid, geldgebrek), de drang om zich te conformeren; hij wilde nergens bijhoren maar vreesde tegelijk het lot van de verstotene.

 

In veel brieven probeert Walschap zijn eigen daden te analyseren en te rechtvaardigen en beklaagt hij zich over het onrecht dat hem is aangedaan. Zelfbeklag en pathos zijn hem niet vreemd. Het maakt de grote schrijver niet kleiner, het geeft hem wel een ‘menselijker’ gezicht, al pakt dat niet altijd even positief uit.

 

Eentonigheid en saaiheid liggen op de loer wanneer er wordt gevarieerd op dezelfde thema’s als geloof, idealen, het literaire leven en (kleine) zakelijke kwesties die de schrijver bezighouden. De briefschrijver Walschap moet zich meestal ruimschoots de mindere erkennen aan de romanschrijver. Over zijn schrijverschap en zijn eigen romans weidt hij in zijn brieven nauwelijks uit, wat jammer is. De briefschrijver is zwaarder op de hand dan de romancier, al kun je de schepper van het literaire werk onmogelijk met dezelfde maatstaven beoordelen als de schrijver van (plichtmatige) brieven. Walschap schreef zijn brieven immers niet voor ons, zijn lezers.

 

Het neemt niet weg dat Walschap schitterende brieven schreef. Prachtig zijn de brieven die hij schreef – misschien de openhartigste die ooit uit zijn pen vloeiden – aan Zuster Oswalda, de Vlaamse kloosterzuster die hem tot de roman ‘Zuster Virgilia’ (1951) inspireerde. Niet minder zijn de brieven die hij schreef over de dood in 1938 van zijn enige en jongere broer Alfons, die missionaris was in de Congo; of de brieven die hij in 1934 zijn vrouw zond op zijn reis door Italië, waarin Walschap fraait het contrast beschrijft tussen het uitbundige en goedmoedige roomse leven in Italië en dat in het benepen en kille kleine Vlaanderen. Boeiend zijn ook de brieven die hij zijn vriend en vertrouweling, de schrijver August van Cauwelaert, stuurde.

 

‘Brieven’ geeft tevens een beeld van drie decennia onstuimige en benepen Vlaamse culturele en politieke geschiedenis. Walschap correspondeerde, discussieerde en ruziede al vroeg met de toenmalige groten van cultuur en literatuur, als Victor E. van Vriesland en Herman Teirlinck. Hij reageerde geestdrifitg op de kritieken op zijn werk.

 

Dat hij tegenover de ‘groten’ al vroeg opgewassen was, blijkt uit een brief die hij op 10 februari 1930 schreef aan Stijn Steuvels, waarin Walschap hem flink de mantel uitveegde. Kort daarvoor had Streuvels hem een brief-op-poten geschreven omdat hij het niet eens was met Walschaps bespreking van zijn kerstverhaal. Niet alleen ‘schold’ Walschap terug, hij sloeg de verongelijkte Streuvels ook met argumenten om de oren.

 

De kopschuwe Walschap kon echter bij weinigen zijn hart uitstorten. Van Vriesland was net als Van Cauwelaert, een uitzondering, hoewel de eerste zijn innige, in de drank verwekte vriendschap enkele keren opzegde om die kort daarop weer doodgemoedereerd voort te zetten. Walschap vertrouwde Van Vriesland in 1935 toe:

 

Ik weet dat niemand werkelijk van mij houden kan, Ik heb alleen Ninette, die veel van mij houdt, omdat ik een wild dier ben, soms zegt zij duivel en beest. Maar dat is iets anders. Het hoogste dat ik bereiken kan heb ik bij jou bereikt: begrip en medelijden dat mij opricht in plaats van te kwetsen.’

 

Gerard Walschap: ‘Brieven, 1921-1950’, verzameld en toegelicht door Carla Walschap en Bruno Walschap, met medewerking van Harold Polis. Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, 1462 pag.

 

Augustus, 2001

UA-37394075-1