Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Gerrit Komrij, de ongrijpbare kameleon

De rol van Dichter de Vaderlands was hem op het lijf geschreven. Maar in een ommezien kon de sympathieke hofpoëet weer veranderen in een poseur of literaire nar die zijn vlijmscherpe pen doopte in ’het bloed dat drukinkt heet’: Gerrit Komrij.

 

Van Gerrit Komrij (1944-2012) werd in 2002 een kwart eeuw prozastukken gebundeld in het tweedelige, bijna 1300 bladzijden dikke ’Inkt. Kapitale stukken’. Aangenaam voer om te lezen, om in te bladeren en te grasduinen, om te herlezen, om vaak te herlezen.

Hieronder een bespreking ervan uit juli 2002. 

In 1980 liet hij in een interview even zijn masker vallen. Gerrit Komrij vertelde in alle ernst, al weet je dat bij hem natuurlijk nooit, in één volzin wat hem dreef in de vaderlandse letteren: ’Ik wil in mijn leven eigenlijk zo veel doen dat buiten mij de hele Nederlandse literatuur kan worden afgeschaft en dat er — als ze dat gedaan hebben — toch nog een complete Nederlandse literatuur overblijft.’

Dat ambitieuze doel heeft Komrij vooralsnog niet bereikt. Maar stilgezeten heeft de P.C.Hooftprijswinnaar van 1993 bepaald niet. Zijn provocerende uitspraak is misschien wél een verklaring voor de immense productiviteit van deze literaire luis in de pels, die in zijn eentje eigenlijk een hele literaire stroming vertegenwoordigt. Nee, Komrij, de essayist en de polemist, de (hof)dichter en de romancier, de literaire schatgraver, de bloemlezer en de vertaler (vooral Shakespeare), heeft zich de grootse taak die hij zichzelf stelde nimmer verzaakt. Er is altijd werk aan de winkel in zijn eenmansnering.

Dat de schepper van dat immense, veelbekroonde oeuvre desondanks schittert door afwezigheid op de recente lijst belangrijkste schrijvers uit onze letterkunde en evenmin te vinden is op de lijst met de honderd boeken die op school verplichte kost zouden moeten zijn, moet Komrij als een klap in het gezicht hebben ervaren. Zoveel spraakmakende boeken en stukken hebben geschreven, zo vaak bejubeld en dan nog zó te worden veronachtzaamd, genegeerd, zeg maar geschoffeerd. De schrijver reageerde er kort geleden zelf op, korzelig en humeurig, op de wijze die hem betaamt: met een vilein stuk. Niet rechtstreeks, maar via omtrekkende bewegingen, via een stuk over een miskende poëet voor wie Komrij een lans brak, en door zijn superieure toorn af te roepen over de grijze starheid van de leden van de Maatschappij van Nederlandse Letterkunde die de lijst samenstelden, onder wie veel (oud-)leraren Nederlands, die, zo suggereert hij, sinds hun opleiding blijkbaar alleen maar oude, verstofte klassieken hebben herlezen.

 

Weg met de vriendjespolitiek in de letteren,

weg met de mandarijnen en de paladijnen.

 

Dat reputaties gemakkelijk kunnen worden gebroken, weet Komrij als geen ander. Hij heeft er zelf een handje van om grote namen achteloos af te serveren. ’Inkt’ wemelt van de kapitale stukken waarin hij links en rechts schrijvers, bekende Nederlanders en politici de oren wast. Bij zijn intrede in de literatuur, met gedichten waar de kritiek indertijd nauwelijks raad mee wist, begon hij onmiddellijk het moestuintje dat de republiek der letteren heet grondig om te spitten.

Komrij had immers een missie: weg met de vriendjespolitiek in de letteren en in de politiek, weg met de mandarijnen en de paladijnen. Meer polemieken. De literatuur diende weer midden in de samenleving te staan en niet ergens in een wereldvreemd reservaat te verkommeren. Komrij werd weldra bewonderd en gevreesd om zijn literaire (scheld)kritieken. Met boosaardig genoegen brak de literaire kruisvaarder reputaties af, waarbij hij ook de grote jongens (Mulisch, Claus) niet spaarde en tegelijk blijk gaf op grootse wijze te kunnen bewonderen (W.F.Hermans, De Schoolmeester).

Hij trok onderschat talent aan de haren omhoog uit het moeras. Zijn vernietigende televisiekritieken waarmee hij een nieuw genre inluidde, waren legendarisch. Zijn bloemlezingen van negen eeuwen Nederlandse (en Afrikaanse) poëzie zijn onmisbare standaardwerken geworden. Hij heeft zich daarmee zoveel gezag verworven dat een dichter die daarin niet is opgenomen eigenlijk niet meetelt of bestaat.

De laatste jaren leek Komrij milder te zijn geworden. Hij was gaandeweg gaan behoren tot het literaire establishment. Waar was de literaire scherpslijper gebleven? De schrijver die in het openbaar zo toeschietelijk en bereidwillig is, een aardige vent met een uit duizenden herkenbare, nasale stem waarmee hij zijn poëzie zo mooi droog kan voordragen, was ongevaarlijk geworden. Een tandeloze papieren tijger. Vanaf het moment dat hij naar Portugal emigreerde om het benepen culturele en literaire klimaat in eigen land te ontvluchten, is het bergafwaarts met hem gegaan. Zo leek het. Maar wie beter kijkt, ziet iets anders. Bloeide Komrij’s veelzijdigheid in Portugal juist niet verder op? Is zijn wijsheid daar niet bezonkener geworden en zijn schotschriften niet doeltreffender en meer afgewogen? Wel droogde er de inkt van de dichter langzaam op. Enige tijd publiceerde Komrij nauwelijks nog gedichten omdat, zei hij toen, ’poëzie liefdewerk-oud-papier is die toch geen hond leest’. Maar als Dichter des Vaderlands heeft hij blijkbaar toch weer enig plezier in het dichten gekregen, want er staat soms weer spanning op de sonnetten waarin hij de nationale actualiteit van dichterlijk commentaar voorziet, zoals in het vers dat hij op 10 mei publiceerde, kort na de dood van Pim Fortuyn. Bovendien doopt hij ook zijn stukken óver poëzie weer ouderwets vilein ’in het bloed dat drukinkt heet’, zoals de titel luidt van een boek van Komrij.

Aan die woorden ontlenen de nu geselecteerde kapitale stukken hun titel ’Inkt’, waardoor Komrij’s veelzijdigheid nog eens benadrukt wordt. Alles lijkt Komrij te interesseren. Hij schrijft over boeken, literatuur en kunstkritiek, schrijvers, dichters en poëzie, huizen, architectuur en vormgeving, over zijn favoriete negentiende eeuw, over de tijd(geest), het kunst- en cultuurbeleid, over macht en godsdienst, politiek en koningshuis, over homoseksualiteit en spiegels, over humeuren en temperamenten, over de noodzaak van tuinieren. En in de variaties op een zelfportret lezen we dat de geboren Achterhoeker zich vooral een stadsmens voelt (’De stad is mijn natuurlijke omgeving’), al verruilde hij de stad kort daarop voor het Portugese platteland.

 

Een poseur die ’een mening aantrekt

zoals een vrouw een avondjurk.’

 

Overal heeft hij zijn pen op uitgeprobeerd, met boosaardig genoegen en tóch goedgeluimd. Over alles heeft hij zich wel een mening gevormd die hij nadien net zo gemakkelijk weer herzag. Hij is een poseur, die ’een mening aantrekt zoals een vrouw een avondjurk’. Je kunt het roerend met hem eens zijn of hartgrondig oneens, hij blijft een bewonderenswaardig stilist, bij wie het duivelse plezier in het schrijven van elke bladzijde dampt. Komrij grossiert ook in oneliners. Een willekeurige greep: ’Het treurige is dat je, met het klimmen der jaren, een steeds groter zak vol nutteloze herinneringen wordt.’ ’De reclame is de spiegel van de tijd die bijna voorbij is.’ ’Wie niet weet te haten is niet in staat tot liefde.’ ’Hoewel ik er geen moeite mee heb al mijn ondeugden en onhebbelijkheden, tot aan zulke deerniswekkende gebreken als trouw en inschikkelijkheid toe, breed uit de doeken te doen om er een literair slaatje uit te slaan, valt het me toch zwaar toe te geven dat ik bezeten ben van hebzucht.’ ’Op de toppen van de extase blijven we heel dicht bij de stront.’

Geen schrijver heeft zo vaak de lof der stront bezongen. Zo beschrijft Komrij in een stuk over ’de walging’ zijn medemens, zijn betreurenswaardige lotgenoten aldus: ’Zakken met stront zijn het die we over het strand zien strompelen, buidels vol pus en etter die we in de zon zien zweten. Geen ziel, hoe mooi ook, die de drol van zich af weet te schudden. Nooit meer, nooit, raken we de walging kwijt.’

Wie zoveel schrijft over zoveel verschillende onderwerpen loopt het gevaar dat stukken belegen en achterhaald zijn. Zeker wie, zoals Komrij, de (politieke, literaire en tv-)actualiteit op de voet volgde. Zo vergankelijk als tv-sterren zijn, zo vergankelijk zijn ook de kritieken daarop. Een eens spraakmakend boek als ’Horen, zien en zwijgen’ (1977) heeft na zoveel jaren dan ook veel van zijn glans verloren. Het is nu niet meer dan een schoolvoorbeeld van een scheldkritiek, hooguit voer voor (leerling-)journalisten en tv-columnisten in de dop. In ’Inkt’ is daaruit dan ook alleen het slotstuk opgenomen, waarin Komrij de balans opmaakt van een tropenjaar lang hangen voor ’de treurbuis’ – zijn term is inmiddels gemeengoed geworden.

Het is mooi dat in ’Inkt’ ook Komrij’s geruchtmakende kruistocht tegen Scientology, het schotschrift ’De stankbel van de Nieuwezijds: Contra Scientology’ uit 1979, is opgenomen. Het was lang niet de enige keer dat een politiek-religieus stuk van Komrij op veel weerstand stuitte. Zo trok hij in 1989 fel van leer tegen de fatwa die wijlen ayatollah Khomeiny uitvaardigde tegen Salman Rushdie en hekelde hij in een vlammende boutade ‘het volkomen echec van het multiraciaal, multicultureel beleid dat ons door de politiek altijd werd aangeprezen’. Weldenkend en intellectueel Nederland viel schuimbekkend over de ‘reactionaire’ schrijver heen. Nu, dertien jaar later, horen we min of meer precies hetzelfde zonder dat iemand er nog aanstoot aanneemt.

 

De polemist Komrij: ‘Een vleugje

Multatuli, een snufje Hermans.’

 

Was W.F.Hermans als polemist een waardige opvolger van Multatuli, Komrij zit een beetje tussen die twee in: een vleugje Multatuli, een snufje Hermans. Maar altijd met een eigen stem, elke bladzijde in ‘Inkt’ is typisch Komrij. Het wereldbeeld van Komrij? De titels van zijn boeken spreken klare taal: ’Het helse moeras’, ’Het boze oog’, ‘Alles onecht’, ‘Pek en zwavel’, ‘Heremijntijd, Exercities en ketelmuziek’, ‘Het bloed dat drukinkt heet’. Komrij is ‘de gelukkige schizo’ uit een van zijn titels: de ene keer giftig en vals, boosaardig en meedogenloos, de andere keer liefdevol en warm, zeker als hij schrijft over poëzie, want ’poëzie is geluk’.

Maar soms is het teveel van het goede. Komrij werkt verslavend maar bij een overdosis gaat hij je tegenstaan. Je doorziet dan zijn pose, zijn maniertjes. Lees hem mondjesmaat, geniet met mate, dan is hij op zijn best. Ook over de keuze van de stukken valt wel iets af te dingen. Zo heeft de samensteller van ’Inkt’, de dichter René Puthaar, de bundel ’Humeuren en temperamenten’ integraal opgenomen, maar een aantal stukken had ik graag ingeruild voor bijvoorbeeld het boekenweekessay ’Niet te geloven’ (1997), waarin Komrij aan de hand een prieelgesprek, geïnspireerd op de filosofische geschriften van Plato, een schitterend spel speelt met de thema’s God, gebod en geloof.

Leer je Komrij nu kennen na dertienhonderd bladzijden van zijn beschouwend proza te hebben gesavoureerd? Nee, Komrij is ongrijpbaar, je krijgt een beeld van zijn passies en obsessies, van zijn voor- en afkeuren, van zijn veelzijdigheid en zijn smaak, maar wie de echte Komrij nu eigenlijk is? Komrij is een kameleon. Hij verschiet telkens van kleur. Voor elke rol, voor elke stemming zet hij een ander masker op. Hij heeft zoveel gezichten dat hij er eigenlijk geen heeft. En daarin lijkt hij wel iets op Fernando Pessoa, de beroemde Portugese auteur, die ook zo’n fascinerende maskerade creëerde dat de schrijver er zelf achter leek op te lossen.

 

Gerrit Komrij: ‘Inkt’, twee delen in cassette: ‘Kapitale stukken 1’, 624 blz, ‘Kapitale stukken 2’, 652 blz. Samengesteld en van een nawoord voorzien door René Puthaar, uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam.

 

Juli, 2002

UA-37394075-1