Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Gerrit Komrij: ‘Ik bied royaal ruimte aan mijn vijanden’

In het voorjaar van 2005 verscheen de geheel vernieuwde en herziene editie van ’Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten’. Oftewel De Dikke Komrij, zoals de meest gezaghebbende poëziebloemlezing in het Nederlands taalgebied wel wordt genoemd.

Gerrit Komrij (1944-2012) gooide in 1979 met de eerste editie van zijn bloemlezing van de moderne poëzie een steen in de toen nog rimpelloze vijver van de Nederlandse poëzie. Vooral de Vijftigers, die Komrij hun plaats wees, waren ontstemd.

En ook in 2005 verwachtte hij weer deining en rumoer. Sterker, hij hóópte er op:

,,Wat tamtam brengt de bloemlezing onder de aandacht,” zei hij toen met een brede grijns tijdens het vraaggesprek voor de GPD-bladen. ,,En dat staat – om mijn nobele kant maar weer eens te laten zien – weer in dienst van de poëzie die dan onder de aandacht van een groter publiek wordt gebracht. Als er een beetje ruzie over de bloemlezing wordt gemaakt, wil ik het vuurtje best zelf nog wel een beetje opporren.’’

Hieronder het gehele vraaggesprek van toen.

Buiten is het lente, binnen hangt de middagschemer. Komrij zit er tamelijk ontspannen bij. De entourage kan ook nauwelijks toepasselijker: de bibliotheek van het Ambassadehotel, waar de auteur steevast logeert als hij in Amsterdam is. ,,Als Nederlander die in het buitenland woont, ben ik logistiek tenslotte ook een beetje een buitenlandse auteur’’, zegt de bloemlezer (en schrijver, dichter, essayist, vertaler, columnist), die al jaren in Portugal woont.

,,Het is heel prettig om vanaf een afstand te volgen wat er in Nederland zoal gebeurt. Als ik er elke dag mee geconfronteerd werd, zou ik dit werk ook niet kunnen doen’’, zegt hij.

Geregeld komt hij over, zoals dezer dagen vanwege de presentatie van zijn nieuwe bloemlezing en de Gedichtendag die hij luister bijzette in zijn functie van Dichter des Vaderlands. ,,Ach, je komt op de wereld om iets te doen, nietwaar. Hoewel ik mezelf nooit op werken heb betrapt, hoor. Ik ga er zelf prat op om lui te zijn.’’

Door de zeef van Komrij gingen meer dan 200.000 gedichten – het is een ruwe schatting van hemzelf. Uiteindelijk konden er ruim tweeduizend de goedkeuring van de meester wegdragen, die bijeengebracht zijn in een tweedelig boek van ruim tweeduizend bladzijden poëzie.

Hoe bent u bij de samenstelling van deze nieuwe editie te werk gegaan? Komrij: ,,Toen de vorige druk uitverkocht was, dacht ik: ik ga de hele Nederlandse poëzie opnieuw lezen. In de nieuwe bloemlezing is natuurlijk een en ander bij het oude gebleven. Maar van dichters als Lucebert en Guido Gezelle heb ik nieuwe gedichten uitgekozen. Omdat ik daar zin in had. Bij sommige dichters was de gemiddelde kwaliteit van het werk zo hoog, dat ik de keuze maar dezelfde heb gelaten. Bij weer anderen ben ik van voren af aan begonnen. Dan ben je na zoveel tijd wel verbaasd als je dan toch weer hetzelfde gedicht uitzoekt.’’

‘Ik hoef tegenover geen enkele school, richting

of uitgeverij verantwoording af te leggen.’

Zijn poëziebijbel is in de afgelopen kwart eeuw uitgegroeid tot een standaardwerk. Had u dat ooit kunnen bevroeden? ,,Het was ooit bedoeld als een polemische bloemlezing, waarin ik wilde zeggen waar ik poëtisch stond. Mijns ondanks heeft de bloemlezing zich ontwikkeld. Het werd gekocht, geciteerd en gebruikt. Het persoonlijke zit er nog wel in. Dat is wat mijn keuze een beetje geloofwaardig maak, omdat ik tegenover geen enkele school, richting of uitgeverij verantwoording hoef af te leggen. Het is ook een naslagwerk. Er staan veel bekende gedichten in, want je wilt toch ook een bloemlezing hebben waarin je af en toe iets kan opzoeken.’’

,,Het is een toonzaal van de Nederlandse poëzie, waarin ik met plezier andere geluiden, andere stemmen toelaat dan die in mezelf huizen. Waarin ik royaal ruimte bied – maar dat is natuurlijk mijn afschuwelijk goeie karakter – aan mijn vijanden. Als je niet walgelijk filantropisch bent, begin je niet eens aan een bloemlezing. Dit is nou niet het prettigste werk wat je kunt bedenken. Het is heel intensief, oneervol werk ook, het gaat altijd over werk van anderen.’’

,,Het voordeel was wel dat ik er met niemand over hoefde te vergaderen, dat we niet tot een consensus hoefden te komen. Zelf heb ik het samenstellen ervaren als een leesavontuur. Ik wil niet te zwaarwichtig doen over traditie, want daar is ook veel overtollige ballast in. Maar ik vind wel dat die levend moet blijven, aan een dooie traditie heb je niks. En alles komt ergens vandaan. Gedichten kunnen ook een geweldig tijdsbeeld geven. Een gedicht uit de negentiende eeuw kan meer zeggen dan heel veel historische of sociologische werken. Wat blijft er over van zo’n eeuw? Alle politici en generaals die zijn al honderd jaar niet alleen begraven maar ook vergeten. Dat is ook een beetje de kracht van de literatuur en de kunst, dat het blijvend is.’’

‘Er moet iemand zijn die zich opoffert en zijn hoofd op de slachtbank legt.’

In de vorige editie sneuvelden nogal wat dichters (onder wie Aad Nuis en Henk Spaan). Deze keer is veel dichters het literaire ravijn bespaard gebleven. Komrij: ,,Dankzij de omvang kon ik ook andersoortige gedichten opnemen. Het spijt me als sommigen diep teleurgesteld zijn door het tekort aan gesneuvelden. Maar het aantal bundels waaruit niks is opgenomen, loopt óók in de duizenden. Er is een heel groot gebied van de poëzie dat de gemiddelde poëzieliefhebber ontgaat. Niemand kan honderden bundels per jaar volgen. Dat is ook een beetje de functie van een bloemlezing. Er moet iemand zijn die zich opoffert en zijn hoofd op de slachtbank legt.’’

‘Dichters doen geen kwaad, ze bijten niet.’

Gerrit Komrij geeft de jongste generatie alle ruimte. Is dat niet riskant bij dichters die zich nog moeten bewijzen? ,,Je steekt je nek uit. Maar riskant is het niet. Dichters doen geen kwaad, ze bijten niet. Maar je zweeft wel helemaal op jezelf, je gaat af op je eigen beoordelingsvermogen.’’

Een aantal dichters is met het maximum van tien verzen vertegenwoordigd. Van de dichteressen krijgt alleen Ida Gerhardt een Tien van Komrij. ,,Als je tien gedichten van Vasalis opnam, zou je bijna haar hele oeuvre hebben. Aan de andere kant vind ik Fritzi Harmsen van Beek een van de grootste dichteressen van de twintigste eeuw. Maar een gedicht van haar beslaat soms vijf bladzijden. Dat zij niet met tien is vertegenwoordigd, is alleen vanwege de omvang. En tja, in de Zuid-Afrikaanse poëzie zijn de meeste topdichters vrouwen. In Nederland is dat op de een of andere manier niet zo.’’

‘Bloemlezingen zijn er niet om

persoonlijke zweepslagen uit te delen.’

Wijlen Hans Warren is van een Tien van Komrij teruggevallen naar een Acht. Heeft dat iets te maken met de controverse tussen beide dichters? Nadat Warren als criticus indertijd namelijk de vloer had aangeveegd met Komrij’s roman ’De klopgeest’, maakte Komrij in een kritiek korte metten met Warrens allerlaatste bundel. ,,Nee, dat heeft er niets mee te maken. Bloemlezingen zijn er niet om persoonlijke zweepslagen uit te delen. Het heeft er wel mee te maken dat mijn oordeel over zijn poëzie iets eerlijker kon zijn nu hij niet meer als vriend op mijn vingers keek.’’

In De Dikke Komrij tref je naast grote namen en onbetwiste meesters volslagen onbekende (negentiende-eeuwse) dichters aan. Komrij: ,,De meeste mensen kennen die dichters niet omdat ze niet in (school)bloemlezingen voorkomen. De literaire canon in Nederland heeft zich ontwikkeld aan de hand van de verzuiling. Er werd gekeken of een gedicht wel protestants-christelijk of katholiek genoeg was, of het de nationale identiteit wel bevorderde in braafheid, normen en waarden. Alle exotische, humoristische, bespottende types zijn in Nederland een beetje buiten de canon gevallen omdat deze in het onderwijs en de literatuurgeschiedenis niet gebruikt konden worden. Nu kun je ze gewoon onbevangen opnemen.’’

‘Ik ben een beetje een

geheime kamergeleerde.’

Als Dichter des Vaderlands werd Komrij geprezen maar ook verguisd. Wat vindt u van die kritiek? ,,Ik draag dat nogal licht, hoor. Het enige wat ik erover kan zeggen is dat dergelijke gedichten altijd een controverse of discussie oproepen. En dat lijkt me het hoogst haalbare met gelegenheidsgedichten. Stel je voor dat die allemaal ongemerkt voorbij zouden gaan? Dan heb je het toch ook weer niet goed gedaan. Ik besef wel dat ik het legioen mijner vijanden gemakkelijker de gelegenheid heb gegeven om te bewijzen dat ik toch altijd al niet gedeugd heb als dichter. Het zij ze van harte gegund.’’

‘Ik houd ervan om te lezen wat niemand leest.’

Volgt er over acht jaar een bloemlezing met drieduizend en enige gedichten? Komrij: ,,Ik denk dat ik het bloemlezen nu wel bekeken heb. (Hij lacht.) Maar ja, dat roep ik elke keer. Ik vind het bloemlezen vooral leuk omdat ik iets van een bibliothecaris, een archivaris en een archeoloog in me heb. Ik ben er dol op om op markten en in winkels naar vergeten bundels te struinen. Ik houd ervan om te lezen wat niemand leest. Ik ben een verzamelaar van boeken. Een bibliomaan.’’

,,Ik ben een beetje zo’n geheime kamergeleerde, die tussen hoge wanden met boeken op een trapje staat om een bundel te pakken die op de vijftiende plank staat. Mensen die mij kennen weten dat het mijn natuur is om uit boeken weer boeken te maken. Ik zit nu in een huis met vijftigduizend boeken. En ik leef nog. Ik heb nog geen perkamentkleur, wel een gebroken rug. Ach, het heeft werkelijk ziekelijke proporties aangenomen.’’

Gerrit Komrij (samenstelling): ’Komrij’s Nederlandse poëzie van de 19de tot en met de 21ste eeuw in 2000 en enige gedichten, twee delen’. Dertiende en veertiende herziene en vermeerderde druk. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2280 blz.

April, 2005

UA-37394075-1