Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Gerrit Komrij schudt zijn kwelgeesten af

In zijn prozabundel ’Demonen’ (2003) gaat Gerrit Komrij (1944) zijn kwelgeesten te lijf. Hij rekent af met ’ontrouwe vrienden’. Hij doet bekentenissen, mijmert over mislukkelingen en zijn kindertijd, wroet in zijn zelfgeschapen paradijsje en zoomt in op humeuren en temperamenten.

 

In deze ’autobiografische verhalen’ klinkt een verre echo van ’Verwoest Arcadië’ (1980), zijn prachtige roman in verhalen over de kleine, pientere en eenzame Jacob in wie we de schrijver zelf herkennen.

De laatste jaren, wordt wel beweerd, zou Komrij geen schim meer zijn van de briljante stilist, polemist en dichter die hij eens was. Hij zou meer en meer een karikatuur van zichzelf zijn geworden. Tamelijk dodelijk, maar ook enigszins overdreven. Het is waar, de kwaliteit van zijn werk is de laatste jaren nogal wisselvallig. De ene keer verbluft hij je met een ouderwets vlijmscherp prozastuk of een mooi gedicht, de andere verbaast hij je met een teleurstellende roman, een ongeïnspireerde column of in zijn hoedanigheid van Dichter des Vaderlands met een duf sonnet, waarbij je je soms afvraagt of je inderdaad wel met een en dezelfde auteur van doen hebt.

Komrij blijft een ongrijpbaar fenomeen. Hij roept bewondering en afgunst op, wrevel en ergernis. Hij trekt dat zelf aan, niet zozeer vanwege zijn persoon (in het openbaar kan hij de beminnelijkheid zelve zijn), maar vanwege zijn soms niets ontziende kritieken en polemieken waarin hij in het spoor van W.F.Hermans als een literaire nar plaagstootjes uitdeelt, tegen heilige huisjes schopt voor zover ze nog bestaan en op lange tenen gaat staan.

Zo rekende hij in de zomer van 2003 in kunstenaarsdorp Ruigoord met een vlammende boutade af met zijn eigen generatie, die van mei 1968, de club van provo en de Verbeelding. Van al die mooie idealen is volgens Komrij niets terechtgekomen. De verbeteringen zijn schijnverbeteringen gebleken. De nieuwe democratie is een schijndemocratie. De idealisten van gisteren zijn de machthebbers van nu. Komrij hakte er in zijn tirade lustig op los zonder namen te noemen. Hij schoot met losse flodders en die zijn meestal weinig doeltreffend.

In ’Demonen’ noemt hij evenmin namen. Dat moge voor wie (het werk van) Komrij kent en enigszins vertrouwd is met het literaire wereldje misschien geen probleem zijn, het kan voor andere lezers een handicap zijn. Zeker in die stukken waarin de schrijver afrekent met ’literaire vrienden’. Zo overheerst bij Komrij deernis en verbazing over zijn langzaam doodgebloede vriendschap met de dichter, dagboekschrijver en criticus Hans Warren. Vlak voor diens dood sloeg die om in grove verwijten en verbittering. Komrij schrijft over hun belangeloze vriendschap, over de aanvankelijke bewondering voor elkaars werk, en de langzame verwijdering, die begon toen Warren zijn beroemde reeks ’Geheim dagboek’ begon te publiceren waarin hij over hun vriendschap royaal uit de school klapte.

Vooral Warrens levensgezel Mario Molegraaf moet het ontgelden. Komrij verdenkt hem ervan hun vriendschap te hebben bezoedeld, hij is de kwade genius achter dit ’literaire verraad’: ,,’t Jongetje van zeventien wist veel. Hij kon wel twaalf sterke dranken door elkaar drinken en sprak zeker dertien vreemde talen, ik vrees eveneens door elkaar. Eerlijk gezegd wist hij te veel. En alles beter.’’

Het is een kort maar aangrijpend portret van ’vriendenverraad’. Niet minder ontluisterend is de ’ontmaskering’ van een andere kameraad: Boudewijn Büch: ,,Een lachebek was hij en een praatjesmaker’’, schrijft Komrij. Ze waren ooit maatjes, verloren elkaar uit het oog, en ineens was hij dood. Volgens Komrij was Büch steeds meer verworden tot een schertsfiguur, een kopiist, iemand die zich alles van anderen toeëigende, tot en met zijn hartstochten (Goethe) aan toe, die zich allerlei identiteiten aanmat en achter al die vermommingen zelf uiteindelijk oploste.

Terwijl Komrij in zijn boeken een bonte maskerade opvoerde, voerde Büch die in de media op: ,,Hij was onweerstaanbaar charmant. Ik vergaf hem bij voorbaat dat hij zou gaan liegen dat hij scheel zag’’, schrijft Komrij. En: ,,Hij maakte gedichten over een dood kind dat louter symbolisch was, schreef romans over homoseksuele ervaringen die hij niet kende, citeerde foutief uit de verkeerde auteurs, verzon landschappen waar hij met de rug naartoe had gestaan, presenteerde een afkomst en een hersenvolume en een lotbestemming die allemaal tot het rijk der fabelen behoorden. Misschien was alleen zijn weemoed authentiek.’’

Het zijn de pijnlijk mooie stukken waarin Komrij op zijn best is en waarin hij zijn befaamde stilistische brille demonstreert. Zo zijn er meer verhalen in ’Demonen’ waarin hij excelleert, zoals in die over oude deugden als hoop, geloof en liefde, of over spijt en dweperij, mensenhaat en grootheidswaan. Mooi zijn de verhalen over de ongeneeslijke simulant die hij als kind was en over het spelletje ’Duitsertje pesten’ waarin hij en zijn schoolvriendjes in hun grensdorp zeer bedreven waren (en waarvoor hij zich achteraf is gaan schamen).

Aangrijpend is zijn herinnering aan een vriend die er een paar jaar geleden ’de brui aan had gegeven’. Hoewel hij al jaren hoog en droog in Portugal verblijft, volgt Komrij de ontwikkelingen in de lage landen op de voet. Vermakelijk, zij het voorspelbaar, zijn z’n schimpscheuten naar zijn oude vaderland, al haalt Komrij niet altijd even fijnzinnig uit naar de ’Hollandse hufterigheid’: ,,Als er schaduw is misgunt de Hollander zijn buurman de schaduw en als er zon is de zon.’’

Op elke bladzijde in dit boek tref je wel een pregnante uitspraak of formulering aan: ,,We omhelzen het kwaad dat we zouden moeten bestrijden.’’ Of: ,,’t Enige mooie aan doodgaan is dat het je maar één keer overkomt.’’

Helaas staan tegenover de vele mooie verhalen nogal wat zwakke, waarin de papieren tijger een tandeloze indruk maakt. Dan mijmert de ouder en milder geworden bard wat voor zich uit in zinnen waarop geen enkele spanning staat. En dat is even wennen. Dat is niet de Komrij die we kennen uit zijn essays, (tv-)kritieken, schotschriften en polemieken die vorig jaar zijn verzameld in het monumentale, tweedelige ’Inkt. Kapitale stukken’.

Komrij klinkt soms berustend. Ontgoocheld zelfs. En dat mag verwondering wekken bij een schrijver die zich in zijn maskerades juist nergens een illusie over maakte. Het zegt iets, misschien wel alles, over de vele gezichten van deze literaire poseur, wiens werk je het ene moment ernstig teleurstelt en het volgende moment met ademloze bewondering leest.

 

Gerrit Komrij: ’Demonen’, autobiografische verhalen. Uitgeverij De Bezige Bij; 224 bladzijden.

 

Najaar, 2003

UA-37394075-1