Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Gerrit Krol en een kleurloos genie

Van Gerrit Krol (Groningen, 1934) verscheen een jaar nadat hij in 2001 de P.C.Hooftprijs ontving, ‘Een schaaknovelle’. Een gewaagde titel, die onmiddellijk doet denken aan het meesterwerkje van de Oostenrijker Stefan Zweig, ‘Schaaknovelle’ (Schachnovelle, 1941), weliswaar zonder lidwoord, maar toch.

 

Krol verwijst ook nadrukkelijk naar Zweig, zodat ‘Een schaaknovelle’ gelezen kan worden als een variatie op ‘Schachnovelle’, een ooit bij middelbare scholieren populair (dun) boekje. In beide boeken probeert de schaker het hoofd te bieden aan de werkelijkheid door geheel op te gaan in de wereld van het schaakspel. Beide schakers denken tenslotte nog louter in schaakzetten, in paardensprongen en in de bewegingen van lopers en torens.

Hoofdpersoon in Krols boek is Gijs Kaasschieter die in 1955 op het punt staat regerend wereldkampioen schaken Botwinnik te onttronen. Maar bij zijn laatste partij komt hij niet opdagen. Hij lijkt van de aardbodem te zijn verzwolgen. Vervolgens lezen we over Kaasschieters loopbaan, over zijn jeugd – in een mooi hoofdstuk dat speelt op Ameland – en over zijn ouders, en zijn ‘jeugdliefde’ die een grote rol zal blijven spelen.

Tussen hart en hoofd

Krol houdt van gedachte-experimenten in zijn werk, waarin hij zijn fascinatie voor de werking van de menselijke geest uit. Hierbij speelt de frictie tussen gevoel en exactheid (Krol is van huis uit immers computerprogrammeur), tussen hart en hoofd. Ook in Een schaaknovelle, waar Kaasschieter speelt als een machine. Zijn ideaal is de perfecte en onsterfelijke partij te spelen, die ‘schoonheid plus waarheid’ combineert. Bij zijn tegenstanders komt hij evenwel over als een koud en gevoelloos schaker, een kleurloos genie, terwijl hij toch liefst zo ‘mooi’ mogelijk wil spelen. Maar je kunt alleen een perfecte partij spelen als je een briljante tegenstander verslaat.

 

Van computer die in mens verandert naar mens die machine wordt

 

Was bij Krol in eerdere romans, zoals ‘De man achter het raam’, sprake van een computer die langzaam mens wordt, in ‘Een schaaknovelle’ zijn de rollen omgedraaid, lijkt het erop dat mens gaandeweg een machine wordt. Maar voordat het zo ver is, stapt Kaasschieter letterlijk uit die schaakwereld. Vlak voor een belangrijke partij neemt hij de benen. Op een Caribisch eiland zoekt hij de rust en wordt hij verenigd met wie hem dierbaar waren. Je zou welhaast denken: de machine is weer mens geworden.

Een alleswetende schepper

Krol is in ‘Een schaaknovelle’ weer de verteller die als een alleswetende schepper boven de stof hangt. Hij is zo’n auteur die als zoveel andere Nederlandse schrijvers uitmunt in het ‘objectieve’ proza. Bij hem wordt het verhaal doorgaans verteld in de derde persoon enkelvoud of er is een afstandelijke ikfiguur aan het woord, meestal niet iemand van de straat, maar afkomstig uit de studeerkamer. Zo’n verteller die je niet op sleeptouw neemt, maar het relaas doet in zorgvuldige formuleringen, zich concentreert op de mooie zin die zelden ontspoort en waar de gedachtegang van de hoofdpersoon niet snel uit de hand loopt. Bij Krol staat, ook in deze novelle, de komma steevast op de juiste plaats. En er zijn de traditionele witte plekken, om de verbeelding van de lezer aan het werk te zetten.

 

Ik vlieg voorwaarts terwijl ik stilsta.’

 

Hij kiest ook voor de mooie, zij het zelden verrassende beeldspraak. Al mag deze overpeinzing van Kaasschieter, als hij gevraagd wordt wat hij voelt als hij speelt, er wezen: ‘Ik vlieg voorwaarts terwijl ik stilsta. Ik zit aan het stuur en de weg raast met een hoge snelheid onder mij door.’ Maar de sleutelzin van de novelle staat in het hoofdstuk waarin de jonge Kaasschieter aan zee bivakkeert: ‘Het gaat er niet om of je de kortste weg loopt, maar of je de mooiste weg loopt. Als je de kortste weg wilt, kun je beter thuisblijven, dat is het kortst.’ Fraai zijn ook de talrijke bespiegelingen over de schoonheid van het schaakspel.

Een warme verdediging

Krols novelle verwijst overigens niet alleen naar Zweig, op wiens ‘Schaaknovelle’ (indertijd onder andere vertaald door Ernst van Altena) veel meer spanning staat. Hij refereert ook aan een roman van meesterstilist Vladimir Nabokov: De verdediging’ over een gepassioneerd schaker voor wie de buitenwereld een droom is. Nabokov, vooral beroemd dankzij ‘Lolita’ (1955), schreef met ‘De verdediging’ niet alleen een van de mooiste boeken over schaken, uitgerekend dít werk over een ‘moeilijk’ onderwerp werd een zijn meest toegankelijke en ‘warmste’.

Geloofwaardig

Maar misschien is het toch beter om de twee meesters te vergeten en Krols boekje op zijn eigen kwaliteiten te beoordelen. En dan vertelt ‘Een schaaknovelle’ een aangenaam verhaal, ondanks het wat onbevredigende slot. Alsof Krol er lukraak een punt achter gezet heeft. Deze lezer bekroop tenminste het gevoel dat hem een en ander onthouden was. Krol weet vakkundig verwarring te zaaien, maar wel zodanig dat je daardoor als vanzelf begint terug te bladeren en te herlezen, en de novelle steeds meer begint te waarderen.

Gerrit Krol heeft wel eens verklaard dat geloofwaardig voor hem synoniem is met mooi. Als we die definitie hanteren voor zijn jongste werk, ja, dan is ‘Een schaaknovelle’ domweg een mooi boekje, en niet alleen voor schaakliefhebbers.

 

Gerrit Krol: Een schaaknovelle, uitgeverij Querido, 96 blz.

 

December, 2002

UA-37394075-1