Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Gerrit Krol – In de kooi zingt het vogeltje ’t mooist

Maarten ’t Hart noemde Gerrit Krol eens de ’de saaiste schrijver van Nederland’. Krol, de P.C. Hooftprijswinnaar van 2001, voelde zich allerminst in zijn eer aangetast. Integendeel, hij had er wel plezier om.

 

Waarom? Omdat de schrijver eerder, in een overmoedige bui, zijn collega had geschoffeerd. Dat was een provocatie die niet des Krols was. Hij is een romancier, dichter, essayist en columnist. Geen polemist. Voor een polemist moet je een ’killer’ zijn als Willem Frederik Hermans, of als zijn jonge navolger Arnon Grunberg, auteurs die op papier met boosaardig genoegen een collega met de grond gelijk kunnen maken.

 

,,Zo heb ik eens, zomaar, omdat ik er zin in had, Jan Siebelink en Maarten ’t Hart ’intellectueel niet interessant’ genoemd. In een bijzin. Dan is het effect het grootst. Een fikse draai om de oren.”

 

Slechts een enkele keer heeft Krol zich aan een polemisch stuk bezondigd. In een column, opgenomen in de bundel ’Laatst met een vrouw’, schrijft hij: ,,Zo heb ik eens, zomaar, omdat ik er zin in had, Jan Siebelink en Maarten ’t Hart ’intellectueel niet interessant’ genoemd. In een bijzin. Dan is het effect het grootst. Een fikse draai om de oren. Siebelink reageerde niet, althans zijn antwoord heeft mij niet bereikt, maar Maarten ’t Hart antwoordde door overal waar hij optrad en in het bijzonder in het buitenland, mij, Gerrit Krol, ’de saaiste schrijver van Nederland’ te noemen. Bovendien, wat ik over computers schreef, daar klopte niets van. Dat vond ik leuk. Ik wreef in m’n handen. Kreeg ik tenminste kans terug te slaan. En dat heb ik gedaan. Ik heb hem later nog ’s ontmoet. Een aardige kerel.’’

Gerrit Krol (1934) was en is vanwege zijn ’wiskundige’ boeken vaak achteloos weggezet als een moeilijk en saai schrijver. Hoe het komt? Hij zal wel te bespiegelend en daardoor ‘te traag’ schrijven. Hij schrijft bovendien over onderwerpen die de meeste Nederlandse schrijvers liever mijden. Hij schrijft net zo gemakkelijk over de liefde als over wiskunde, over zijn obsessie voor grote borsten (in zijn roman ’De ziekte van Middleton’) als over (exacte) wetenschappen of schaken (’Een schaaknovelle’).

 

,,Zo heb ik zelf een oog voor de absurde schoonheid van streekbussen die leeg door de provincie rijden.”

 

Maar wat is een moeilijk schrijver? Een moeilijk schrijver is niet te volgen, gebruikt dure woorden, schrijft wazig zo niet ontoegankelijk. En dat geldt zeker niet voor Krol. Hij is altijd te volgen, en als hij al eens een ’moeilijk’ woord of begrip laat vallen, valt uit de context wel op te maken wat hij bedoelt. En saai is hij ook allerminst. Zijn schrijfstijl is eerder laconiek en speels. Hij is een dartele geest genoemd, en dat zal hij vast als een eretitel hebben opgevat. Hij ziet de absurditeit van alledag in details die een ander gemakkelijk over het hoofd ziet.

In ’Laatst met een vrouw’ schrijft hij ergens: ,,Zo heb ik zelf een oog voor de absurde schoonheid van streekbussen die leeg door de provincie rijden. Precies op tijd bij elke halte aankomen. Niemand die uitstapt, niemand die instapt. En precies op tijd rijden ze weer weg. Vin’k prachtig.’’

Het is zo’n typische Krol-schets: uit de losse pols geschreven, puntig, scherpzinnig. Hij schreef er in de loop der jaren een stuk of duizend. 82 van deze scherven van het bestaan uit het afgelopen decennium kwamen terecht in ’Laatst met een vrouw’.

 

,,Nergens in de wereld ben je vrijer om te denken wat je wilt dan op kantoor.”

 

Desondanks blijft Krol een schrijver voor fijnproevers, die van stijl kunnen genieten en er ook geen been inzien om de hersens te laten kraken. Een groot publiek zal hij ermee wel nooit bereiken. Daar zal de toekenning aan hem van P.C. Hooftprijs niet zo veel aan veranderen. Op straat wordt hij zelden herkend. In ’Laatst met een vrouw’ schrijft hij daarover met subtiele zelfspot. Hij wijst de taxichauffeur op zijn huis: ,,Dat gele huis, zeg ik, waar de lampen branden. Dat huis ken ik, zegt de chauffeur. Daar heb ik wel ’s geslapen. Dat was van die schrijver. Krol. Die zat toen in het buitenland. Dat klopt, zeg ik, die heeft hier gewoond.’’

Krol heeft de schrijverij er altijd ‘bijgedaan’. Hij werkte tot zijn pensionering immers als (computer)programmeur bij Shell, een aantal jaar verbleef hij in Venezuela en Nigeria. In die zin voelt hij zich verwant met andere kantoorheren die in hun vrije tijd de pen proberen: ,,Nergens in de wereld ben je vrijer om te denken wat je wilt dan op kantoor. Ga maar na, al die kantoorheren in de literatuur: Alberts, Kafka hadden we al, Walser, Elsschot, Bordewijk, precies de schrijvers aan wie ik mij altijd graag spiegel, en nu Voskuil weer. Het kantoor zelf, met z’n onbeduidende werkzaamheden, is natuurlijk een gevangenis, maar ’t is bekend, in een kooitje zingt de vogel het mooist. Daarom zong de gevangen Nescio mooier dan de vrije Doolaard of de nog vrijere Hartog ooit gezongen heeft.’’

Na kantoortijd schreef Krol een royaal oeuvre van romans, poëzie, essays (waaronder een geruchtmakend stuk waarin hij zich onder bepaalde voorwaarden een voorstander van de doodstraf betoont). Zijn letterkundige loopbaan begon in 1962, toen hij in één klap zijn naam vestigde met de opwekkende titel ’De rokken van Joy Scheepmaker’, dat in de serie ’beroemde debuten’ van de Schoorlse uitgeverij Conserve een nieuw leven kreeg.

 

‘Rondo veneziano’ moet het vooral hebben van de droogkomische observatie, de spitsvondige redenering en het gedachte-experiment.

 

Veel schrijvers kijken een eens gepubliceerd boek nog zelden in. Andere schrijvers zijn nóóit tevreden. Van Willem Frederik Hermans is bekend dat hij in nieuwe drukken van zijn boeken eindeloos bleef hij corrigeren. Eenzelfde verbetenheid typeert Gerrit Krol. Zo heeft hij nu zijn geprezen romandebuut ’De rokken van Joy Scheepmaker’ nageplozen en het laatste hoofdstuk herschreven. Wie de eerste druk uit 1962 en de vierde druk uit 2004 nu naast elkaar legt, kan constateren dat de oude schrijver de jonge stilistisch heeft verbeterd. Daarnaast heeft dit verhaal van de liefde tussen de 22-jarige, uit militaire dienst ontslagen Kraus Koster en het 16-jarige schoolmeisje Joy Scheepmaker, een luchtiger maar niet minder krachtig slot gekregen.

Het derde boek waarmee Krol (in 2004) verraste, is de roman ’Rondo veneziano’. Er draven voor Krols begrippen opvallend veel personages op, met als hoofdfiguur de wiskundige Jan Pipper, voor de Krol-lezers een oude bekende. Op een congres in het Italiaanse Padua en Venetië verzamelt zich een uitverkoren groep eerzuchtige geleerden, denkers en dichters om te bespreken wat de westerse beschaving aan de wetenschap heeft te danken. En hoe het nu verder moet met deze wereld op drift. Maar ook de hooggeleerde dames en heren – levenden én doden – komen er niet uit.

 

Krol stelt vragen over onze beschaving, over haar succes en haar falen.

 

Wat in een vorige roman ‘De vitalist’ niet werkt, overtuigt hier wel. Zo kijk je er niet van op dat de allang overleden Russisch-Amerikaanse dichter Josip Brodsky postuum het woord voert.

Krol stelt vragen over onze beschaving, over haar succes en haar falen. Zo’n roman kan looiig en taai uitvallen. En lang niet alle uitweidingen in dit boek zijn dan ook even meeslepend. Hetzelfde geldt voor het liefdesverhaal en een fraudezaak die de boel bijeen moeten houden. ‘Rondo veneziano’ moet het vooral hebben van de droogkomische observatie, de spitsvondige redenering en het gedachte-experiment. En dat is zijn triomf: dat Gerrit Krol na veertig jaar schrijverschap zijn fascinatie voor de werking van de menselijke geest – óók in een roman – nog altijd op prikkelende wijze over weet te brengen.

 

Gerrit Krol: ’Laatst met een vrouw’, uitgeverij Querido. ’De rokken van Joy Scheepmaker’, heruitgave romandebuut, uitg. Conserve, Schoorl. ’Rondo veneziano’, 264 pagina’s, Querido.

 

September, 2004

 

UA-37394075-1