Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Gerrit Krol, bijzonder schrijver over wiskunde en de liefde, machines en grote borsten

Gerrit Krol is op 79-jarige leeftijd overleden. Hij was een bijzonder schrijver en ook een bijzonder mens. Zijn laatste roman was ‘Duivelskermis’, die verscheen in 2007. Naar aanleiding daarvan bezocht ik hem op dinsdag 15 mei van dat jaar. Ik had niet alleen een ontmoeting met een bijzonder en unieke schrijver, maar ook met een aimabel mens, die mij, samen met zijn vrouw Janna, hoffelijk ontving in zijn toenmalige woning in het Drentse Oudemolen.

 

 

Schimmen, spoken en demonen bevolken ‘Duivelskermis’ van Gerrit Krol (1934). Geen gewone roman, wel een met een toepasselijke titel, waarin de lezer ‘meekijkt’ in het hoofd van een Parkinson-patiënt. Een ziekte waaraan de P.C.Hooftprijswinnaar van 2001 zelf lijdt.

 

,,Het eerste wat ik tegen de dokter zei was: dan weet ik tenminste waaraan ik dood ga,’’ aldus Gerrit Krol tijdens het vraaggesprek in mei 2007.

 

EEN HUIS VOL LELIJKE KOPPEN’

 

Omstreeks de millenniumwisseling maakte Gerrit Krol tot zijn ongenoegen kennis met de ‘onderwereld van de menselijke geest in de persoon van de heer Parkinson’. ,,Je merkt het zelf pas als een ander het ziet’’, zegt de schrijver in zijn huis in het Drentse Oudemolen. ,,Het is dan al een tijdje aan de gang. Bij mij begon het, terugrekenend, in 2000. Ik heb er nu ook last van. Maar veel dingen kan ik nog steeds doen, zoals schrijven, praten, dat valt me mee. Je hebt patiënten die niet goed meer kunnen praten, die hees worden. Ik ben wel verstaanbaar. En mijn hoofd, mijn brein is nog in orde.’’

 

Bij Parkinsonpatiënten wordt er een tekort aan dopamine in het lichaam aangemaakt waardoor er verstijving van ledematen of trillende handen, evenwichts- en spraakstoornissen kan optreden. Krol beweegt zich niet zozeer stroef, eerder bedachtzaam, alsof hij over elke stap moet nadenken. ,,Ik beweeg vrij gemakkelijk. Aan mij zie je niks, anderen lopen scheef. Dat lijkt me vermoeiend, het is ook een beetje aanstootgevend. Ik doe mijn gymnastiekoefeningen, anders ben je zo stijf dat het moeilijk is om in je kleren te komen. Als ik te weinig medicijnen neem, kost het me moeite om de bocht om te gaan.’’

 

,,Mijn medicijnen maken een beetje een normaal mens van me’’, vervolgt Krol met zachte stem. Die medicatie luistert nauw, en kan gepaard gaan met een bijverschijnsel dat spoken, demonen en macabere voorstellingen oproept. ,,Als ik mijn medicijnen vergeet, lig ik als een dweil op de grond. Als ik te veel pillen neem, voel ik me beter. Maar dan word ik ’s nachts gestraft door monsters die me voor de voeten lopen. Maar ook daar wen je aan.’’

 

‘Ik zie dingen die niet kunnen.’

 

Krol wijst naar de staande lamp op een salontafeltje. ,,Ik zie dingen bewegen die dat niet kunnen. Neem deze witte lamp. Ik zat daar laatst naar te kijken. Ineens was het een vrouw die haar neus uittrok. De naaimachine daar in de hoek is geen naaimachine. Dat is een man in de vorm van een naaimachine. De allereerste keer dat ik gestraft werd door die pillen was het hele huis gevuld met koppen. Geen mooie koppen, nee, lelijke. En het gekke is, je gezonde verstand werkt wel maar begrijpt het niet. Het is ook wel spannend. Hoe lang duurt dit, denk je dan. Ach, ik kan me er ook wel mee vermaken.’’

 

En hoe rijker de verbeelding des te heviger is ,,de strijd die je met deze vreemde indringer aangaat. Het is een absurd gevecht dat vaak hilariteit opwekt, maar hoe dan ook niet te winnen is’’. Over die strijd gaat zijn roman ‘Duivelskermis’.

 

Hierin beschrijft Krol Parkinson van binnenuit. Albert, de held van het verhaal en Parkinson-patiënt, gaat in Maastricht op zoek naar een vriendin die al bijna vier jaar lang als vermist staat geregistreerd. Je zou hem het jeugdige alter ego van de schrijver kunnen noemen. In ‘Duivelskermis’ balanceert hij voortdurend op de grens van schijn en werkelijkheid. Hij verdwaalt in een even bizarre als sprookjesachtige wereld vol schimmen, geesten en demonen. Ergens in het boek staat: ‘Het gevaarlijkst is mijn eigen fantasie.’ Krol: ,,Dat blijkt wel aan het einde als hij ten prooi valt aan zijn eigen overmoed.’’

 

Het boek gaat óók over een andere obsessie van de auteur: ,,Er is voor mij niets fijners dan over vrouwen en seks te schrijven, al moet je je met dat laatste wel weten te beperken om te voorkomen dat het onbehoorlijk wordt. Het hoogtepunt beschrijf ik niet, dat is bijkans altijd hetzelfde.’’

 

‘IK HEB NIET ZOVEEL TALENT VOOR DEPRESSIES.

IK ZIE DE TOEKOMST ALTIJD ZONNIG TEGEMOET.’

 

Bij sommigen, zoals bij wijlen prins Claus, gaat Parkinson gepaard met depressies. ,,Ik heb niet zoveel talent voor depressies’’ zegt Krol. ,,Wat dat betreft zie ik de toekomst zonnig tegemoet. Het had erger kunnen zijn, maar je weet niet wat je allemaal nog voor je kiezen krijgt. Maar eerlijk gezegd maak ik me daar niet druk om.’’

 

Bovendien kan hij terugkijken op een respectabel oeuvre. ,,Nou, dat is de spijker op de kop. Toen ik deze of gene vertelde over mijn ziekte, was de reactie: als je zo’n leven hebt gehad, heb je helemaal geen reden tot klagen, wat er ook gebeurt. Het eerste dat ik tegen de dokter zei was: dan weet ik tenminste waaraan ik dood ga. Nee, zei hij, aan Parkinson ga je niet dood. Je wordt wel bedlegerig en hulpbehoevend in een veel grotere mate dan ik nu ben.’’

 

‘ALS WE NIKS HADDEN ONDERNOMEN,

ZATEN WE ONS HELE LEVEN BINNEN.’

 

Krol heeft naast zijn schrijverij 35 jaar lang een baan gehad. Hij was systeemanalist bij Shell en de NAM en werkte in Amsterdam, Groningen, Assen, Caracas (Venezuela) en Lagos (Nigeria). ,,Mijn vrouw en ik waren van plan iets meer van de wereld te zien dan Groningen. En we wisten dat als we niks ondernamen ons hele leven binnen zouden blijven zitten. Ik kwam bij Shell te werken in het buitenland. Dan had ik ’s avonds de tijd om te schrijven.’’

 

Vanwege zijn ziekte verruilt hij het landelijke Oudemolen voor het stadse rumoer van zijn geboorteplaats Groningen. ,,Mijn ogen zijn verkeerd gaan staan, ik ben een gevaar op de weg als ik in een auto zit. Maar ik vind het niet zo erg. Het huis hebben we zelf uitgekozen, het heeft een flinke tuin. En als ik naar buiten kijk, zie ik aan de overkant van de straat mijn ouderlijk huis.’’

 

 

MET P.C.HOOFTPRIJS

HEB IK DOEL BEREIKT’

 

Gerrit Krol (1934) is romanschrijver, dichter, essayist en columnist. Hij schrijft net zo gemakkelijk over de liefde als over wiskunde, over zijn obsessie voor grote borsten als over schaken of de mens als machine. Zijn stijl is meteen herkenbaar, hij schrijft puntig en scherpzinnig.

 

Krol ontving in 2001 de PC Hooftprijs, de belangrijkste literaire onderscheiding van het land. ,,Die prijs is mijn leven lang een richtsnoer geweest. Ik was in een positie waarin ik nog iets te bewijzen had. En al deze zorgen vielen van me af toen ik hem kreeg, niemand kon mij meer iets maken. Ik ontleen er een geweldig zelfvertrouwen aan. Ik had mijn doel bereikt en alles wat erna komt is een toegift.’’

 

,,Ik ben ervan overtuigd dat iedereen, een schrijver of musicus, altijd blij is met een prijs, hoezeer hij dat ook probeert te verbergen. Natuurlijk heeft het ook iets arbitrairs. Als er een prijs te vergeven is en ik krijg ‘m en de ander niet, betekent dat niet dat de ander dus een mindere schrijver is. Het heeft iets van het werpen van een dobbelsteen.’’

 

Zijn er sinds de PC Hooftprijs meer boeken van hem verkocht? ,,Boeken die geen bestseller zijn trekken aan het kortste end. Dat geldt niet alleen voor mijn boeken. Terwijl het aantal goede schrijvers vergeleken met vroeger toeneemt, wordt de markt in hoge mate bepaald door bestsellers. Ach, ik vind het niet zo’n fijn onderwerp. Geld is voor mij niet belangrijk. Het gaat erom dat je werk aandacht krijgt. Tot dusver zijn al mijn boeken besproken. Maar mocht ik eens verstek laten gaan en ik signaleer dat, dan prikt dat.’’

 

 

GERRIT KROL IN

VOGELVLUCHT

 

1934 Op 1 augustus geboren in Groningen.

 

1947 Volgt gymnasium bèta, daarna studie mo-wiskunde.

 

1957 Tijdens studie computerprogrammeur bij Shell in Amsterdam-Noord.

 

1959 Trouwt met Janna en verhuist naar Purmerend.

 

1961 Eerste publicaties in Barbarber en Hollands weekblad

 

1962 ‘De rokken van Joy Scheepmaker’ (debuut), in 2004 volledig herzien.

 

1965 Voor vijf jaar uitgezonden naar Venezuela

 

1967 ‘Het gemillimeterde hoofd’ (roman), waarvoor hij de Prozaprijs

 

van de gemeente Amsterdam ontvangt. Poëziedebuut ‘Een morgen in maart’

 

1969 Gaat werken voor de NAM in Assen

 

1978 Multatuli Prijs voor ‘De weg naar Sacramento’ uit 1977

 

1981 Schrijft columns voor de Volkskrant

 

1986 Voor drie jaar uitgezonden naar Nigeria

 

1986 Constantijn Huygens Prijs voor zijn hele oeuvre

 

1996 Busken Huetprijs voor ‘De mechanica van het liegen’ (essays)

 

1998 ‘60.000 uren’, ‘het broertje’ van Voskuils ‘Het Bureau’, een autobiografie over zijn loopbaan bij Shell en dochterbedrijf NAM

 

2000 ‘De vitalist’ (roman)

 

2001 PC Hooftprijs voor proza

 

2001 Gastcolleges aan TU Delft

 

2002 ‘Een schaaknovelle’

 

2004 ‘Laatst met een vrouw’(columns); ‘Rondo veneziano’ (roman)

 

2007 ‘Duivelskermis’ (roman); verhuizing van Oudemolen naar Groningen

 

 

 

Mei, 2007

UA-37394075-1