Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Giacomo Casanova: de genotzuchtige levensgenieter

Vixi’, schrijft Giacomo Giralamo Casanova (1725-1798), Chevalier de Seingalt, op zijn tweeënzeventigste, ‘Ik heb geleefd.’ Waarmee de man die de de geschiedenis is ingegaan als onverbeterlijke verleider, ongeneeslijke rokkenjager, de man die behalve een hoog ontwikkeld libido vooral ook een hoog IQ wordt toegeschreven, niets teveel heeft gezegd.

 

Wie Casanova’s memoires heeft gelezen, en de schrijver van deze meeslepende levensgeschiedenis op zijn woord gelooft, zal dit moeten beamen. Casanova, de man die meer dan tweehonderd jaar geleden stierf, heeft inderdaad gelééfd, elke ademtocht heeft hij geproefd, van elke dag die hem was gegeven, heeft hij geput wat er uit te halen viel.

 

De legendarische, sprankelend geschreven autobiografie van Casanova, ‘Histoire de ma vie’, is integraal en mooi in het Nederlands vertaald, door schrijver Theo Kars (zelf schrijver van veelal autobiografisch getinte romans als ‘De verleider’ uit 1969, ‘De geisha’ en ‘erotische bekentenissen’ in ‘Vrouwen in bed’), die sinds 1991 aan dit immense vertaalproject werkte en zonder wie we met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van de Nederlandse vertaling van ‘Histoire de ma vie’ verstoken zouden zijn gebleven.

 

Het twaalfdelige werk beslaat in totaal zo’n drieëneenhalfduizend bladzijden. In zijn levensgeschiedenis ontwikkelt Casanova zich van een roekeloze en soms irritante en verwende levensgenieter – hij kan zich vorlijk maken over de onbeduidendste dingen en zeer genieten van een eenvoudige maaltijd – tot een almaar wijzer en sympathiekere figuur, die steeds meer oog krijgt voor zijn eigen fouten en tekortkomingen.

 

Wat Casanova schrijft, is trouwens nageplozen door historici. Ook diens verblijf in Nederland. Veel van de mensen die Casanova opvoert in zijn autobiografie – de schrijver was uiterst discreet met het noemen van de namen van zijn veroveringen – zijn geïdentificeerd. Zo raakte hij in 1758 verliefd op de dochter van de Amsterdamse koopman Hendrik Hooft Daniëleszoon, en in diens grachtenpand aan de Herengracht 507 flirtte Casanova, terwijl de vader op de beurs was, met diens dochter. Een vroegrijp meisje van elf, niettemin onbetamelijk jong, ook voor achttiende-eeuwers, ofschoon die de seksuele moraal toen niet zo nauw namen. Casanova viel overigens vaker voor zeer jonge vrouwen, meisjes nog, onder wie een die later tot zijn niet geringe ontzetting zijn dochter bleek te zijn.

 

Casanova leefde in een tijd, zo anders als die van ons, waarin (ontwikkelde en welgestelde) mensen zich niet schuldig voelden als ze niets uitvoerden of hoefden uit te voeren. Zij waren vooral bezig waren met zo aangenaam mogelijk te leven zonder zich voortdurend druk te maken over uiterlijkheden, oppervlakkigheden, status en carrière.

 

Casanova, de man die vaak in een adem wordt genoemd met andere voor menige man jaloersmakende hartenbrekers als Figaro, Lovelace en Don Juan. Vooral met die laatste wordt Casanova dikwijls op één lijn gesteld. Wat voor de ware casanovist een belediging is. De Venetiaanse avonturier heeft tot op de dag vandaag wereldwijd nog een leger ‘volgelingen’ en bewonderaars. En volgens deze casanovisten zijn de verschillen tussen die twee groter dan de overeenkomsten. Casanova volgde anders dan Don Juan niet slechts zijn libido. Casanova zocht en vond het avonturier niet alléén bij vrouwen. Casanova is niet alleen gezegend met een enorme levensdrift en -lust, maar ook spontaan en tot op hoge leeftijd nieuwsgierig naar álles in het leven, naar schoonheid en kennis, naar vrouwen én de kunsten.

 

Casanova is genotzuchtig. Verleiden en veroveren is één, genieten is belangrijker. Hij is niet alleen geïnteresseerd in de buitenkant. Hij is erudiet, een denker, een libertijnse, vrije geest, een opportunist ook die in zijn eigen intuïtie en voorzienigheid gelooft. Casanova is bovendien een begenadigd schrijver, met een elegante, hoofse stijl. Hij schrijft nooit direct over intimiteiten, maar steevast in een gracieuze somtijds wat omslachtige omweg.

 

Voor Don Juan telt alleen de verovering, de rest is bijzaak. Hij is geobsedeerd, een bezetene, een slaaf van zijn lusten. Don Juan is het prototype van een geborneerde man, gekooid in zijn eigen wellust. Misschien is de enige overeenkomst tussen beide heren dat ze zich over hun welbestede tijd geen moment schuldig voelen.

 

Schrijfster Ethel Portnoy wijdde ooit een boeiend essay (gebundeld in het boek ‘Genietingen’, uitg. Meulenhoff) aan de verschillen tussen de twee beroemde en begeerlijke charmeurs. Zij vraagt zich daarin af waarom de Italiaanse filmregisseurs Fellini en Scola in hun films over Casanova van hun beroemde landgenoot zo’n eenzame en tragische figuur hebben gemaakt. Want eenzaam en tragisch was Casanova allerminst, in elk geval zelden. Juist diens sprankelende levenslust en niet diens libido of veroveringen is wat de casanovisten zo aanspreekt.

 

Dat is trouwens een wonderlijk gezelschap, in de jaren negentig ooit door Kees Hin in een tv-documentaire geregistreerd, dat (soms letterlijk) in de voetsporen van hun idool treedt. Geobsedeerd bestuderen de casanovisten zijn geschriften en brieven, ze reizen langs de postkoetsroutes die hun idool aflegde, en wisselen met elkaar ideeën en informatie uit. Zo treedt in de film een vrouw op die gelooft dat ze de reïncarnatie van de voluptueuze non M.M. is, een van Casanova’s liefjes (Casanova duidt zijn veroveringen discreet met initialen aan). In hypnose ontmoet deze bewonderaarster haar minnaar en bereikt in trance een hoogtepunt, een ‘petit mort’, een orgasme of de ‘kleine dood’.

 

Casanovisten verklaren maar wat graag dat als alles wat er in Europa in de achttiende eeuw is geschreven zou worden gewist, de memoires van de viriele levensgenieter toereikend zouden zijn om die bonte en onstuimige periode weer tot leven te wekken. Casanova, wiens libido op 72-jarige leeftijd verdorde – reden waarom hij zich ten langen leste aan het schrijven zette – maakte in elk geval een sprankelend verhaal van zijn leven.

 

Casanova had nergens spijt van, hij voelde zich het ‘slachtoffer van zijn zintuigen’, iets wat hij met genoegen noteerde. Zinnelijkheid, daar draaide Casanova’s leven om:

 

Ik heb van sterk geruide gerechten gehouden en van kazen die hun perfectie bereiken als de wezentjes die erin wonen zichtbaar beginnen te worden. Wat vrouwen betreft, ik heb altijd gevonden dat degene die ik begeerde lekker rook; en lekkerder naarmate zij sterker zweette.’

 

Sinds zijn dood is Casanova uitgegroeid tot een mythe. Hij is de spreekwoordelijke versierder van vele vrouwen, maar ook een begenadigd schrijver en een ware levenskunstenaar. Hij werd op 2 april 1725 geboren in Venetië en stierf op 4 juni 1798 in kasteel Dux in Bohemen (nu Tsjechië). Casanova was een onecht kind van een actrice en waarschijnlijk een adellijke impresario. Zijn oma voedde hem op, hij verbleef in een seminarie en leidde vanaf die tijd een avontuurlijk leven.

Zijn kerkelijke en militaire carrières mislukten, in 1755 werd hij gevangen genomen in de Venetiaanse Piombi. Niet vanwege amoureuze escapades, maar door zijn spectaculaire ontsnapping uit die gevangenis haalde hij de voorpagina’s van de kranten. Die geschiedenis gonsde door heel Europa. Casanova vluchtte en het duurde achttien jaar voordat hij zijn vaderstad weer in mocht. In die tijd reisde hij door heel Europa, hij had nooit een vaste betrekking. Hij ontmoette de groten der aarde, van Voltaire tot Frederik en Catharina de Grote. Hij haalt nogmaals de kranten als hij een pistoolduel wint van een hooggeplaatste Poolse edelman, Branicki.

 

Zijn grote (geestelijke) liefde was Henriette. Hij reisde van Amsterdam tot Barcelona en van Loden tot Sint-Petersburg. Door zijn ballingschap is Casanova een van de beste kroniekschrijvers van de achttiende eeuw geworden en een monument in de wereldliteratuur. Hij was van 1785 tot het einde van zijn leven bibliothecaris van graaf Waldstein in kasteel Lux in Oost-Bohemen. Hier schreef hij een roman, politieke en taalkundige geschriften en pamfletten, maar werkte hij vooral gestadig door aan zijn autobiografie, waarin hij opnieuw zijn leven beleefde, zijn geluk, zijn avonturen, zijn veroveringen, een ‘gouden’ bestaan dat dan voorgoed tot het verleden behoort. Hij schreef over zijn geleidelijke lichamelijke aftakeling en hij schreef vooral ook tegen de tergende eenzaamheid.

 

Het zijn soms kleine, fijnzinnige levenslessen die niet alleen modern aandoen maar ook een prachtig zicht bieden op het leven van de achttiende-eeuwer. Maar zonder die krakkemikkige fysieke gesteldheid op latere leeftijd zou Casanova zijn levensverhaal vermoedelijk nooit opgeschreven hebben.

 

Giacomo Casanova: ‘De geschiedenis van mijn leven’ (Histoire de ma vie). Uit het Frans vertaald door Theo Kars, uitgeverij Athenaeum Polak & Van Gennep, Amsterdam.

 

April, 1999

 

UA-37394075-1