Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Arjan Visser – godsdienstgekte op het platteland

In de troebele vijver van literaire debuten vissen we soms een briljantje op. Dan duikt een boek op dat een groot lezerspubliek verdient. Zo’n droomdebuut schreef Arjan Visser (1961) met ‘De laatste dagen’ (2003), een roman die getuigt van een gerijpt meesterschap.

 

Als journalist maakte Visser in dagblad Trouw naam met zijn interviews over het belang van de tien geboden in de moderne samenleving. Zo deed vooral zijn vraaggesprek met Ayaan Hirsi Ali veel stof opwaaien.

Vissers fascinatie voor God en gebod vormen ook de leidraad van ‘De laatste dagen’, zonder dat de roman een religieuze exercitie is geworden. Hij wil alleen maar laten zien wat de invloed van God en geloof is op een afgelegen oer-Hollandse streek met gewone burgers waarin zich bij toeval een ernstig geval van godsdienstwaanzin voordoet, met dood en moordslag tot gevolg. In die zin doet het boek denken aan ‘Waanzee’ van Robert Haasnoot, over drie bizarre moorden op een Katwijkse ’gekkenlogger’, gepleegd in opdracht van een godsdienstwaanzinnige matroos.

De laatste dagen’ begint, na de proloog, bijna idyllisch met het verhaal van een onbekwame en prullige dorpsdokter. Dat wordt verbonden met de geschiedenis van een sektarisch boerengezin. Spil is de ‘profeet’ Johannes Peregrino, een welbespraakte maar halfgare zwerver die is gemodelleerd naar de Russische schrijver Leo Tolstoj, die – malende geworden – aan het eind van zijn leven rondzwierf. (De foto op het omslag is overigens niet, zoals in het boek wordt vermeld, die van de oude Tolstoj, maar van een onbekende Rus.)

De laatste dagen’ is een historische roman, en op het eerste gezicht in alles het tegendeel van wat moderne literatuur vermag. Het decor is die van een streekroman. Dat het boek toch zo ‘modern’ aandoet, heeft te maken met de stijl, met de manier waarop Visser zijn stof behandelt, en de wijze waarop hij in het hoofd van zijn personages kruipt, waardoor hij de lezer deelgenoot weet te maken van hun worstelingen met de liefde, seksualiteit, het isolement en vooral God en het geloof, die van alle tijden zijn.

Daarnaast is ‘De laatste dagen’ soms zinnenstrelend mooi van taal: ‘Het ronde hoofd van haar overspelige echtgenoot, gedrukt in het grote, witte kussen, lag als een kers in een slagroomtaart.’ En: ‘Rebecca slingerde het dagboekje naar buiten. Het kwam tussen de struiken terecht waar het openviel in het midden. De wind bladerde erdoorheen, van voor naar achter en weer terug, alsof hij op zoek was naar een passend citaat.’

Laat u niet afschrikken door de gortdroge proloog, waarin een sociaal-medisch rapport van ene professor Rijnierse uit 1911 de lijnen uitzet. Na een lichtvoetig begin krijgt de absurditeit van de zonderlinge personages de overhand. Dat moet in ‘schreeuwsessies’ van hysterische godsdienstwaanzin tenslotte wel leiden tot een gruwelijke apotheose. Die wordt in dit boeiende, verontrustende boek gevolgd door een bijna zonnig einde. Het leven herneemt in alle kalmte zijn gang, alsof er niets is gebeurd.

 

Arjan Visser: ‘De laatste dagen’. Uitgave Augustus. 221 blz.

 

Mei, 2003

UA-37394075-1