Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

‘Gstaad 95-98’ – Genot is vergeten dat je bestaat

Het gerucht deed al langer de ronde, maar uitgerekend op het moment dat zijn roman ’Gstaad 95-98’ verschijnt, is het onomstotelijk bewezen: Marek van der Jagt is Arnon Grunberg. Of vice versa. Italiaanse wiskundigen – wetenschappers uit onverdachte hoek – hebben dit aangetoond door teksten van Van der Jagt en Grunberg in een computeranalyse met elkaar te vergelijken.

 

Gstaad 95-98’ van Marek van der Jagt is ’ouderwetse’ Grunberg

 

Het was al vaker geopperd. Niet alleen de stijl van beide schrijvers leek verdacht veel op elkaar, ook in thematiek stemde hun beider werk opvallend overeen, ofschoon Van der Jagts wereldbeeld minder pessimistisch en hopelozer leek dan dat van Grunberg. Maar kon de schrijver van het sprankelende romandebuut ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ nog als een meesterlijke leerling van Grunberg worden afgedaan, of als een briljante epigoon die zijn meester in toon, stijl en brille overtrof (waarmee Grunberg met terugwerkende kracht zichzelf dus overtrof), het essay ’Monogaam’, verschenen ter ere van de jongste Boekenweek, vertoonde al veel nadrukkelijker de sporen van Grunberg. Hier overspeelde Grunberg/Van der Jagt zijn hand. Het werd té ongeloofwaardig, een te opzichtig gemaskerd spel.

 

Een principe is niets anders dan versteende domheid.’

 

En nu het overtuigende bewijs is geleverd dat de tot voor kort zo geheimzinnige schrijver Marek van der Jagt (volgens zijn uitgeverij geboren in Wenen, in 1967) en de in New York woonachtige Arnon Grunberg (Amsterdam, 1971), een en dezelfde persoon blijken te zijn, verschijnt prompt Van der Jagts tweede roman ’Gstaad 95-98’. Je leest dit boek meteen met andere ogen.

 

Maar niks geen trauma, niks geen ellende, ik vond het heerlijk om de straf van God te zijn.’

 

Tijdens het lezen – dat was nog vóór het demasqué – noteerde ik een aantal zinnen die je grunbergiaans zou kunnen noemen, zoals: ’Een principe is niets anders dan versteende domheid.’ En: ’Maar niks geen trauma, niks geen ellende, ik vond het heerlijk om de straf van God te zijn.’ En: ’Ze onderhield geen relatie meer met haar verleden, het had bestaan, maar ze had zich er hoe dan ook nooit in thuis gevoeld.’ En: ’Genot is niet voelen dat je leeft, maar vergeten dat je bestaat.’

Glans

Nu vrijwel vast staat dat Grunberg Van der Jagt is, verbleekt enigszins de glans van deze mysterieuze auteur, die de lezers en de literaire kritiek lange tijd bij de neus heeft genomen. ’Gstaad 95-98’ is nu ‘gewoon’ de nieuwe roman van Grunberg, zijn vijfde (drie maal Grunberg, twee maal Van der Jagt). Een bijzondere literaire gebeurtenis, dat geldt voor elk nieuw boek van het enfant terrible van de Nederlandse literatuur.

 

Het wemelt van de halfverknipte types, ’de onsmakelijken’ genoemd, die weer typisch grunbergiaanse afwijkende en bizarre karaktertrekjes hebben meegekregen.

 

Hoe het zij, ’Gstaad ’95-98’, het hoge woord moet er nu maar uit, is een bijzonder boek: onderhoudend, aangrijpend, ontwrichtend. De roman begint aarzelend, de schrijver zoekt nog naar de juiste toon, maar gaandeweg krijgt Van der Jagt – laten we de auteur zo maar blijven noemen aangezien deze naam op de omslag prijkt – die te pakken. En dan is er geen houden meer aan en sleept Van der Jagt je mee in een tragikomisch verhaal dat in veel lijkt op ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ en toch volstrekt anders is. Het aristocratische Wenen in ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ heeft in ’Gstaad 95-98’ plaatsgemaakt voor het burgerlijke Duitsland (Heidelberg, Baden-Baden), maar de hang naar de grandeur van weleer is gebleven.

Het wemelt van de halfverknipte types, ’de onsmakelijken’ genoemd, die weer typisch grunbergiaanse afwijkende en bizarre karaktertrekjes hebben meegekregen. Het zijn tragische figuren die bezijden de maatschappij – meestal vergeefs – op zoek zijn naar een beetje warmte, geborgenheid, liefde en houvast. De schrijver licht met vilein genoegen hun duistere kanten op. Hij houdt van extremen, hij schakelt met achteloos gemak van verhevenheid naar banaliteit. En ook van effectbejag is hij niet vies.

 

Een jongen, die ’extreem gevoelig is voor de praktische kant van het leven’.

 

De hoofdpersoon is François Lepeltier (spreek uit Lepeltjee), zoon van een Duits kamermeisje en een rondtrekkende handelaar in eendendons uit de Elzas, ’een man met een uitstervend beroep die besloten had te sterven voor zijn beroep dat deed’.

François is een onweerstaanbare schlemiel, een ’achtergebleven kind’ dat lijdt onder fysieke afwijkingen. Was het in ’De geschiedenis van mijn kaalheid’ de kleine penis, een ’visgraat ter grootte van een teen’, die de jongen onderscheidt van zijn leeftijdgenoten, nu is er sprake van een jongen met buitenissig grote handen, met eczeem en anale fixaties.

 

Het interesseert me niet op wie je verliefd bent, al was je verliefd op een hond.’

 

De jongen, die ’extreem gevoelig is voor de praktische kant van het leven’, koestert een grote genegenheid voor zijn moeder, Mathilde. Zij is ’de zon die alles verwarmde’, maar ook een dievegge, die ’het genot van de diefstal had leren kennen lang voor ze het genot van de liefde ontmoette’. Zij heeft zelf geen boodschap aan de gevoelens van haar moederskindje: ’Het interesseert me niet op wie je verliefd bent, al was je verliefd op een hond.’

Broodjongen

De kleine François is in het hotel waar zijn moeder werkt eerst de ’broodjongen’, waar hij een grote genegenheid opvat voor de oudere mevrouw Ceccherelli. Later werkt hij als ’tandarts’ in Stuttgart, skileraar in Château-d’Or, waar hij tenslotte niet meer te handhaven is. Uiteindelijk werkt hij – de titel verwijst naar het laatste hoofdstuk dat speelt tussen 1995 en ’98 – als sommelier in Palace Hotel in Gstaad, een Zwitsers wintersportoord waar hij zeer geliefd is. Tot de erotomaan zich ontpopt als het Monster van Gstaad. Het is de schrijnende kant van dit verhaal over het menselijk tekort. De jongen wordt misbruikt, als man zal hij anderen misbruiken, met uiteindelijk gruwelijke gevolgen. Hij projecteert zijn onstilbare honger naar perverse liefde op net zo’n weerloos en kwetsbaar kind als hij vroeger was, op een meisje van elf, in wie hij een kleine mevrouw Ceccherelli ziet. Hij is emotioneel zo beschadigd dat hij goed denkt te doen met het kwade.

 

Het boek staat vol mooie zinnen en verfrissende vergelijkingen, die je net even anders tegen het vanzelfsprekende, tegen het alledaagse laten aankijken.

 

De geschiedenis van mijn kaalheid’ was nu en dan om te schateren, om te snikken van het lachen zo leuk. ’Gstaad 95-98’ is óók geestig, een enkele keer flauw en melig, maar hier is de lach er een van de ingehouden soort. En op den duur vergaat je het lachen in dit inktzwarte sprookje, dat hier en daar balanceert op de rand van geloofwaardigheid. De dialogen in het boek zijn weer ijzersterk. Mooi is de (zelf)ironie, trefzeker zijn de droogkomische terzijdes. Het boek staat vol mooie zinnen en verfrissende vergelijkingen, die je net even anders tegen het vanzelfsprekende, tegen het alledaagse laten aankijken.

Grunberg is een fenomeen, want welke schrijver slaagt erin om twee keer de Anton Wachterprijs voor het beste debuut in de wacht te slepen? Hij kreeg het voor elkaar, de eerste keer in 1994 onder zijn eigen naam voor ’Blauwe maandagen’, de tweede keer in 2000 onder het pseudoniem Van der Jagt met ’De geschiedenis van mijn kaalheid’. Grunberg en Van der Jagt komen nu samen in ’Gstaad 95-98’ en het resultaat is verbluffend. Bij Meulenhoff verschijnt binnenkort ’een perfecte roman’ van de ook bij de uitgeverij zelf volslagen onbekende Aristide von Bienefeldt. Zou die vermaledijde, veelzijdige en ongehoord productieve Grunberg, die ooit verklaarde bij alle Nederlandse uitgeverijen een boek te willen publiceren, dan toch ook híer weer achter zitten?

 

Marek van der Jagt: ’Gstaad 95-98’, 310 blz, uitgeverij De Geus, Breda.

 

Voorjaar, 2002

UA-37394075-1