Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Guus Kuijer en zijn doortastende heldin Polleke

Guus Kuijer, vooral bekend van de serie over Madelief, schreef het geschenk voor de Kinderboekenweek van 2001: ‘Ik ben Polleke hoor!’ Het is het vijfde en dunste deel over een doortastend meisje dat twee hobby’s heeft: poëzie en haar koe.

 

Guus Kuijer (1942), een van de invloedrijkste vernieuwers van het kinderboek in Nederland (twee keer de Gouden, een keer de Zilveren Griffel, in 1979 de Staatsprijs voor jeugdliteratuur) en een van de meest vertaalde, was het eigenlijk niet van plan. Zijn vierdelige serie over Polleke had hij begin 2001 met deel vier ‘Met de wind mee naar de zee’ juist afgerond. Hij vond het eigenlijk welletjes. Op verzoek van zijn uitgeverij stemde hij toch weer in om er nog een deeltje aan toe te voegen. Dat is nu het kinderboekenweekgeschenk geworden, een ‘dunnetje’, met de titel ‘Ik ben Polleke hoor’.

 

LITERAIR EN MAKKELIJK LEESBAAR HAND IN HAND

Maar met dit vijfde deel van zijn Polleke-serie, een soort epiloog, logenstraft Kuijer wederom de gedachte dat de Nederlandse jeugdliteratuur moeilijk en ontoegankelijk zou zijn. Juist bij hem gaan literair verantwoord en makkelijk leesbaar met achteloos gemak samen.

 

De Polleke-serie was de publiciteitsschuwe Kuijer in 1999 gestart met ‘Voor altijd samen, amen’, dat met de Gouden Griffel werd bekroond. Het was zijn eerste grote serie na zijn succesvolle, verfilmde serie over Madelief en de reeks over de innemend brutale Tin Toeval. Voor de trouwe Kuijer-lezers en Polleke-liefhebbers is dit geschenk een feest van herkenning: naast Polleke komen we haar vader Spiek tegen, haar moeder en haar vriend Wouter (die Pollekes meester is) die inmiddels getrouwd zijn, haar Marokkaanse vriendje Mimoen en haar Mexicaanse vriendinnetje Consuelo.

 

Voor wie de voorgaande delen niet gelezen heeft, hoeft dit geen enkel bezwaar te zijn, want Kuijer voorziet alle figuren van een heldere introductie. In het vierde deel ‘Met de wind mee naar zee’ lag de opa van Polleke op sterven. In ‘Ik ben Polleke hoor!’ blijkt hij inmiddels gestorven. Haar verdriet probeert ze met anderen te delen; het beste lukt dat in het schrijven van gedichtjes. Uit alles blijkt dat ze hem nog mist, maar ze gelooft niet dat hij nog ergens is:

 

Hij leeft voort in je herinnering.’ Ja, dat weet ik ook wel. Dat vind ik zo’n oenige opmerking! Hij is alleen nog maar een herinnering. En waarom? Omdat hij dood is. Ik ben niet bang om dat te zeggen.’

 

En:

 

Alle mensen om mij heen geloven ergens in. Ze geloven bijvoorbeeld dat er een hemel is. Dat opa daar op ons zit te wachten. Of ze geloven dat opa opnieuw geboren wordt en nu een kindje is, of een kalfje of zo, want dat kan ook.’

 

Dat opa nu een deel van haar is, zoals wel geopperd wordt, vindt ze een absurd idee. ‘Ik ben Polleke hoor!’ antwoordt ze. Dat is ook een constante in de hele Polleke-serie. Kuijer schuwt de grote vragen niet. Leven, dood, geloof, verdraagzaamheid, (on)begrip, racisme (‘Het is zooo moeilijk om niet racistisch te zijn! Echt wel!’).

 

Hij laat de twijfels en onzekerheden zien waarmee een meisje van twaalf, dertien worstelt. Vanuit haar perspectief zien we het gedrag van de volwassenen, de manier waarop ze met de dood, tradities en het geloof omgaan, hoe ze langs elkaar heen leven en hoe slecht ze elkaar (willen) begrijpen. Polleke, die als een echt kind van haar tijd alles, zo niet bijna alles tegen haar moeder kan en durft te zeggen zonder dat de gezagsverhoudingen daar daadwerkelijk onder leiden, is als de dood dat haar moeder opnieuw zal gaan scheiden.

 

DE LEVENSVRAGEN VAN POLLEKE EN KUIJER

Opmerkelijk is de nadruk die Kuijer legt op geloof en geloven, alsof de levensvragen van Polleke ook de vragen zijn waarmee de schrijver nog altijd worstelt. Pollekes opa was streng gelovig. Haar oma is wat progressiever, zij hanteert de regels wat losser, waardoor ze in conflict komt met de ouderling die vindt dat Polleke met haar wijze van bidden het gebed belachelijk maakt.

Maar oma heeft weinig begrip voor de manier waarop Pollekes vriendin Consuelo drank (jenever) en spijzen (aardappelen die in verschillende gedaanten, zoals neus en ‘grafbloem’, door het verhaal heenlopen) op het graf van opa achterlaat. Ze worden betrapt door een buurman die de tieners beschuldigt van ‘zuipen op het kerkhof’. Oma reageert gramstorig op de meisjes, waarop Polleke denkt: ‘Ik begrijp jou ook wel eens niet’. Uiteindelijk komt het, als een deus ex machine toch nog goed met haar vriendje Mimoen.

 

AFSTANDELIJK, IRONISCH EN SUGGESTIEF PROZA

Het is prachtig hoe Kuijer zich opnieuw weet in te leven in de denk- en leefwereld van een meisje van twaalf, dertien dat op de drempel van de puberteit staat. Dat doet hij in licht afstandelijk, ironisch en suggestief proza. Er blijft voldoende voor de lezer te raden over. Kuijer, die in zijn (jeugd)boeken meestal kiest voor een vrouwelijke hoofdfiguur, laat Polleke haar verhaal vertellen in een eigen idioom. Bij hem gaan literaire technieken (zonder de experimenteerdrift van enkele van zijn vroegere boeken) en een zeker engagement moeiteloos samen. Hij verwerkt subtiel actuele maatschappelijke kwesties zonder dat het er te dik bovenop legt.

 

Bovendien verstaat Kuijer de kunst van het vertellen. Hij speelt een knap spel met de taal, wat hij gemeen heeft met andere grote Nederlandse kinderboekenschrijvers als Joke van Leeuwen en Toon Tellegen. Het is het plezier en het vernuft waarmee zij met de taal spelen, waarop zij haar laat zingen, die ervoor zorgt dat hun boeken ook voor (voorlezende) volwassenen de moeite waard zijn.

 

MOOI SLOTAKKOORD

Met zijn kinderboekenweekgeschenk ‘Ik ben Polleke hoor!’ heeft Kuijer een mooie slotakkoord aan de serie toegevoegd. Toch haalt het boek het niet bij het sterke eerste deel ‘Voor altijd samen, amen’, waarvoor Kuijer de Gouden Griffel ontving. Daarvoor is dit deeltje toch te veel een herhalingsoefening geworden, de innerlijke noodzaak lijkt te ontbreken, waardoor bijna onontkoombaar een beetje de sleets in de avonturen van Polleke is gekomen.

 

Het ambachtelijke is het creatieve gaan overheersen, waardoor hier en daar een oubollige en tenenkrommende scène het verhaal heeft kunnen binnensluipen, zoals die waarin de kinderen als in een Dik Trom-klucht van het kerkhof worden gejaagd. Daar tegenover laat Kuijer zich op zijn best zien als Polleke haar moeder ’s nachts troost wanneer ze ruzie heeft met haar stiefvader Wouter. Dat is prachtig en aangrijpend.

 

Oktober, 2001

UA-37394075-1