Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Hagar Peeters maakt schilderijen in woorden

Nog voordat er een bundel van haar gepubliceerd was, stond ze al te schitteren op de Nacht van de Poëzie. En dat was niet alleen omdat Hagar Peeters zo’n aangename verschijning was op het podium. Haar talent is onmiskenbaar.

Met haar debuutbundel ’Genoeg gedicht over de liefde vandaag’ uit 1999 gold ze als een belofte. En die loste ze in met haar tweede boek ’Koffers zeelucht’, een van de mooiste Nederlandse dichtbundels van 2004.

Hagar Peeters is een frêle, ranke verschijning. Maar ze is niet meer het onbevangen, naïeve meisje dat indertijd zoveel indruk maakte op het hiphop/poetryfestival Double Talk in Amsterdam en vervolgens op de Nacht van de Poëzie in Utrecht, waar ze zich op het podium net zozeer op haar gemak leek te voelen als aan de schrijftafel. ,,Ik was nog heel naïef, ja. De grote dichters die daar kwamen, kende ik helemaal niet. Mensen zeiden: wat geweldig! Je staat naast Gerrit Kouwenaar. Nou, ik had nog nooit gehóórd van Gerrit Kouwenaar. Echt waar, zodoende was ik helemaal niet zenuwachtig. Wat me allemaal overkwam, was zo onverwacht dat ik het juist weer erg grappig vond. Ik ben ook geloof ik de op een na enige dichter die voordat een bundel was uitgegeven op het festival heeft gestaan. Ik ben ook de enige die er een soort van literaire rap liet horen. Dat was nooit eerder vertoond.’’

De dichteres is inmiddels een stuk bedachtzamer geworden, gereserveerder ook. Niet vreemd als je bedenkt dat ze in de republiek der letteren in betrekkelijk korte tijd een naam is geworden op wie veler ogen zijn gevestigd. ,,Ja, ineens ben je dan écht dichter, weet je. Dat is heel raar, ik had eigenlijk niet gedacht dat dit zou kunnen.’’

‘Toen het boek uitkwam, vond ik dat wel eng. Het is zo van jezelf, zoiets persoonlijks.’

In 1999 verscheen haar met lof overladen debuutbundel ’Genoeg gedicht over de liefde vandaag’. ,,Toen het boek uitkwam, vond ik dat wel eng. Het is zo van jezelf, zoiets persoonlijks. En iedereen had daar ineens een mening over. Toen ik mijn gedichten nog alleen voordroeg was het ook wel spannend. Het was altijd weer afwachten of het aansloeg, of het publiek het leuk vond of niet. Maar met zo’n bundel was het toch anders. Dat was blijvender. Ik had ook niet gedacht dat er zoveel aandacht voor poëzie zou zijn. Want ik leef hier nu al vier jaar van. Dat had ik nooit gedacht. Dat komt natuurlijk vooral ook doordat ik vaak optreed. En ik schrijf gedichten in opdracht. Want van alleen de royalty’s van mijn boeken zou ik niet kunnen leven.’’

Hagar Peeters studeerde filosofie en algemene letteren en cultuurgeschiedenis in Utrecht. Hier leerde ze onder anderen de dichter Ingmar Heytze kennen, die haar overhaalde om op te treden op het zogenoemde Poëziecircus dat hij had opgericht. ,,Dat was eigenlijk bedoeld als tegenhanger van de gangbare poëzieavonden die een beetje een belegen, saaie en ingedommelde indruk maakten. Het Poëziecircus was erg leuk, korte optredens, muziek, cabaretachtige dingen. Daar ben ik de gedichten gaan voordragen die ik nog in een la had liggen.’’

‘Ik vond het leuk om verhaaltjes te verzinnen’

Ze had altijd al iets met taal: ,,Als kind hield ik dagboekjes bij. Ik vond het leuk om verhaaltjes te verzinnen. Maar thuis werd geen poëzie gelezen. Wel was er veel muziek, ik vond het leuk om zelf liedjes te verzinnen en om te improviseren.’’

Op de middelbare school was ze niet bovenmatig geïnteresseerd in poëzie. ,,In die zin dat ik niet bepaalde dichters las. In de puberteit ben je wel heel ontvankelijk. Veel pubers schrijven gedichten om vat te krijgen op de wereld en de chaos om hen heen. Dat doet bijna iedereen, maar de meeste mensen stoppen er ook weer mee. Ik ging er mee door. Maar op een gegeven ogenblik vond ik het niet leuk meer om te schrijven over de werkelijkheid zoals die zich aan mij voordeed. Dat vond ik niet spannend genoeg. Ik wilde die onderzoeken, er een eigen, speciale draai aan geven. Maar voor mij was toen wel duidelijk dat ik dít wilde, dat ik hiermee verder wilde gaan.’’

In haar debuutbundel schrijft ze over kinderen die hun tamagotchi’s begraven, over babyboomers, tongzoenen, de broosheid van relaties, de onbevangenheid van de jeugd en de schaamte van de ouderdom. Er staan enkele verzen die zich uitstekend lenen om op een festival te worden voorgedragen, maar op papier hun betovering verliezen. Daarvan is in ’Koffers zeelucht’ geen sprake meer. Er zit nu nauwelijks een zwak vers tussen. ,,Ik wilde absoluut geen bundel maken die leek op de vorige. De vorige is bijvoorbeeld vaak ironisch. Ik wilde verschillende stijlen uit proberen. ’Koffers zeelucht’ is veel meer een bundel, één geheel.’’

In een van de mooiste gedichten uit de bundel, ’Vannacht kwam ik mijn ouders tegen’, schrijft ze:

Aan hun geluk te zien kon ik nog niet

geboren zijn. Ze waren jong en heel verliefd.

Een groot verdriet bedroefde mij

omdat ik wist hoe het zou verdergaan.’

,,In dit gedicht kom ik mijn ouders tegen terwijl ik er zelf nog niet ben, wat natuurlijk helemaal niet kan. Maar in poëzie kan dat wél.’’ De poëzie in ’Koffers zeelucht’ is licht van toon, transparant en speels. Soms is er een eruptie van taal, dan weer een ingetogen vers. Sommige gedichten zijn lyrisch, andere meer afstandelijk, bespiegelend. ,,Zo ben ikzelf ook wel, denk ik. Ik kan heel erg in dingen opgaan, maar ik kan ook vooral toeschouwer zijn. Niet op hetzelfde moment. In poëzie kan dat wél samengaan.’’

Peeters schrijft toegankelijke gedichten die zich toch niet geheel prijsgeven. Er blijft een zweem van raadselachtigheid omheen hangen, zoals in ’Gebarentaal van de schaamte’:

Ik mocht bij haar kijken hoe het bij mij zou worden.

Zo groef ze ongevraagd haar benen uit elkaar

met vingertoppen klein als haar clitoris.

Dus uit dat rafelige roosje,

dat van verbazing openstaande mondje,

die twee zwijgende lippen

die mij nu eens niet vertellen hoe ik me gedragen moet

nooit waren lippen stiller.

Ze laten, wilden ze me leren,

soms veel over zich heen gaan.’

Van Hagar Peeters verscheen in 2003 een uitgebreide handelseditie van haar afstudeerscriptie ’Gerrit de Stotteraar en het onvoltooide streven’, waarvoor haar de Nationale Scriptieprijs 2001 was toegekend. Vanwaar ineens dát boek? ,,Toen mijn eerste bundel uitkwam, moest ik nog afstuderen in de cultuurgeschiedenis. Het onderwerp en het gegeven dat Nederland een van de mildste strafrechtregimes had van de hele wereld, begon me steeds meer te interesseren. Ik kwam erachter dat de veertig jaar die Gerrit de Stotteraar als inbreker ’actief’ was, grotendeels overlapte met de periode waarin de Nederlandse strafrechtpleging een van de mildste ter wereld werd. Bovendien was over ’s lands bekendste inbreker nog niets geschreven. Iedereen dacht dat hij al dood was, maar hij bleek nog in leven en wilde met mij praten. Daar wilde ik toen een mooi boek van maken.’’

Ze treedt nog steeds graag op, al zou ze zich geen podiumdichteres meer willen noemen. ,,Ik vind het heel mooi om naar voorgedragen poëzie te luisteren. Ik vind die festivals ook echt leuk, daar gebeurt tenminste iets. Maar het is een misvatting om te denken dat ik mijn gedichten speciaal zou schrijven om ze voor te dragen.’’

Dat ze de poëzie van de Poolse dichteres Wislawa Szymborska (Nobelprijswinnares in 1996) bewondert, is niet verwonderlijk. Net als Szymborska hoedt Peeters zich voor (al te) grote woorden. ,,Ja, als ik op iemand zou willen kijken, dan is het op Szymborska. Ik vind haar poëzie zo mooi, de taal is helder, en de invalshoek is in ieder gedicht weer volstrekt origineel.’’

Ze heeft weinig op met de nu en dan oplaaiende poëziestrijd tussen ’verstaanbare’ en ’onverstaanbare dichters’, tussen toegankelijke en hermetische poëzie. ,,Dat vind ik een heel kunstmatig onderscheid. Het gaat bij dichters die ontoegankelijke poëzie voorstaan, niet om de inhoud. En poëzie die alleen maar een soort taalspelletje is, levert niets op. Die vind ik oppervlakkig. Laatst las ik ergens, en dat vind ik een hele mooie omschrijving van wat een gedicht is: een schilderijtje in woorden met een idee erachter. Zo werkt het bij mij ook.’’

Vannacht kwam ik mijn ouders tegen

Vannacht kwam ik mijn ouders tegen,

twee bleke schimmen die naar elkaar

toe negen in het witte licht van een lantaarn.

Aan hun geluk te zien kon ik nog niet

geboren zijn. Ze waren jong en heel verliefd.

Een groot verdriet bedroefde mij

omdat ik wist hoe het zou verdergaan.

Zij schaterde om iets dat hij haar toegefluisterd had.

Hij lachte hard zoals hij nog vaak doet.

We wisselden een beleefde groet

en daarna scheidden zich weer onze wegen.

Wacht maar’, riep ik hen na,

wij komen elkaar nog wel eens tegen.

Gearmd gingen ze zwijgend om een hoek.

Hagar Peeters

Hagar Peeters: ’Koffers zeelucht’. Uitgeverij De Bezige Bij, 77 blz.

2004

UA-37394075-1