Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Hans Croiset: ‘Het jongetje in dat truitje is voor mij hét symbool van de overlever’

Hans Croiset is een grote naam in het theater. Als schrijver laat hij zich nu gelden in ‘Lente in Praag’ over ontheemden in een wereld op drift. ,,Het jongetje in dat truitje dat onaangedaan het concentratiekamp uitloopt, is voor mij het symbool van dé overlever.”

 

Zijn derde boek is net uit en hij staat nog geregeld op het toneel. Hans Croiset (1935) speelde bij het Nationale Toneel laatst in ‘Drie zusters en speelt nu in de alom geprezen voorstelling ‘Strange interlude’. Hij is van 1935 maar nog even actief en energiek als altijd. Of is dat schijn? ,,Nee, never a dull moment”, zegt hij laconiek in de Stadsschouwburg, een passend decor voor een gesprek met iemand wiens leven zo’n beetje is vergroeid met toneel. ,,Maar het is wel veel. Ik profiteer niet van mijn leeftijd, ik misbruik mijn leeftijd”, zegt hij op haast vermanende toon. ,,Ik neem me voor om me er na de laatste voorstelling van ‘Strange interlude’ niet meer aan te wagen, maar ja, over anderhalf jaar wordt ‘Drie zusters’ hernomen, dus als ik dan nog onder ons ben, zal ik het doen.”

 

,,Ik doe net of het nog die tijd is. Dat is onhandig. Ik moet op de rem trappen.”

 

Hij glimlacht berustend. Maar het gaat niet meer vanzelf, zegt de man die grote toneelgezelschappen oprichtte en leidde (Publiekstheater, het Nationale Toneel, Het Toneel Speelt), in een halve eeuw ongeveer honderd stukken regisseerde en zo’n vijftig rollen speelde. ,,Het kost nu veel inspanning. Het is niet het spelen zelf, maar alles eromheen, het late thuiskomen. Vroeger zat ik om negen uur op het kantoor van het toneelgezelschap. Ik begon om elf uur met repeteren. We gingen om half vijf de bus in en speelden ’s avonds een ander stuk. Daar draaide je je hand niet voor om. Ik doe net of het nog die tijd is. Dat is onhandig. Ik moet op de rem trappen.”

Hij kan echter niet stilzitten. Het doet hem denken aan Goethes ‘Faust’ waarin Mefisto tegen Faust zegt: ‘Zodra je zegt, het is gedaan, dan is het afgelopen.’ ,,Ik geef veel les op de toneelscholen in Amsterdam en Maastricht. Ik vind het heerlijk om jonge mensen iets mee te geven waarvan ik denk dat ze er misschien iets aan hebben.”

 

‘Lente in Praag’: een aangrijpende roman over ontheemden in naoorlogs Nederland.

 

‘Lente in Praag’ is zijn derde boek. Zijn eerste, ‘Badhuisweg’, verscheen zes jaar geleden. Een genadeloos zelfportret waarin de zoon zijn levenslange worsteling beschrijft met zijn dominante vader, de legendarische acteur Max Croiset, én het gevecht met zichzelf. Daarna volgde de roman ‘Lucifer onder de Linden’ (2009), dat nu in het Duits wordt vertaald, over een Nederlandse acteur in het Berlijn van 1935 waar het opkomend nazisme hem voor dilemma’s stelt.

‘Lente in Praag’ is een gelaagde, aangrijpende roman over ontwortelde mensen die door de Tweede Wereldoorlog zijn getekend. De kleine Wouter wordt, kort na de bevrijding, door zijn latere pleegouders liefdevol opgenomen. Drie ontheemde mensen die alles hebben verloren, gezin, huis, bezit, alles. Ze ontmoeten elkaar bij toeval en vormen als vanzelfsprekend een gezin. De inspiratiebron vormde een oorlogsfoto die Croiset aantrof op het internet. ,,Dat was een prachtige foto van een jongen van een jaar of vier/vijf in een gestreept truitje die na de bevrijding uit een concentratiekamp komt. Hij loopt daar onaangedaan tussen al die lijken door. Het bleek een Hollands kind, dat het uiteindelijk behoorlijk gered heeft na de oorlog. Ik spiegel me aan dat jongetje. Voor mij is hij een soort icoon. Het symbool van dé overlever. Hij wist dat hij door moest. Daar wilde ik mijn eigen verhaal bij bedenken.”

 

,,Alles”, zegt hij, nog altijd in verwondering, ,,alles wat je bedenkt, is op de een of andere manier wel gepasseerd.”

 

De verbeelding legt het uiteindelijk altijd af tegen de werkelijkheid. Op de dag van het vraaggesprek las Hans Croiset ’s ochtends een krantenartikel over een man van 71/72 die met zijn tweelingbroertje in Auschwitz zat en kort na de bevrijding van zijn broertje werd gescheiden. ,,Hij liep naast iemand en vroeg: wil jij mijn vader zijn? De man zei ja en de jongen is bij hem gebleven tot hij het huis uitging. Hij is nu, via Facebook, op zoek naar zijn tweelingbroer.” Hij laat even een stilte vallen. ,,Alles”, zegt hij dan, nog altijd in verwondering, ,,alles wat je bedenkt, is op de een of andere manier wel gepasseerd.”

 

,,Ik geloof dat niemand die de oorlog heeft meegemaakt kan zeggen dat het geen invloed op zijn leven heeft gehad.”

 

Belangrijkste personage in ‘Lente in Praag’ – de titel is een knipoog naar de Praagse Lente in 1968 – is de toneelspeler Wouter Sternheim die op de dag dat hij het ouderlijk huis verlaat van zijn ouders te horen krijgt dat hij niet hun zoon is. Na die onthulling raakt hij op drift. Hij ontdekt het toneel, waarin hij succes boekt, maar het blijkt een vlucht te zijn, een vlucht voor zichzelf en zijn verleden, zoals dat ook voor zijn pleegouders geldt. ,,Wouter is een ontzettende wegloper voor problemen. Maar dat is ook een manier van overleven. Ik geloof dat niemand die de oorlog heeft meegemaakt kan zeggen dat het geen invloed op zijn leven heeft gehad. Op tienduizenden verschillende manieren. Mijn hoofdpersonen zijn daar allemaal door aangetast en dat allemaal op een andere manier. Ik wil laten zien hoe zoiets doorwerkt in iemands leven, hoe het weggestopt wordt en hoe het, na een soort wapenstilstand met jezelf of met anderen, weer de kop opsteekt. Ik weet van iemand, dat is vijftig jaar geleden, die huis en haard in de steek liet en (net als Wouters pleegvader) ging lopen. Hoe dat afgelopen is weet ik niet. Er komen zoveel dingen bovendrijven tijdens het schrijven. Dat vind ik het wonderlijke van dat proces, voor mij die daar zo laat mee begonnen is.”

 

,,Ik ontmoet bij het Nationale Toneel nu mensen als Ariane Schluter en Mark Rietman, die spelen voor hun leven. Zij spreken al hun talent aan. Ik sta daar met open mond naar te kijken.”

 

Wouter kan zijn liefde voor zijn pleegouders moeilijk uitspreken. Toch blijkt die na de onthulling niet echt aangetast. Hans Croiset, de oudere broer van acteur Jules Croiset, had ook een pleegmoeder. ,,Ik sprak het met haar wel allemaal uit. We lijken in zoveel op elkaar. Daar hoefde niets raars van gemaakt te worden, terwijl het in het boek beladen begrippen zijn.”

Wouters liefde voor de Praagse Jarmila brengt hem dichter bij zijn verleden dan hij beseft. Zijn amoureuze ontmoetingen confronteren hem met de studentenrevolte in 1968 in Parijs, de Praagse lente in 1968 en kort daarop met de inval van de troepen van het Warschaupact. ,,Dankzij de omstandigheden en die avonturen leren ze elkaar zeer goed kennen en wordt hun liefde zwaar op de proef gesteld. In dat soort situaties zijn twee dagen genoeg waarvoor wij twee jaar of meer nodig zouden hebben.”

In Tsjechië (toen nog Tsjecho-Slowakije) ervaart Wouter hoe (politiek) zwaarbeladen toneel en kunst kunnen zijn. Het geeft de schrijver de gelegenheid om de grote verschillen uit te lichten, die tussen de theaterwereld in Amsterdam in de sixties en die van het Oostblokland. Toneel als levensnoodzaak, zoals Croiset die tegenwoordig nog maar zelden meemaakt. ,,Ik ontmoet bij Het Nationale Toneel nu mensen als Ariane Schluter en Mark Rietman, die spelen voor hun leven. Zij spreken al hun talent aan. Ik sta daar met open mond naar te kijken. Maar dat is de toeschouwer in mij. Het is niet dé reden dat ik weer sta te spelen. Ik ben blij dat ik dat meemaak, de niet kapot te krijgen veerkracht van het theater dat door zijn grote talenten het unieke van levend toneel aantoont, zeker in een plastic maatschappij als de onze.”

 

,,Je moet een thema hebben en er niet maar op raak schrijven.”

 

Het is voor iemand voor wie theater zo’n beetje synoniem is aan ademhalen, niet verwonderlijk dat in zijn boek toneel een belangrijke rol speelt. Tijdens het schrijven komen veel herinneringen naar boven. ,,Misschien mis ik die ervaringen zozeer dat ik in het schrijven een manier heb gevonden, thuis, in een veilige omgeving, om ze weer op te kunnen roepen. Ook al die stukken die ik heb mogen doen, Sofokles, Shakespeare, Tsjechov, Brecht, noem maar op, die er allemaal verschillende dramaturgieën op nahouden, hebben mij veel geleerd. Dat blijkt pas nu. Niet alleen de dramaturgie, maar ook bij het bedenken van het plot. Je moet een thema hebben en er niet maar op raak schrijven.”

 

,,Het vriendschapsgevoel voor Grossman heb ik vorm willen geven. Ik wou een monumentje voor hem maken.”

 

Op een enkeling na zijn z’n meeste personages verzonnen. ,,Jan Grossman heeft bestaan, net als de man die in het boek Elcerlyc heet. De laatste heeft niks meegemaakt met wat in mijn boek is gekomen behalve dat hij ‘Elckerlyc’ gespeeld heeft.” Grossman, die om politiek-artistieke redenen van Praag naar een grensdorp werd verbannen, was niet alleen een collega maar ook een vriend. ,,Het vriendschapsgevoel voor Grossman heb ik vorm willen geven. De tragiek van iemand die door de omstandigheden amateurachtig toneel moest maken en daar vervolgens echt in ging geloven. Na de fluwelen revolutie (1989) kreeg hij zijn theater terug. Twee jaar later was hij dood. Zijn beste jaren verkeerde hij in artistieke ballingschap. Ach, ik heb dat zo vreselijk gevonden, zo vreselijk. Ik wou een monumentje voor hem maken.”

Treffend beschrijft Croiset de inval van de Sovjettroepen in Praag in 1968. Rond het omroepgebouw zijn de protesten het hevigst. ,,Voor de Tsjechische uitspraak ben ik naar een genaturaliseerde Tsjechische vrouw gegaan. Het leven is te merkwaardig voor woorden, maar zij zat op een redactie van een krant naast het gebouw van de omroep. Ze zei me: er staat in het boek niets wat niet zo gebeurd is.” Hij laat even een stilte vallen. Even verbaasd als triomfantelijk: ,,Dat is toch te gek voor woorden? Wat is de werkelijkheid dan nog?”

 

,,We werden uitgelachen omdat we er goed uitzagen en omdat we behoorlijk normaal te eten hebben gehad. Daardoor werden we ook verdacht en uitgescholden voor NSB’ers.”

 

Hij geeft nu de voorkeur aan het schrijven boven het regisseren. ,,Het schrijven geeft me nu meer voldoening. Herinneringen bestaan pas op het moment dat wij ze kunnen vertellen. Onze beelden zijn gevormd met woorden, anders gaat het niet. Dat is op zichzelf fantastisch, maar het kan tragisch zijn als dat je bij het opgroeien stoort. Ik heb dat als kind heel vaag gevoeld. Wij spraken Fries in Friesland. Toen we in september 1945 terugkwamen naar Den Haag en weer Nederlands spraken, werden we uitgelachen omdat we een accent hadden. We werden uitgelachen omdat we er goed uitzagen en omdat we behoorlijk normaal te eten hebben gehad. Daardoor werden we ook verdacht en uitgescholden voor NSB’ers.”

,,Ik wist niet wat dat precies was. Ik wist wel dat er iets met mijn vader was. Ze hebben ons uit elkaar gehouden om ons niet met elkaar in verband te brengen. Mijn moeder wist niet eens dat mijn vader Joods was. Dat had hij nooit gezegd. Dat hoefde helemaal niet voor de oorlog. Was niet nodig. Kwam pas door die krankzinnige toestanden.”

,,Ik ben door mijn pleegmoeder opgegroeid in bewondering voor schilders en schrijvers. Mijn pleegmoeder besefte nooit dat schrijvers ook kladblokjes hadden. Dat ze vierhonderd doorhalingen nodig hadden voor twee alinea’s. Daardoor kwam mijn beeld van kunst op een veel te hoog podium. Daar ben ik pas op latere leeftijd achtergekomen.”

 

,,Ik ben iemand die schrijft. Ik vind maar weinig mensen een echte schrijver. Vasili Grossman, Milan Kundera…”

 

,,Dat ik op mijn eerste Boekenbal weer snel weg was, kwam omdat ik in een hoekje Harry Mulisch zag zitten die ik als theatermaker van vroeger kende. We groetten elkaar en ik liep door. Ik kan niet doen alsof ik een schrijver ben, dacht ik. Ik zag tegelijk zoveel mensen met een opgeblazen ego. Zelfs toneelspelers zijn bescheidener. Die haken ook wel naar succes en erkenning, maar die lopen niet rond van: ‘Vindt mij goed!’ Nee, die vragen na afloop van de voorstelling: ‘Vond je het wat?’ Of: ‘Heb je een prettige avond gehad?”

,,Me neerleggen bij het schrijverschap zou ik niet kunnen. Ik ben iemand die schrijft. Ik vind maar weinig mensen een echte schrijver. Vasili Grossman, Milan Kundera… Ik voel me ook niet meer echt een toneelspeler. Ik ga uit recalcitrantie nu weer iets totaal anders doen. Dat gaat me minstens twee jaar grondig onderzoek kosten. Hoe het gaat heten? ‘Ik, Vondel’.”

 

Hans Croiset: ‘Lente in Praag’, roman, uitgeverij Cossee, 285 blz. De theatervoorstelling ‘Strange interlude’ door het Nationale Toneel is nog t/m mei op tournee. www.nationaletoneel.nl, www.cossee.com

 

Maart, 2013

 

In een verkorte versie eerder gepubliceerd in kranten van De Persdienst.

 

UA-37394075-1