Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Hans Warren en de nakende dood: ‘M’n ellende is onvoorstelbaar’

Kort voor zijn dood schrijft de dichter, bloemlezer, literair criticus en dagboekschrijver Hans Warren (1921-2001) in zijn ‘Geheim dagboek’. ‘M’n ellende is onvoorstelbaar. Ik zal proberen zo duidelijk mogelijk te schrijven, maar ik zie de lijnen niet en het warrelt voor m’n ogen. Iedere handeling is een marteling. Hoe ik eten heb gekookt, gegeten en afgewassen? Telkens onderbroken door buikkramp, winden-met-inhoud, woedeaanvallen en onbegrip van M. Ik verlang naar de dood. Ik ben M. en mezelf alleen maar tot last.’

 

Geheim dagboek 2001’ is nu reeds gepubliceerd, vóór de nog op stapel staande dagboeken die de periode 1984-2000 beschrijven. Zijn uitgeverij Bert Bakker en Mario Molegraaf, Warrens levenspartner en secretaris, besloten het laatste deel met voorrang te publiceren, omdat dit Warrens ‘testament’ is én omdat het op hartverscheurende wijze getuigt van zijn werk, leven en lijden. Hans Warren schrijft erover op de manier die we kennen uit de reeds verschenen delen van het ‘Geheim dagboek’: openhartig en genadeloos, vilein en ijdel, daarbij niets en niemand ontziend, vooral zichzelf niet.

Op 16 april 1942 – hij was twintig jaar – begon hij zijn dagboek, zijn laatste notities maakte hij als 80-jarige drie dagen voor zijn dood, op 16 december 2001. Daartussen heeft hij het bestaan in al zijn facetten proberen vast te leggen. Tezamen vormen de reeks dagboeken een vlijmscherp tijdsbeeld van de tweede helft van de twintigste eeuw.

 

Ik voel me slecht. Dit komt nooit meer goed. Zelfs in huis heb ik het erg moeilijk. Bijna dagelijks doe ik het in m’n broek, ik pis grote stralen naast de pot.’

 

Maar zelden zal in de Nederlandse literatuur het ziekteproces en de nakende dood zo gedetailleerd en schaamteloos zijn beschreven als in ‘Geheim dagboek 2001’. Hierin volgen we op de voet Warrens fysieke en geestelijke verval, daar in zijn huisje nabij Kloetinge, diep in Zeeland, waar de geboren Zeeuw (Borssele, 20 oktober 1921) zich steeds meer als een kluizenaar heeft teruggetrokken.

We lezen over het groeiende gezwel in zijn buik, over de staar, zijn wanen, zijn vertwijfeling, de ontreddering en de ontluistering. Een leven tussen hoop en vrees. Op 30 december 2000 schrijft hij: ‘Ik voel me slecht. Dit komt nooit meer goed. Zelfs in huis heb ik het erg moeilijk. Bijna dagelijks doe ik het in m’n broek, ik pis grote stralen naast de pot. Voortdurend dreig ik te struikelen. Uit mijn buik komen de waanzinnigste geluiden.’

 

Wanhopig is hij als hij niet op eenvoudige woorden kan komen, domme spelfouten maakt of rare verschrijvingen.

 

De drang om te overleven heeft aanvankelijk nog de overhand. Al vreest Warren de dood niet. Herhaaldelijk verlangt hij ernaar, en die doodswens wordt naarmate het jaar vordert steeds sterker. De meeste angst boezemt hem nog de geestelijke aftakeling in. Wanhopig is hij als hij niet op eenvoudige woorden kan komen, domme spelfouten maakt of rare verschrijvingen.

Hij kan op elk moment wegdommelen, heeft last van oogflikkeringen en ergert zich als hij in zijn cahiers weer inktvlekken maakt. Hij schrijft over de knetterende ruzies met de lichtgeraakte Molegraaf. Kinderachtige ruzies vaak over niets, over wrappers bijvoorbeeld die Warren in de oven had gewarmd, terwijl ze koud gegeten dienden te worden: ‘M. was ziedend. Ik deugde nergens meer voor, kon niets meer, ik moest in een inrichting, al zijn pleziertjes vergalde ik (…) Ik snikte en snikte, at m’n palingbroodjes met een mond vol tanden.’

Genegenheid

Maar nadat een (slaande) ruzie is gesust, voelt Warren weer een grote genegenheid voor zijn jongere partner met wie hij zo’n 23 jaar samenleefde. Je hebt herhaaldelijk te doen met die arme Warren als hij weer eens zo hufterig wordt gekleineerd en geschoffeerd door zijn veertig jaar jongere levensgezel. Als hij midden in de nacht niet meer van de wc kan afkomen, wacht hij kleumend op hulp. Aanvankelijk dorst hij geen gerucht te maken, bang voor een uitbarsting van zijn levensgezel, maar in arren moede besluit hij hem toch maar te alarmeren. En inderdaad, Molegraaf, die Warren ervan verdenkt hem opzettelijk tegen te werken, ontsteekt in toorn.

 

Voor Hans Warren gold: het is alles of niets. Niets dient verheimelijkt of mooier gemaakt, zo is het leven nu eenmaal, en dit de mens.

 

Herhaaldelijk komt de doodzieke dichter in pijnlijke situaties terecht, die je soms met kromme tenen leest, en die zo particulier zijn dat je je soms afvraagt of wij dit allemaal wel moeten lezen. Maar voor Hans Warren gold: het is alles of niets. Niets dient verheimelijkt of mooier gemaakt, zo is het leven nu eenmaal, en dit de mens.

Warren schrijft vlak voor zijn dood over zijn angst dat Molegraaf dit ‘Geheim dagboek’ zou vernietigen, omdat deze hierin zo onaangenaam afgeschilderd wordt: ’Waarschijnlijk verscheurt M. later alles’, schrijft hij op 28 november, ‘hij gooit het weg. Hij gelooft niet in het monument van m’n aftakeling.’ Dat Molegraaf desondanks besloot dit laatste deel met voorrang te publiceren, is prijzenswaardig en getuigt van moed.

Toewijding

Molegraaf werkt bovendien als een bezetene, onder meer aan vertalingen, waaronder het Plato-vertaalproject van Warren/Molegraaf. Hij tikt de kliederige, nauwelijks leesbare velletjes uit van Warrens boekbesprekingen, en doet dat met veel zorg en toewijding. Hoezeer de twee elkaar vaak ook naar het leven staan, ze kunnen niet mét maar ook niet zónder elkaar.

In zijn dagboek weidt Warren verder onverbloemd en vaak bloemrijk uit over zijn kunstcollectie, over zijn uitstapjes – de te missen passages in het dagboek. We lezen over zijn vrienden, kennissen en collega’s, (lekker) eten, natuurervaringen, kinderen en ex-vrouw (tijdens zijn huwelijk ontdekte hij zijn homoseksuele geaardheid), over interviews en uiteraard over de literatuur.

Als criticus, jarenlang een van de toonaangevende in het land, schreef hij in een halve eeuw zo’n 2.500 literaire kritieken en kronieken, die hij zelf ‘journalistieke literatuur’ noemde, eerst voor de Provinciale Zeeuwse Courant, later ook voor andere kranten. Deels schreef hij ze al in ruwe vorm in zijn dagboek. Over de Nederlandse literatuur die hij een halve eeuw van nabij volgde, is hij uiteindelijk maar matig te spreken. Zo proef je zijn weerzin jegens Mulisch en zijn bewondering voor Reve.

 

Hans Warren voelde zich in de eerste plaats dichter.

 

Warrens grote liefde lag evenwel bij de poëzie. Hij voelde zich in de eerste plaats dichter. Wie zijn heruitgegeven en aangevulde ‘Verzamelde gedichten’ leest, vindt zijn beste werk niet toevallig in de bundels ‘Winter in Pompei’ (1975) en ‘Tijd’ (1986), waarin hij zich het meest hield aan zijn adagium ‘Zeggen wat nooit iemand zei’:

 

Ik heb je lief, ik lieg.

Je geurt bedwelmt me.

Kom niet nog nader,

je geur stoot me straks af.

Nu heet je zo,

morgen heet je anders

Ik vlucht omdat je bent

wie je bent,

lijfelijk, lawaaierig, te jong.

Ik heb je niet lief, ik lieg.’

 

(uit: ‘Ik lieg’)

 

Opvallend is dat Warren als jongeman tamelijk ouwelijke verzen schreef en op oudere leeftijd steeds vitalere. Toch zal Hans Warren hoogst waarschijnlijk niet dankzij zijn gedichten een ‘blijvertje’ blijken te zijn, maar dankzij zijn streng-openhartige ‘Geheime dagboeken’, met als – voorlopig – hoogtepunt het nu verschenen laatste deel.

Dieptepunt daarin – of hoogtepunt, zo men wil – is de vernietigende kritiek van Gerrit Komrij op Warrens laatste dichtbundel, die kort voor de dood van de dichter uitkwam.

Molegraaf was des duivels. Warren was kapot van het meedogenloze stuk van zijn vroegere vriend: ‘Haast niet te verwerken: Gerrit K. schreef in zijn poëzierubriek in de NRC een vernietigend stukje over ‘Een stip op de wereldkaart’. Ongetwijfeld ingegeven door wraakzucht vanwege de bespreking van zijn roman ‘De klopgeest’. Ik kreeg meteen weer de helse buikpijn van enige dagen geleden en die duurt nog steeds voort. Een gevolg van een afklemming van de darmen, geen gevolg van G.’s aanval. M. denkt daar anders over.’

 

Ik ben verloren. Dag lief moedertje. Dag paps.’

 

Hans Warren eindigt zijn halve eeuw dagboeknotities in uiteenlopende gemoedsstemmingen. ‘Ik ben verloren. Dag lief moedertje. Dag paps’, schrijft hij eerst. Daarna haalt hij uit naar zijn partner, om te besluiten met een bewonderend slotakkoord: ‘Is het werk eenmaal af, dan kalmeert hij. Dan wordt hij weer een aimabel mens.’

Tenslotte neemt zijn door huilbuien geplaagde levensgezel de pen over. Kort na Warrens overlijden op 19 december 2001 eindigt Molegraaf het boek, na een nacht vol koortsdromen, met zinnen die je als buitenstaander met zeer gemengde gevoelens leest: ‘Hasje kom terug! Hasje kom terug!’ Uren naar de hemel liggen zwaaien. Alsof hij me hoorde. Alsof hij me zag.’

 

Hans Warren: Geheim dagboek 2001, 354 blz. Verzamelde gedichten. Bezorgd door Mario Molegraaf. 884 pag. Beide uitgaven: Bert Bakker.

 

December, 2001 

UA-37394075-1