Nico de Boer Teksten

Nico de Boer Teksten

Beweeg over de plank met de pijltjes op het toetsenbord, of zoek direct op een titel of auteur:

Hans Warren en zijn revanche op de onbenullen

In december 2002 verscheen ‘Geheim dagboek 2001’, waarin de dichter, dagboekschrijver, bloemlezer en literair criticus Hans Warren (1921-2001) over zijn laatste levensjaar schrijft. Zijn uitgeverij besloot dat laatste deel van de reeks ‘Geheim dagboek’ met voorrang te publiceren omdat dit Warrens ‘testament’ is én op hartverscheurende wijze getuigt van zijn werk, leven en lijden. De dagboeken die de periode 1984-2000 beschrijven, hielden we nog te goed.

 

Daarvan is nu deel zestien verschenen. Dat deel bestrijkt de jaren 1984-1987, waarin het turbulente leven van de schrijver en dichter in een rustiger vaarwater terecht lijkt te komen. Rond zijn 65e kijkt Hans Warren met tevredenheid terug op een ’redelijk geslaagd leven. Ik heb het verder gebracht dan ik had durven hopen’’. Grote veranderingen doen zich in die beginjaren tachtig in zijn leven niet voor. Soms komt de geboren Zeeuw dagenlang zijn huisje diep in Zeeland nauwelijks uit.

Hij verdient goed, hij heeft het druk met vertalingen, bloemlezingen (poëziescheurkalender), het persklaar maken van zijn dagboeken en het schrijven van zijn literaire kritieken. Dat hij toch niet altijd zakelijk genoeg is, wijt hij aan zijn vader, die vond ,,mijn geschrijf waardeloos en daarom meen ik nog altijd dat alles wat ik ermee verdien woeker is’’. Hij leeft ‘aangenamer dan ooit’, om even later met de pest in zijn lijf te schrijven dat hij van ’niemand meer houdt’’ en dat die ,,paar vage vriendschappen haast geen betekenis hebben’’.

 

Hij beschouwt zijn succes mede als een soort revanche op ’al die nullen van de lagere school en de middelbare school, leraren en leerkrachten’.

 

Zijn ‘Geheim dagboek’ wordt een begrip. De verschijning van een nieuw deel in de reeks betekent telkens een kleine literaire sensatie. Roem en succes vallen hem ten deel. Hij is daar als een kind zo blij mee. Hij beschouwt zijn succes ook als een soort revanche op ’al die nullen van de lagere school en de middelbare school, leraren en leerkrachten’’. Er is een begin van literaire erkenning.

Toch blijft hij zuchten onder een gebrek daaraan. Zo windt hij zich op over de toekenning van de P.C.Hooftprijs in 1985 aan Hugo Brandt Corstius: ,,Hoe die waardeloze figuur ooit enige faam heeft kunnen verwerven met zijn onleesbare geschrijf is me een raadsel’’, smaalt hij. En als daarna ook nog de Constantijn Huygens Prijs aan zijn neus voorbijgaat, schrijft hij ontgoocheld en afgunstig: ,,Die is aan Pierre H.Dubois gegeven, slechter had je moeilijk kunnen kiezen.’’ Beide prijzen zullen hem ook daarna niet ten deel vallen.

 

,,Weer viel me de verwantschap tussen Willink en Vestdijk op. Vals, namaak, bluf, niks. De een met verf, de ander met woorden.’’

 

Het is prettig dat Warren steevast man en paard noemt, zodat je nergens naar namen hoeft te gissen. Op enkele uitzonderingen na dan. Als er in het studentenblad Propria Cures een ’beledigend en banaal stukje’ over hem staat, noemt hij de naam ,,lekker niet’’. Hij kan ook boosaardig zijn, dan verliest hij alle subtiliteit. Zo noemt hij schilder Carel Willink een prutser: ,,Maar het publiek trapt erin. Weer viel me de verwantschap tussen Willink en Vestdijk op. Vals, namaak, bluf, niks. De een met verf, de ander met woorden.’’

 

Toch klinkt hij meestal oprecht in zijn kritiek, al schuilt er soms meer achter een vernietigend oordeel. Dan proef je de afgunst, de rancune, de afkeer van personen. Maar wie denkt dat Hans Warren als zestiger een sikkeneurige ouwe zeurpiet is geworden, heeft het mis, want de kunst van het bewonderen is hij niet verleerd. Prijzend kan hij bijvoorbeeld schrijven over de Griekse dichter Kavafis, de Vlaamse schrijver Maurice Gilliams en de Fransman Alain-Fournier.

In de persoonlijke sfeer verdiept zijn relatie zich met Mario Molegraaf. Zijn levensgezel (en secretaris) is 24, Warren veertig jaar ouder. Desondanks laaien de ruzies soms hoog op, zoals de partners elkaar in de jaren daarop voortdurend het leven zuur zullen maken, zoals we ook in het laatste deel hebben ervaren. De verstandhouding met zijn ex-vrouw wordt er niet beter op, contact met zijn twee kinderen heeft hij niet of nauwelijks. Dat verdriet hem, hij heeft spijt dat het allemaal zo gelopen is, maar hij leidt nu wel het leventje dat hij altijd al hadden willen leiden.

 

,,Maarten ’t Hart at als een hongerige wolf. Hij liet zich door niets meer afleiden.”

 

Het boek bevat mooie anekdoten over collega-schrijvers, zoals die over Gerrit Komrij, met wie Warren vlak voor zijn dood gebrouilleerd zal raken. Treffend is de observatie over de ’schraperige’ Maarten ’t Hart, met wie Warren tijdens een schrijversbijeenkomst aan het diner zit: ,,Hij at als een hongerige wolf. Hij liet zich door niets meer afleiden, in een minimum van tijd was het bordje schoon leeg, geen blaadje, geen sausspoor meer te zien. Of de poes het had leeggelikt.’’

 

,,Zo weinig mensen tonen echt interesse, zelfs beleefde belangstelling brengen ze niet op.’’

 

Opzienbarend is dit zestiende deel niet, vaak zelfs ronduit saai. Een vergelijking met het slotdeel over het laatste levensjaar van Warren gaat mank, omdat dat vanwege het sterfbed van de dichter bij tijden huiveringwekkend aangrijpend is. De kracht van Warrens dagboek, ook in dit deel, is gelegen in de schaamteloze openhartigheid ervan, de onthullende kijkjes achter de schermen van de kleine republiek der letteren, en vooral de genadeloze ontmaskering van zichzelf en anderen: ,,Zo weinig mensen tonen echt interesse, zelfs beleefde belangstelling brengen ze niet op.’’

 

,,Ik ben in wezen een prul die op onverklaarbare manier een zekere naam heeft opgebouwd.”

 

Geen onderwerp gaat hij uit de weg. Hij schrijft frank en vrij over (zijn) homoseksualiteit en verafschuwt nichtengedrag: ,,Je drift uitleven in een dark room waar je contact hebt met een vrijwel ongeziene onbekende, hoe armoedig is dat. Dan lijkt onanie bijna feestelijk.’’ Hij spaart niemand, ook tegenover zichzelf is hij streng. Als de Bergense dichter Hans Tentije de criticus Warren aanvalt, merkt de laatste stoutmoedig op dat hem die kritiek van ,,zo’n absolute nul’ niets kan schelen’’.

Hij vervolgt: ,,Het is veel erger dat ik mezelf een criticus van niks vind. Ik meen dat ik gelijk heb bij het scheiden van goed en slecht, waardevol en waardeloos, maar dat gaat per intuïtie, zoals alles bij mij. Ik ben in wezen een prul die op onverklaarbare manier een zekere naam heeft opgebouwd. Het is schijn, bedrog, oppervlakte – ik weet het zelf maar al te goed.’’

 

Een meedogenloos eerlijk zelfportret in achtendertig woorden.

 

Het ene moment voelt hij zich vitaal en dartel als een lam, het volgende kan hij slechts hoofdschuddend naar zichzelf kijken. Hij schrikt van foto’s waarin hij met de ouderdom wordt geconfronteerd: ,,Wat zie ik er toch uit. Dat kleine, benepen, vaak zo preuts lijkende mondje, die stekende ogen, die kale kop vol plekken, schrale hals, de misvormde handen met levervlekken, dat kán toch niet naast de jeugd van M.?’’ Het is een meedogenloos eerlijk zelfportret in achtendertig woorden.

 

Hans Warren: ‘Geheim dagboek 1984-1987’. Zestiende deel. Tekstbezorging: Mario Molegraaf. Uitgeverij Balans, 380 blz.

 

2004

UA-37394075-1